board[bɔːrd]plank
The board is made of oak.
De plank is van eikenhout.
deal[diːl]deal, afspraak
We made a deal to share the profits.
We maakten een afspraak om de winst te delen.
rest[rɛst]rusten
I need to rest after a long day.
Ik moet rusten na een lange dag.
fight[faɪt]vechten
They fought over a parking space.
Ze vochten om een parkeerplek.
throw[θroʊ]gooien
He threw the ball to his friend.
Hij gooide de bal naar zijn vriend.
officer[ˈɑːfɪsər]agent, officier
The officer gave me a ticket.
De agent gaf me een bekeuring.
top[tɑːp]top, bovenkant
The bird landed on the top of the tree.
De vogel landde in de top van de boom.
author[ˈɔːθər]auteur, schrijver
The author signed copies of his book.
De auteur signeerde exemplaren van zijn boek.
goal[ɡoʊl]doel
My goal is to learn English.
Mijn doel is om Engels te leren.
behavior[bɪˈheɪvjər]gedrag
His behavior is often rude.
Zijn gedrag is vaak onbeleefd.
drop[drɒp]laten vallen
She dropped her keys on the floor.
Ze liet haar sleutels op de grond vallen.
nature[ˈneɪ.tʃər]natuur
We went for a walk in nature.
We gingen wandelen in de natuur.
push[pʊʃ]duwen
He pushed the door open.
Hij duwde de deur open.
focus[ˈfəʊ.kəs]zich concentreren, focussen
Try to focus on your work.
Probeer je te concentreren op je werk.
reduce[rɪˈdjuːs]verminderen, verlagen
They reduced the price of the product.
Ze hebben de prijs van het product verlaagd.
movement[ˈmuːv.mənt]beweging
There was a lot of movement in the crowd.
Er was veel beweging in de menigte.
billion[ˈbɪl.jən]miljard
The company made a profit of over a billion dollars.
Het bedrijf maakte een winst van meer dan een miljard dollar.
blood[blʌd]bloed
He lost a lot of blood in the accident.
Hij verloor veel bloed bij het ongeluk.
enter[ˈen.tər]binnenkomen, betreden
He entered the room quietly.
Hij kwam stil de kamer binnen.
series[ˈsɪə.riːz]serie, reeks
He watched the entire series of movies.
Hij keek de hele filmreeks.
race[reɪs]race, wedloop
They ran a race to see who could finish first.
Ze hielden een wedloop om te zien wie als eerste over de finish zou komen.
dead[ded]dood
He was found dead in his home.
Hij werd dood aangetroffen in zijn huis.
act[ækt]handelen
He acted quickly to save the child.
Hij handelde snel om het kind te redden.
response[rɪˈspɒns]antwoord, reactie
I received a quick response to my email.
Ik kreeg een snelle reactie op mijn e-mail.
rise[raɪz]opkomen, stijgen
The sun rises in the east.
De zon komt op in het oosten.
save[seɪv]redden
He saved her life by pulling her out of the water.
Hij redde haar leven door haar uit het water te trekken.
factor[ˈfæk.tər]factor
Stress is a major factor in heart disease.
Stress is een belangrijke factor bij hartziekten.
protect[prəˈtekt]beschermen
He wore a helmet to protect his head.
Hij droeg een helm om zijn hoofd te beschermen.
size[saɪz]maat, grootte
What size shoes do you wear?
Welke schoenmaat heb je?
quality[ˈkwɒl.ə.ti]kwaliteit
The food at the restaurant was of excellent quality.
Het eten in het restaurant was van uitstekende kwaliteit.
accept[əkˈsept]accepteren, aannemen
He accepted the job offer.
Hij nam het baanaanbod aan.
sign[saɪn]bord
There was a sign on the door that said 'Closed'.
Er hing een bord op de deur met ‘Gesloten’.
attack[əˈtæk]aanvallen
The dog attacked the postman.
De hond viel de postbode aan.
individual[ˌɪn.dɪˈvɪdʒ.u.əl]individu
Each individual has their own unique talents.
Ieder individu heeft zijn eigen unieke talenten.
thought[θɔːt]gedachte
He had a sudden thought.
Hij kreeg plotseling een gedachte.
scene[siːn]scène
The movie had a very dramatic opening scene.
De film had een zeer dramatische openingsscène.
identify[aɪˈden.tɪ.faɪ]identificeren, herkennen
He could identify the suspect from the security footage.
Hij kon de verdachte identificeren aan de hand van de camerabeelden.
amount[əˈmaʊnt]hoeveelheid, bedrag
He donated a large amount of money to charity.
Hij schonk een groot bedrag aan een goed doel.
argue[ˈɑːr.ɡjuː]ruziemaken, discussiëren
They argued about the best way to solve the problem.
Ze discussieerden over de beste manier om het probleem op te lossen.
recognize[ˈrek.əɡ.naɪz]herkennen
I recognized him from the party last night.
Ik herkende hem van het feest gisteravond.
degree[dɪˈɡriː]graad
The angle measures 90 degrees.
De hoek is 90 graden.
simple[ˈsɪmpl]eenvoudig
This recipe is simple to follow.
Dit recept is eenvoudig te volgen.
ability[əˈbɪlɪti]vermogen, vaardigheid
He has the ability to play the piano.
Hij heeft het vermogen om piano te spelen.
disease[dɪˈziːz]ziekte
The doctor diagnosed the disease as pneumonia.
De arts stelde vast dat de ziekte longontsteking was.
region[ˈriːdʒən]regio, streek
The southern region of the country is known for its beaches.
De zuidelijke regio van het land staat bekend om zijn stranden.
training[ˈtreɪnɪŋ]opleiding, training
He received training in computer programming.
Hij kreeg een opleiding in computerprogrammeren.
fail[feɪl]falen, zakken
I failed the exam.
Ik ben gezakt voor het examen.
benefit[ˈbenɪfɪt]voordeel
One benefit of the new law is cleaner air.
Een voordeel van de nieuwe wet is schonere lucht.
character[ˈkærəktər]karakter
He is a person of strong character.
Hij is iemand met een sterk karakter.
army[ˈɑːrmi]leger
The army is defending the country.
Het leger verdedigt het land.
crime[kraɪm]misdaad, misdrijf
The police are investigating the crime.
De politie onderzoekt het misdrijf.
forward[ˈfɔːrwərd]vooruit
The car moved forward.
De auto reed vooruit.
earth[ɜːrθ]aarde
The earth is our home.
De aarde is ons thuis.
stage[steɪdʒ]podium, toneel
The play is on stage now.
Het stuk staat nu op het toneel.
sort[sɔːrt]soort
What sort of music do you like?
Van wat voor soort muziek houd je?
knowledge[ˈnɑːlɪdʒ]kennis
He has a lot of knowledge about history.
Hij heeft veel kennis van geschiedenis.
strategy[ˈstrætədʒi]strategie
The company has a new marketing strategy.
Het bedrijf heeft een nieuwe marketingstrategie.
gun[ɡʌn]pistool, vuurwapen
He was carrying a gun.
Hij droeg een pistool bij zich.
environment[ɪnˈvaɪrənmənt]milieu, omgeving
We need to protect the environment.
We moeten het milieu beschermen.
lawyer[ˈlɔːjər]advocaat
The lawyer presented the case to the judge.
De advocaat legde de zaak voor aan de rechter.
manager[ˈmænɪdʒər]manager, leidinggevende
The manager is responsible for the team's performance.
De manager is verantwoordelijk voor de prestaties van het team.
remove[rɪˈmuːv]verwijderen, uittrekken
Please remove your shoes before entering.
Trek alsjeblieft je schoenen uit voordat je binnenkomt.
professor[prəˈfesər]professor, hoogleraar
The professor is an expert in his field.
De professor is een expert in zijn vakgebied.
network[ˈnetwɜːrk]netwerk
He built a network of contacts in his industry.
Hij bouwde een netwerk van contacten op in zijn branche.
rock[rɑːk]rots
The climbers scaled the rock face.
De klimmers beklommen de rotswand.
seat[siːt]zitplaats, stoel
Please take a seat.
Ga alsjeblieft zitten.
expert[ˈɛkspɜːrt]expert, deskundige
She is an expert in her field.
Ze is een expert in haar vakgebied.
avoid[əˈvɔɪd]vermijden
Try to avoid making the same mistake.
Probeer te vermijden dat je dezelfde fout maakt.
memory[ˈmɛməri]geheugen
I have a good memory for names.
Ik heb een goed geheugen voor namen.
huge[hjuːdʒ]enorm, reusachtig
The building was huge.
Het gebouw was enorm.
respond[rɪˈspɑːnd]reageren, antwoorden
He didn't respond to my question.
Hij reageerde niet op mijn vraag.
physical[ˈfɪzɪkəl]lichamelijk, fysiek
I need more physical activity.
Ik heb meer lichamelijke activiteit nodig.
contain[kənˈteɪn]bevatten
This box contains my belongings.
Deze doos bevat mijn spullen.
peace[piːs]rust, vrede
I need some peace and quiet.
Ik heb wat rust en stilte nodig.
structure[ˈstrʌktʃər]structuur, constructie
The structure of the building is complex.
De constructie van het gebouw is complex.
direction[dɪˈrɛkʃən]richting
What direction are we going in?
In welke richting gaan we?
onto[ˈɑːntʊ]op
He jumped onto the table.
Hij sprong op de tafel.
king[kɪŋ]koning
The king ruled the country.
De koning regeerde over het land.
cell[sel]cel
The cell is the basic unit of life.
De cel is de basiseenheid van het leven.
particular[pərˈtɪkjələr]bijzonder, specifiek
I have a particular fondness for chocolate.
Ik heb een bijzondere voorliefde voor chocolade.
employee[ɪmˈplɔɪi]werknemer
The company has over 100 employees.
Het bedrijf heeft meer dan 100 werknemers.
apply[əˈplaɪ]solliciteren, aanvragen
I applied for a job at the bank.
Ik heb gesolliciteerd naar een baan bij de bank.
shake[ʃeɪk]schudden
He shook his head in disbelief.
Hij schudde ongelovig zijn hoofd.
discover[dɪˈskʌvər]ontdekken
Scientists discovered a new species of animal.
Wetenschappers ontdekten een nieuwe diersoort.
manage[ˈmænɪdʒ]leiden, beheren
He manages a team of engineers.
Hij leidt een team van ingenieurs.
pain[peɪn]pijn
She was in a lot of pain.
Ze had veel pijn.
unit[ˈjuːnɪt]eenheid, afdeling
The company has several units in different countries.
Het bedrijf heeft verschillende afdelingen in verschillende landen.
affect[əˈfɛkt]beïnvloeden
The weather can affect your mood.
Het weer kan je humeur beïnvloeden.
bit[bɪt]beetje, stukje
I had a bit of bread for breakfast.
Ik at een stukje brood als ontbijt.
inside[ˈɪnˌsaɪd]binnen
The children were playing inside.
De kinderen speelden binnen.
worry[ˈwɜːri]zich zorgen maken
Don't worry, everything will be alright.
Maak je geen zorgen, alles komt goed.
perform[pərˈfɔːrm]optreden, uitvoeren
The band performed a great show.
De band gaf een geweldig optreden.
necessary[ˈnɛsəseri]noodzakelijk, nodig
It is necessary to eat healthy food.
Het is noodzakelijk om gezond te eten.
conference[ˈkɒnfərəns]conferentie
The company held a conference to discuss their new product.
Het bedrijf hield een conferentie om zijn nieuwe product te bespreken.
specific[spəˈsɪfɪk]specifiek
Please give me specific instructions.
Geef me alsjeblieft specifieke instructies.
hall[hɔːl]zaal
They held the wedding reception in the main hall.
Ze hielden de bruiloftsreceptie in de grote zaal.
mention[ˈmenʃən]noemen, vermelden
She didn't mention her plans for the weekend.
Ze noemde haar plannen voor het weekend niet.
trouble[ˈtrʌbəl]probleem, moeite
I'm having trouble with my computer.
Ik heb problemen met mijn computer.
middle[ˈmɪdl]midden
He sat in the middle of the room.
Hij zat in het midden van de kamer.
weight[weɪt]gewicht
The weight of the box made it hard to lift.
Door het gewicht van de doos was hij moeilijk op te tillen.