rate[reɪt]tempo; percentage, cijfer
The rate of crime has gone down.
Het misdaadcijfer is gedaald.
figure[ˈfɪɡjər]cijfer
The sales figures are very good.
De verkoopcijfers zijn erg goed.
term[tɜrm]term
The term "globalization" is often used in economics.
De term 'globalisering' wordt vaak gebruikt in de economie.
material[məˈtɪriəl]materiaal
The house is built of strong materials.
Het huis is gebouwd van sterke materialen.
board[bɔrd]bord; plank
The teacher wrote the answer on the board.
De leraar schreef het antwoord op het bord.
source[sɔrs]bron
The source of the river is in the mountains.
De bron van de rivier ligt in de bergen.
evidence[ˈɛvədəns]bewijs
There is no evidence to support his claim.
Er is geen bewijs dat zijn bewering ondersteunt.
condition[kənˈdɪʃən]staat, toestand
The car is in good condition.
De auto is in goede staat.
behavior[bɪˈheɪvjər]gedrag
His behavior in class is often rude.
Zijn gedrag in de klas is vaak onbeleefd.
attention[əˈtɛnʃən]aandacht
Please pay attention to what I'm saying.
Let alsjeblieft op wat ik zeg.
mind[maɪnd]geest, verstand
He changed his mind about going to the party.
Hij veranderde van gedachten over of hij naar het feest zou gaan.
drug[drʌɡ]medicijn; drug
The doctor gave him a new drug for the pain.
De dokter gaf hem een nieuw medicijn tegen de pijn.
officer[ˈɔfɪsər]agent; officier
The police officer asked for my name.
De politieagent vroeg naar mijn naam.
author[ˈɔθər]auteur, schrijver
The author signed copies of his book.
De auteur signeerde exemplaren van zijn boek.
century[ˈsɛntʃəri]eeuw
The 21st century began in 2001.
De 21e eeuw begon in 2001.
society[səˈsaɪəti]samenleving, maatschappij
Society is changing quickly.
De samenleving verandert snel.
population[ˌpɑpjəˈleɪʃən]bevolking
The population of the city is growing.
De bevolking van de stad groeit.
develop[dɪˈvɛləp]ontwikkelen
The company is developing new products.
Het bedrijf ontwikkelt nieuwe producten.
produce[prəˈdus]produceren
The factory produces cars.
De fabriek produceert auto's.
industry[ˈɪndəstri]industrie
The car industry is very important in this country.
De auto-industrie is erg belangrijk in dit land.
technology[tɛkˈnɑlədʒi]technologie
Technology is changing very quickly.
Technologie verandert heel snel.
organization[ˌɔrɡənəˈzeɪʃən]organisatie
He works for a large organization.
Hij werkt voor een grote organisatie.
response[rɪˈspɑns]antwoord, reactie
I got a quick response to my email.
Ik kreeg snel een reactie op mijn e-mail.
respond[rɪˈspɑnd]reageren, antwoorden
He didn't respond to my question.
Hij reageerde niet op mijn vraag.
simple[ˈsɪmpəl]eenvoudig
This recipe is simple to follow.
Dit recept is eenvoudig te volgen.
inside[ˌɪnˈsaɪd]binnen
The children were playing inside.
De kinderen speelden binnen.
bit[bɪt]beetje, stukje
I had a bit of bread for breakfast.
Ik at een stukje brood als ontbijt.
particular[pərˈtɪkjələr]bepaald, specifiek, bijzonder
Is there a particular color you like?
Is er een bepaalde kleur die je mooi vindt?
onto[ˈɑntu]op
The cat jumped onto the table.
De kat sprong op de tafel.
forward[ˈfɔrwərd]vooruit
The car moved forward.
De auto reed vooruit.
photograph[ˈfoʊtəˌɡræf]foto
I took a photograph of the sunset.
Ik heb een foto van de zonsondergang gemaakt.
size[saɪz]maat, grootte
What size shoes do you wear?
Welke schoenmaat heb je?
quality[ˈkwɑləti]kwaliteit
The food at the restaurant was of excellent quality.
Het eten in het restaurant was van uitstekende kwaliteit.
amount[əˈmaʊnt]hoeveelheid, bedrag
He gave a large amount of money to charity.
Hij gaf een groot bedrag aan een goed doel.
sort[sɔrt]soort
What sort of music do you like?
Van wat voor soort muziek houd je?
direction[dəˈrɛkʃən]richting
What direction are we going in?
In welke richting gaan we?
degree[dɪˈɡri]graad
How many degrees is it outside today?
Hoeveel graden is het vandaag buiten?
sign[saɪn]bord; teken
There was a sign on the door that said "Closed."
Er hing een bord op de deur waarop 'Gesloten' stond.
thought[θɔt]gedachte
He had a sudden thought.
Hij kreeg plotseling een gedachte.
memory[ˈmɛməri]geheugen; herinnering
I have a good memory for names.
Ik heb een goed geheugen voor namen.
knowledge[ˈnɑlɪdʒ]kennis
He has a lot of knowledge about history.
Hij heeft veel kennis van geschiedenis.
ability[əˈbɪləti]vermogen, vaardigheid
She has the ability to learn quickly.
Ze heeft het vermogen om snel te leren.
benefit[ˈbɛnəfɪt]voordeel
One benefit of the new park is cleaner air.
Een voordeel van het nieuwe park is schonere lucht.
character[ˈkærəktər]karakter; personage
He is a person of strong character.
Hij is iemand met een sterk karakter.
disease[dɪˈziz]ziekte
Flu is a common disease.
Griep is een veelvoorkomende ziekte.
pain[peɪn]pijn
She was in a lot of pain.
Ze had veel pijn.
blood[blʌd]bloed
He lost a lot of blood in the accident.
Hij verloor veel bloed bij het ongeluk.
save[seɪv]redden
He saved her life by pulling her out of the water.
Hij redde haar leven door haar uit het water te trekken.
protect[prəˈtɛkt]beschermen
He wore a helmet to protect his head.
Hij droeg een helm om zijn hoofd te beschermen.
avoid[əˈvɔɪd]vermijden
Try to avoid making the same mistake.
Probeer te vermijden dat je dezelfde fout maakt.
remove[rɪˈmuv]verwijderen, uittrekken
Please remove your shoes before you come in.
Trek alsjeblieft je schoenen uit voordat je binnenkomt.
contain[kənˈteɪn]bevatten
This box contains my old books.
Deze doos bevat mijn oude boeken.
discover[dɪˈskʌvər]ontdekken
We discovered a beautiful beach on vacation.
We ontdekten op vakantie een prachtig strand.
recognize[ˈrɛkəɡˌnaɪz]herkennen
I recognized him from the party last night.
Ik herkende hem van het feest gisteravond.
accept[ækˈsɛpt]accepteren, aannemen
He accepted the job offer.
Hij nam het baanaanbod aan.
push[pʊʃ]duwen
He pushed the door open.
Hij duwde de deur open.
shake[ʃeɪk]schudden
He shook his head.
Hij schudde zijn hoofd.
drop[drɑp]laten vallen; vallen
She dropped her keys on the floor.
Ze liet haar sleutels op de grond vallen.
rise[raɪz]opkomen, stijgen
The sun rises in the east.
De zon komt op in het oosten.
enter[ˈɛntər]binnenkomen, betreden
He entered the room quietly.
Hij kwam stil de kamer binnen.
argue[ˈɑrɡju]ruziemaken, discussiëren
My brothers argue all the time.
Mijn broers maken de hele tijd ruzie.
worry[ˈwɜri]zich zorgen maken
Don't worry, everything will be all right.
Maak je geen zorgen, alles komt goed.
focus[ˈfoʊkəs]zich concentreren, focussen
Try to focus on your work.
Probeer je te concentreren op je werk.
dead[dɛd]dood
The tree in our garden is dead.
De boom in onze tuin is dood.
fail[feɪl]falen, zakken
I failed the exam.
Ik ben gezakt voor het examen.
affect[əˈfɛkt]beïnvloeden
The weather can affect your mood.
Het weer kan je humeur beïnvloeden.
reduce[rɪˈdus]verminderen, verlagen
The store reduced the price of the jacket.
De winkel verlaagde de prijs van de jas.
apply[əˈplaɪ]solliciteren, aanvragen
I applied for a job at the bank.
Ik heb gesolliciteerd naar een baan bij de bank.
manage[ˈmænɪdʒ]leiden, beheren
She manages a small team.
Ze leidt een klein team.
act[ækt]handelen
He acted quickly to save the child.
Hij handelde snel om het kind te redden.
perform[pərˈfɔrm]optreden, uitvoeren
The band performed a great show.
De band gaf een geweldig optreden.
necessary[ˈnɛsəˌsɛri]noodzakelijk, nodig
It is necessary to eat healthy food.
Het is noodzakelijk om gezond te eten.
huge[hjudʒ]enorm, reusachtig
The building was huge.
Het gebouw was enorm.
physical[ˈfɪzɪkəl]lichamelijk, fysiek
I need more physical activity.
Ik heb meer lichamelijke activiteit nodig.
series[ˈsɪriz]serie, reeks
We watched the whole series in one weekend.
We hebben de hele serie in één weekend gekeken.
scene[sin]scène
The movie had a very dramatic opening scene.
De film had een zeer dramatische openingsscène.
stage[steɪdʒ]podium, toneel
The actors came onto the stage.
De acteurs kwamen het podium op.
race[reɪs]race, wedloop
She won the race.
Ze won de race.
training[ˈtreɪnɪŋ]opleiding, training
He got training in computer programming.
Hij kreeg een opleiding in programmeren.
movement[ˈmuvmənt]beweging
There was a lot of movement in the crowd.
Er was veel beweging in de menigte.
seat[sit]zitplaats, stoel
Please take a seat.
Ga alsjeblieft zitten.
rock[rɑk]rots, steen
The children climbed on the big rock.
De kinderen klommen op de grote rots.
nature[ˈneɪtʃər]natuur
We went for a walk in nature.
We gingen wandelen in de natuur.
earth[ɜrθ]aarde
The earth is our home.
De aarde is ons thuis.
environment[ɪnˈvaɪrənmənt]milieu, omgeving
We need to protect the environment.
We moeten het milieu beschermen.
region[ˈridʒən]regio, streek
This region is known for its wine.
Deze regio staat bekend om zijn wijn.
billion[ˈbɪljən]miljard
More than a billion people live in that country.
In dat land wonen meer dan een miljard mensen.
peace[pis]vrede; rust
I need some peace and quiet.
Ik heb wat rust en stilte nodig.
king[kɪŋ]koning
The king lives in a palace.
De koning woont in een paleis.
army[ˈɑrmi]leger
He was in the army for two years.
Hij zat twee jaar in het leger.
gun[ɡʌn]pistool, vuurwapen
He was carrying a gun.
Hij droeg een pistool bij zich.
attack[əˈtæk]aanvallen
The dog attacked the mail carrier.
De hond viel de postbode aan.
crime[kraɪm]misdaad, misdrijf
The police are investigating the crime.
De politie onderzoekt het misdrijf.
lawyer[ˈlɔjər]advocaat
The lawyer explained the case to the judge.
De advocaat legde de zaak uit aan de rechter.
employee[ɪmˈplɔɪi]werknemer
The company has a lot of employees.
Het bedrijf heeft veel werknemers.
manager[ˈmænɪdʒər]manager, leidinggevende
The manager is responsible for the team.
De manager is verantwoordelijk voor het team.
professor[prəˈfɛsər]professor, hoogleraar
The professor is an expert in his field.
De professor is een expert in zijn vakgebied.
expert[ˈɛkspərt]expert, deskundige
She is a computer expert.
Ze is een computerexpert.
network[ˈnɛtˌwɜrk]netwerk
The phone has no network here.
De telefoon heeft hier geen bereik.
dream[drim]droom
I had a strange dream last night.
Ik had vannacht een rare droom.