Lingard
Alle Franse boeken
Frans · A1–A2

De 1000 meest gebruikte Franse woorden

De eerste 1000 Franse woorden voor wie de taal leert, op volgorde: elk met uitspraak, Nederlandse vertaling en een voorbeeldzin. Lees de lijst en kom de woorden daarna tegen in verhalen.

Gratis beginnen

De Franse woorden die je als eerste leert

Frans ziet er op papier vertrouwd uit en klinkt als een andere taal. De woorden die je als eerste nodig hebt zijn de kleine, être, avoir, je en mais, en daarmee beginnen de duizend op deze pagina. Ze komen uit de verzamelingen ‘Nuttigste woorden’ van Lingard voor de niveaus A1 en A2, in de volgorde waarin de app ze aanbiedt, en bij elk woord staan de uitspraak, de vertaling en een zin die laat zien hoe je het gebruikt.

Elk zelfstandig naamwoord staat er met le of la: le stylo, la jupe, le vélo. Leer het geslacht als deel van het woord, want bijvoeglijke naamwoorden en voornaamwoorden richten zich ernaar.

De lijst, honderd woorden per keer

1–100je, tu, vous, il, elle, nous, on, ils …
  1. je[ʒə]ik

    Je suis fatigué.Ik ben moe.

  2. tu[ty]jij

    Tu es mon ami.Jij bent mijn vriend.

  3. vous[vu]u, jullie

    Vous êtes français ?Bent u Frans?

  4. il[il]hij, het

    Il est grand.Hij is lang.

  5. elle[ɛl]zij

    Elle est belle.Zij is mooi.

  6. nous[nu]wij

    Nous sommes heureux.We zijn gelukkig.

  7. on[ɔ̃]men, je, we

    On parle français ici.Hier spreekt men Frans.

  8. ils[il]zij

    Ils sont amis.Zij zijn vrienden.

  9. être[ɛtʁ]zijn

    Je suis ici.Ik ben hier.

  10. avoir[avwaʁ]hebben

    J'ai un chat.Ik heb een kat.

  11. un[œ̃]een, één

    J'ai un livre.Ik heb een boek.

  12. ceci[səsi]dit

    Ceci est un stylo.Dit is een pen.

  13. cela[səla]dat

    Cela est vrai.Dat is waar.

  14. et[e]en

    J'ai un frère et une sœur.Ik heb een broer en een zus.

  15. ou[u]of

    Tu veux du thé ou du café ?Wil je thee of koffie?

  16. mais[mɛ]maar

    Je veux aller au cinéma, mais je suis fatigué.Ik wil naar de bioscoop, maar ik ben moe.

  17. que[kə]dat

    Je sais que tu es là.Ik weet dat je er bent.

  18. ne...pas[nə pa]niet

    Je ne suis pas fatigué.Ik ben niet moe.

  19. non[nɔ̃]nee

    Non, merci.Nee, dank je.

  20. dans[dɑ̃]in

    Le livre est dans le sac.Het boek zit in de tas.

  21. à[a]in, naar, op

    Je suis à la maison.Ik ben thuis.

  22. de[də]van, uit

    Je suis de Paris.Ik kom uit Parijs.

  23. avec[avɛk]met

    J'habite avec mes parents.Ik woon bij mijn ouders.

  24. pour[puʁ]voor

    Ce cadeau est pour toi.Dit cadeau is voor jou.

  25. comme[kɔm]als, zoals

    Elle est belle comme une rose.Ze is zo mooi als een roos.

  26. aller[ale]gaan

    Je vais au cinéma.Ik ga naar de bioscoop.

  27. venir[vəniʁ]komen

    Viens ici, s'il te plaît.Kom hier, alsjeblieft.

  28. faire[fɛʁ]doen, maken

    Je fais mes devoirs.Ik maak mijn huiswerk.

  29. dire[diʁ]zeggen

    Je dis bonjour.Ik zeg hallo.

  30. vouloir[vulwaʁ]willen

    Je veux un café.Ik wil een koffie.

  31. pouvoir[puvwaʁ]kunnen

    Je peux parler français.Ik kan Frans spreken.

  32. savoir[savwaʁ]weten, kunnen

    Je sais parler français.Ik kan Frans spreken.

  33. aimer[eme]houden van

    J'aime le chocolat.Ik hou van chocolade.

  34. préférer[pʁefeʁe]verkiezen, liever hebben

    Je préfère le thé au café.Ik heb liever thee dan koffie.

  35. souhaiter[swete]wensen, graag willen

    Je souhaite réserver une table.Ik wil graag een tafel reserveren.

  36. prendre[pʁɑ̃dʁ]nemen, pakken

    Prends ce livre, s'il te plaît.Neem dit boek, alsjeblieft.

  37. voir[vwaʁ]zien

    Je vois un chat.Ik zie een kat.

  38. regarder[ʁəɡaʁde]kijken

    Regarde ce beau paysage !Kijk eens naar dat mooie landschap!

  39. penser[pɑ̃se]denken

    Je pense que tu as raison.Ik denk dat je gelijk hebt.

  40. trouver[tʁuve]vinden

    J'ai trouvé mes clés.Ik heb mijn sleutels gevonden.

  41. donner[dɔne]geven

    Donne-moi ton numéro de téléphone.Geef me je telefoonnummer.

  42. utiliser[ytilize]gebruiken

    Tu peux utiliser mon téléphone.Je mag mijn telefoon gebruiken.

  43. préparer[pʁepaʁe]voorbereiden, klaarmaken

    Je prépare le dîner.Ik maak het avondeten klaar.

  44. raconter[ʁakɔ̃te]vertellen

    Raconte-moi une histoire.Vertel me een verhaal.

  45. moi[mwa]mij

    Regarde-moi.Kijk naar mij.

  46. lui[lɥi]hem, haar

    J'ai vu un homme et je lui ai parlé.Ik zag een man en ik heb met hem gepraat.

  47. la[la]haar, het

    Je la vois tous les jours.Ik zie haar elke dag.

  48. eux[ø]hen, ze

    J'ai vu mes amis et je suis parti avec eux.Ik heb mijn vrienden gezien en ik ben met hen weggegaan.

  49. son[sɔ̃]zijn, haar

    Le chat a perdu son collier.De kat is zijn halsband kwijtgeraakt.

  50. maintenant[mɛ̃tnɑ̃]nu

    Je dois y aller maintenant.Ik moet nu gaan.

  51. puis[pɥi]daarna, dan

    J'ai mangé, puis j'ai dormi.Ik heb gegeten, daarna heb ik geslapen.

  52. donc[dɔ̃k]dus

    Il fait froid, donc je mets un manteau.Het is koud, dus ik doe een jas aan.

  53. ici[isi]hier

    J'habite ici.Ik woon hier.

  54. là[la]daar

    Le livre est là.Het boek ligt daar.

  55. plus[plys]meer

    Je veux plus de pain.Ik wil meer brood.

  56. bien[bjɛ̃]goed

    Je vais bien, merci.Het gaat goed met me, dank je.

  57. haut[o]hoog

    L'oiseau vole haut.De vogel vliegt hoog.

  58. dehors[dəɔʁ]buiten

    Il fait beau dehors.Het is mooi weer buiten.

  59. en arrière[ɑ̃n‿aʁjɛʁ]achteruit, terug

    Fais un pas en arrière.Doe een stap achteruit.

  60. même[mɛm]zelfs

    Même les enfants savent ça.Zelfs kinderen weten dat.

  61. bon[bɔ̃]goed

    C'est un bon livre.Het is een goed boek.

  62. nouveau[nuvo]nieuw

    J'ai une nouvelle voiture.Ik heb een nieuwe auto.

  63. autre[otʁ]ander

    Je veux une autre boisson.Ik wil een ander drankje.

  64. premier[pʁəmje]eerste

    C'est mon premier jour à l'école.Het is mijn eerste dag op school.

  65. deux[dø]twee

    J'ai deux frères.Ik heb twee broers.

  66. le temps[lə tɑ̃]tijd

    Je n'ai pas le temps.Ik heb geen tijd.

  67. le jour[lə ʒuʁ]dag

    C'est un beau jour.Het is een mooie dag.

  68. l'année[lane]jaar

    L'année prochaine, je vais voyager.Volgend jaar ga ik reizen.

  69. l'homme[lɔm]man

    L'homme a souri.De man glimlachte.

  70. les gens[le ʒɑ̃]mensen

    Les gens aiment le chocolat.Mensen houden van chocolade.

  71. la chose[la ʃoz]ding, zaak

    C'est une chose importante.Het is een belangrijke zaak.

  72. le chemin[lə ʃəmɛ̃]weg

    Quel est le chemin le plus court ?Wat is de kortste weg?

  73. la femme[la fam]vrouw

    La femme sourit.De vrouw glimlacht.

  74. la vie[la vi]leven

    La vie est belle.Het leven is mooi.

  75. l'enfant[lɑ̃fɑ̃]kind

    L'enfant joue dans le jardin.Het kind speelt in de tuin.

  76. ça[sa]dat, het

    Je n'aime pas ça.Dat vind ik niet leuk.

  77. en bas[ɑ̃ ba]beneden

    Le chien est en bas.De hond is beneden.

  78. le travail[lə tʁavaj]werk; baan

    J'aime mon travail.Ik hou van mijn werk.

  79. travailler[tʁavaje]werken

    Mon frère travaille dans une banque.Mijn broer werkt bij een bank.

  80. après[apʁɛ]na

    Après le travail, je rentre à la maison.Na het werk ga ik naar huis.

  81. appeler[apəle]bellen, roepen

    Je t'appelle ce soir.Ik bel je vanavond.

  82. peut-être[pøtɛtʁ]misschien

    Il viendra peut-être demain.Hij komt misschien morgen.

  83. le monde[lə mɔ̃d]wereld

    Le monde est grand.De wereld is groot.

  84. sur[syʁ]op

    Le chat est sur la table.De kat zit op de tafel.

  85. toujours[tuʒuʁ]altijd; nog steeds

    Elle est toujours gentille.Ze is altijd aardig.

  86. essayer[eseje]proberen

    J'essaie d'apprendre le français.Ik probeer Frans te leren.

  87. l'école[lekɔl]school

    Les enfants vont à l'école.De kinderen gaan naar school.

  88. demander[dəmɑ̃de]vragen

    Je lui demande son nom.Ik vraag hem zijn naam.

  89. avoir besoin de[avwaʁ bəzwɛ̃ də]nodig hebben

    J'ai besoin d'aide.Ik heb hulp nodig.

  90. trois[tʁwa]drie

    J'ai trois frères.Ik heb drie broers.

  91. sentir[sɑ̃tiʁ]voelen; ruiken

    Ça sent bon !Dat ruikt lekker!

  92. devenir[dəvəniʁ]worden

    Elle est devenue médecin.Ze is arts geworden.

  93. quelque chose[kɛlkə ʃoz]iets

    Je veux manger quelque chose.Ik wil iets eten.

  94. beaucoup[boku]veel

    Il y a beaucoup de gens ici.Er zijn hier veel mensen.

  95. propre[pʁɔpʁ]eigen; schoon

    J'ai ma propre chambre.Ik heb mijn eigen kamer.

  96. la famille[la famij]familie, gezin

    Ma famille est importante pour moi.Mijn familie is belangrijk voor mij.

  97. la maison[la mɛzɔ̃]huis

    La maison est grande.Het huis is groot.

  98. à la maison[a la mɛzɔ̃]thuis

    Aujourd'hui, je reste à la maison.Vandaag blijf ik thuis.

  99. quitter[kite]verlaten

    Je quitte la maison tôt.Ik verlaat het huis vroeg.

  100. partir[paʁtiʁ]vertrekken, weggaan

    Le train part dans cinq minutes.De trein vertrekt over vijf minuten.

101–200mettre, vieux, signifier, laisser, pourquoi, garder, génial, commencer …
  1. mettre[mɛtʁ]zetten, leggen, stoppen; aantrekken

    Je mets mes clés dans mon sac.Ik stop mijn sleutels in mijn tas.

  2. vieux[vjø]oud

    Il a un vieux vélo.Hij heeft een oude fiets.

  3. signifier[siɲifje]betekenen

    Qu'est-ce que ce mot signifie ?Wat betekent dit woord?

  4. laisser[lɛse]laten

    Laisse-moi tranquille !Laat me met rust!

  5. pourquoi[puʁkwa]waarom

    Pourquoi es-tu en retard ?Waarom ben je te laat?

  6. garder[ɡaʁde]houden, bewaren

    Tu peux garder le livre.Je mag het boek houden.

  7. génial[ʒenjal]geweldig

    C'est un film génial !Het is een geweldige film!

  8. commencer[kɔmɑ̃se]beginnen

    Le cours commence bientôt.De les begint zo.

  9. grand[ɡʁɑ̃]groot

    C'est un grand chien.Het is een grote hond.

  10. petit[pəti]klein

    C'est un petit village.Het is een klein dorp.

  11. beau[bo]mooi

    Quel beau jardin !Wat een mooie tuin!

  12. important[ɛ̃pɔʁtɑ̃]belangrijk

    C'est très important.Het is heel belangrijk.

  13. le groupe[lə ɡʁup]groep

    Il y a un groupe de touristes devant le musée.Er staat een groep toeristen voor het museum.

  14. le pays[lə pei]land

    La France est un beau pays.Frankrijk is een mooi land.

  15. parler[paʁle]spreken, praten

    Je parle français.Ik spreek Frans.

  16. le problème[lə pʁɔblɛm]probleem

    J'ai un problème avec mon téléphone.Ik heb een probleem met mijn telefoon.

  17. tourner[tuʁne]draaien, afslaan

    Tournez à gauche.Sla linksaf.

  18. l'élève[lelɛv]leerling

    C'est un bon élève.Hij is een goede leerling.

  19. l'étudiant[letydjɑ̃]student

    L'étudiant lit à la bibliothèque.De student leest in de bibliotheek.

  20. la main[la mɛ̃]hand

    Lève la main.Steek je hand op.

  21. aider[ede]helpen

    Tu peux m'aider ?Kun je me helpen?

  22. la partie[la paʁti]deel

    Cette partie du livre est intéressante.Dit deel van het boek is interessant.

  23. montrer[mɔ̃tʁe]tonen, laten zien

    Montre-moi ton nouveau téléphone.Laat me je nieuwe telefoon zien.

  24. le lieu[lə ljø]plaats, plek

    C'est un lieu magnifique.Het is een prachtige plek.

  25. la ville[la vil]stad

    Paris est une grande ville.Parijs is een grote stad.

  26. quelques[kɛlk]enkele, een paar

    J'ai quelques amis ici.Ik heb hier een paar vrienden.

  27. la semaine[la səmɛn]week

    Je travaille cinq jours par semaine.Ik werk vijf dagen per week.

  28. l'entreprise[lɑ̃tʁəpʁiz]bedrijf, onderneming

    Il travaille dans une grande entreprise.Hij werkt bij een groot bedrijf.

  29. entendre[ɑ̃tɑ̃dʁ]horen

    Tu m'entends ?Hoor je me?

  30. la question[la kɛstjɔ̃]vraag

    J'ai une question.Ik heb een vraag.

  31. droit[dʁwa]recht; rechter

    La route est droite.De weg is recht.

  32. le programme[lə pʁɔɡʁam]programma

    Quel est le programme aujourd'hui ?Wat is het programma voor vandaag?

  33. courir[kuʁiʁ]rennen, hardlopen

    J'aime courir le matin.Ik ren graag 's ochtends.

  34. le nombre[lə nɔ̃bʁ]aantal, getal

    Quel est le nombre d'élèves dans la classe ?Wat is het aantal leerlingen in de klas?

  35. le numéro[lə nymeʁo]nummer

    Quel est ton numéro de téléphone ?Wat is je telefoonnummer?

  36. jouer[ʒwe]spelen

    J'aime jouer au football.Ik speel graag voetbal.

  37. le mouvement[lə muvmɑ̃]beweging

    Il fait un mouvement rapide.Hij maakt een snelle beweging.

  38. la nuit[la nɥi]nacht

    Bonne nuit !Goedenacht!

  39. croire[kʁwaʁ]geloven, denken

    Je crois qu'il a raison.Ik geloof dat hij gelijk heeft.

  40. aujourd'hui[oʒuʁdɥi]vandaag

    Aujourd'hui, il fait beau.Vandaag is het mooi weer.

  41. le point[lə pwɛ̃]punt

    Il y a un point à la fin de la phrase.Er staat een punt aan het einde van de zin.

  42. vivre[vivʁ]leven, wonen

    Ils vivent dans une petite ville.Ze wonen in een kleine stad.

  43. se passer[sə pase]gebeuren

    Qu'est-ce qui se passe ?Wat gebeurt er?

  44. apporter[apɔʁte]meebrengen, brengen

    Tu peux apporter le pain ?Kun je het brood meebrengen?

  45. énorme[enɔʁm]enorm

    Ce chien est énorme.Die hond is enorm.

  46. devoir[dəvwaʁ]moeten

    Tu dois finir tes devoirs.Je moet je huiswerk afmaken.

  47. l'appartement[lapaʁtəmɑ̃]appartement

    J'habite dans un petit appartement.Ik woon in een klein appartement.

  48. la pièce[la pjɛs]kamer, vertrek

    L'appartement a trois pièces.Het appartement heeft drie kamers.

  49. le fait[lə fɛ]feit

    C'est un fait.Het is een feit.

  50. la zone[la zon]gebied, zone

    Cette zone est piétonne.Deze zone is voetgangersgebied.

  51. écrire[ekʁiʁ]schrijven

    J'écris une lettre.Ik schrijf een brief.

  52. l'argent[laʁʒɑ̃]geld

    Je n'ai pas d'argent.Ik heb geen geld.

  53. l'histoire[listwaʁ]verhaal; geschiedenis

    Raconte-moi une histoire.Vertel me een verhaal.

  54. l'eau[lo]water

    J'ai soif, je veux de l'eau.Ik heb dorst, ik wil water.

  55. la mère[la mɛʁ]moeder

    Ma mère est gentille.Mijn moeder is lief.

  56. jeune[ʒœn]jong

    Il est jeune et plein d'énergie.Hij is jong en vol energie.

  57. oui[wi]ja

    Oui, je suis d'accord.Ja, ik ben het ermee eens.

  58. bien sûr[bjɛ̃ syʁ]natuurlijk

    Tu peux m'aider ? – Bien sûr !Kun je me helpen? – Natuurlijk!

  59. tout[tu]alles

    Tout va bien ?Gaat alles goed?

  60. rien[ʁjɛ̃]niets

    Il n'y a rien dans le frigo.Er ligt niets in de koelkast.

  61. très[tʁɛ]heel, erg

    Il fait très beau aujourd'hui.Het is vandaag heel mooi weer.

  62. vraiment[vʁɛmɑ̃]echt, werkelijk

    C'est vraiment un beau cadeau.Het is echt een mooi cadeau.

  63. assez[ase]genoeg

    J'ai assez mangé, merci.Ik heb genoeg gegeten, dank je.

  64. tôt[to]vroeg

    Je me lève tôt le matin.Ik sta 's ochtends vroeg op.

  65. loin[lwɛ̃]ver

    C'est loin d'ici ?Is het ver hiervandaan?

  66. l'ami[lami]vriend

    C'est mon ami Paul.Dit is mijn vriend Paul.

  67. le père[lə pɛʁ]vader

    Mon père est médecin.Mijn vader is arts.

  68. le parent[lə paʁɑ̃]ouder

    Mes parents habitent à Lyon.Mijn ouders wonen in Lyon.

  69. la fille[la fij]meisje; dochter

    La fille lit un livre.Het meisje leest een boek.

  70. le garçon[lə ɡaʁsɔ̃]jongen

    Le garçon joue au foot.De jongen speelt voetbal.

  71. la personne[la pɛʁsɔn]persoon

    C'est une personne très gentille.Het is een heel aardig persoon.

  72. le membre[lə mɑ̃bʁ]lid

    Je suis membre de ce club.Ik ben lid van deze club.

  73. le nom[lə nɔ̃]naam

    Quel est votre nom ?Wat is uw naam?

  74. la tête[la tɛt]hoofd

    J'ai mal à la tête.Ik heb hoofdpijn.

  75. l'œil[lœj]oog

    J'ai les yeux bleus.Ik heb blauwe ogen.

  76. le visage[lə vizaʒ]gezicht

    Il a un beau visage.Hij heeft een mooi gezicht.

  77. le corps[lə kɔʁ]lichaam

    Le sport est bon pour le corps.Sport is goed voor het lichaam.

  78. la santé[la sɑ̃te]gezondheid

    Il faut prendre soin de sa santé.Je moet goed voor je gezondheid zorgen.

  79. le matin[lə matɛ̃]ochtend, morgen

    Je bois un café le matin.Ik drink 's ochtends een kop koffie.

  80. la seconde[la səɡɔ̃d]seconde

    Attendez une seconde.Wacht een seconde.

  81. la minute[la minyt]minuut

    Le bus arrive dans cinq minutes.De bus komt over vijf minuten.

  82. l'heure[lœʁ]uur

    Je travaille huit heures par jour.Ik werk acht uur per dag.

  83. le mois[lə mwa]maand

    Le mois prochain, je pars en Espagne.Volgende maand vertrek ik naar Spanje.

  84. le moment[lə mɔmɑ̃]moment, ogenblik

    Un moment, s'il vous plaît.Een moment, alstublieft.

  85. la fin[la fɛ̃]einde

    La fin du film était triste.Het einde van de film was verdrietig.

  86. la voiture[la vwatyʁ]auto

    J'ai une nouvelle voiture.Ik heb een nieuwe auto.

  87. le livre[lə livʁ]boek

    J'ai lu un bon livre hier.Ik heb gisteren een goed boek gelezen.

  88. la table[la tabl]tafel

    Le repas est sur la table.Het eten staat op tafel.

  89. la porte[la pɔʁt]deur

    Fermez la porte, s'il vous plaît.Doe de deur dicht, alsjeblieft.

  90. la rue[la ʁy]straat

    J'habite dans cette rue.Ik woon in deze straat.

  91. le bureau[lə byʁo]kantoor; bureau

    Je travaille au bureau.Ik werk op kantoor.

  92. l'université[lynivɛʁsite]universiteit

    Elle étudie à l'université.Ze studeert aan de universiteit.

  93. le centre[lə sɑ̃tʁ]centrum

    L'hôtel est dans le centre.Het hotel ligt in het centrum.

  94. la nourriture[la nuʁityʁ]eten, voedsel

    La nourriture est excellente ici.Het eten is hier uitstekend.

  95. l'air[lɛʁ]lucht

    L'air est frais ce matin.De lucht is fris vanochtend.

  96. les affaires[lez‿afɛʁ]zaken

    Les affaires vont bien.De zaken gaan goed.

  97. l'équipe[lekip]team, ploeg

    Notre équipe a gagné le match.Ons team heeft de wedstrijd gewonnen.

  98. le jeu[lə ʒø]spel

    C'est un jeu très amusant.Het is een heel leuk spel.

  99. la fête[la fɛt]feest

    Il y a une fête chez les voisins ce soir.Er is vanavond een feest bij de buren.

  100. l'art[laʁ]kunst

    J'aime beaucoup l'art moderne.Ik hou erg van moderne kunst.

201–300les nouvelles, l'information, le mot, l'idée, la raison, le résultat, le changement, la ligne …
  1. les nouvelles[le nuvɛl]nieuws

    Je regarde les nouvelles tous les soirs.Ik kijk elke avond naar het nieuws.

  2. l'information[lɛ̃fɔʁmasjɔ̃]informatie, inlichting

    J'ai besoin d'une information.Ik heb informatie nodig.

  3. le mot[lə mo]woord

    Je ne connais pas ce mot.Ik ken dit woord niet.

  4. l'idée[lide]idee

    C'est une bonne idée !Dat is een goed idee!

  5. la raison[la ʁɛzɔ̃]reden

    Quelle est la raison de ton retard ?Wat is de reden dat je te laat bent?

  6. le résultat[lə ʁezylta]resultaat, uitslag

    Le résultat est bon.Het resultaat is goed.

  7. le changement[lə ʃɑ̃ʒmɑ̃]verandering

    C'est un grand changement pour moi.Het is een grote verandering voor mij.

  8. la ligne[la liɲ]lijn, regel

    Écrivez votre nom sur la ligne.Schrijf uw naam op de lijn.

  9. le million[lə miljɔ̃]miljoen

    Il y a un million d'habitants dans cette ville.Er wonen een miljoen mensen in deze stad.

  10. cinq[sɛ̃k]vijf

    Il y a cinq personnes dans la pièce.Er zijn vijf mensen in de kamer.

  11. apprendre[apʁɑ̃dʁ]leren

    J'apprends le français.Ik leer Frans.

  12. étudier[etydje]studeren

    Elle étudie la médecine.Ze studeert geneeskunde.

  13. lire[liʁ]lezen

    J'aime lire des romans.Ik lees graag romans.

  14. comprendre[kɔ̃pʁɑ̃dʁ]begrijpen

    Je ne comprends pas.Ik begrijp het niet.

  15. habiter[abite]wonen

    J'habite à Paris.Ik woon in Parijs.

  16. se souvenir[sə suvəniʁ]zich herinneren

    Je me souviens de toi.Ik herinner me jou.

  17. s'asseoir[saswaʁ]gaan zitten

    Asseyez-vous ici, s'il vous plaît.Gaat u hier zitten, alstublieft.

  18. être debout[ɛtʁ dəbu]staan; op zijn

    Je suis debout depuis six heures.Ik ben al sinds zes uur op.

  19. rencontrer[ʁɑ̃kɔ̃tʁe]ontmoeten

    Je vais rencontrer mes amis au café.Ik ga mijn vrienden ontmoeten in het café.

  20. suivre[sɥivʁ]volgen

    Suivez-moi, s'il vous plaît.Volgt u mij, alstublieft.

  21. ouvrir[uvʁiʁ]openen, opendoen

    Tu peux ouvrir la fenêtre ?Kun je het raam opendoen?

  22. arrêter[aʁɛte]stoppen, ophouden

    Arrête de parler !Hou op met praten!

  23. payer[peje]betalen

    Je voudrais payer, s'il vous plaît.Ik wil graag betalen, alstublieft.

  24. passer[pase]doorbrengen; voorbijgaan

    J'ai passé la journée à la plage.Ik heb de dag op het strand doorgebracht.

  25. changer[ʃɑ̃ʒe]veranderen, wijzigen

    Je veux changer mon plan.Ik wil mijn plan veranderen.

  26. créer[kʁee]creëren, maken

    Elle crée des vêtements.Ze maakt kleding.

  27. ajouter[aʒute]toevoegen

    Ajoutez un peu de sel.Voeg een beetje zout toe.

  28. grandir[ɡʁɑ̃diʁ]groeien, groot worden

    Les enfants grandissent si vite.De kinderen groeien zo snel.

  29. gagner[ɡaɲe]winnen

    Qui a gagné le match ?Wie heeft de wedstrijd gewonnen?

  30. perdre[pɛʁdʁ]verliezen

    J'ai perdu mon téléphone.Ik heb mijn telefoon verloren.

  31. marcher[maʁʃe]lopen, wandelen

    J'aime marcher dans le parc.Ik wandel graag in het park.

  32. mauvais[mɔvɛ]slecht

    C'est un mauvais film.Het is een slechte film.

  33. meilleur[mɛjœʁ]beter; best

    C'est le meilleur restaurant de la ville.Het is het beste restaurant van de stad.

  34. réel[ʁeɛl]echt, werkelijk

    C'est un problème réel.Het is een echt probleem.

  35. long[lɔ̃]lang

    J'ai les cheveux longs.Ik heb lang haar.

  36. ouvert[uvɛʁ]open, geopend

    Le magasin est ouvert le dimanche.De winkel is op zondag open.

  37. noir[nwaʁ]zwart

    Le chat est noir.De kat is zwart.

  38. blanc[blɑ̃]wit

    La neige est blanche.De sneeuw is wit.

  39. manger[mɑ̃ʒe]eten

    J'aime manger des fruits.Ik eet graag fruit.

  40. acheter[aʃte]kopen

    Je veux acheter un nouveau téléphone.Ik wil een nieuwe telefoon kopen.

  41. vendre[vɑ̃dʁ]verkopen

    Elle vend des vêtements au marché.Ze verkoopt kleding op de markt.

  42. coûter[kute]kosten

    Combien coûte ce livre ?Hoeveel kost dit boek?

  43. chercher[ʃɛʁʃe]zoeken

    Je cherche mes clés.Ik zoek mijn sleutels.

  44. conduire[kɔ̃dɥiʁ]rijden, autorijden

    Mon père conduit très bien.Mijn vader rijdt heel goed.

  45. rester[ʁɛste]blijven

    Je reste à la maison ce week-end.Ik blijf dit weekend thuis.

  46. attendre[atɑ̃dʁ]wachten

    J'attends le bus.Ik wacht op de bus.

  47. espérer[ɛspeʁe]hopen

    J'espère qu'il fera beau demain.Ik hoop dat het morgen mooi weer is.

  48. retourner[ʁətuʁne]terugkeren, teruggaan

    Il est retourné à la maison.Hij is naar huis teruggegaan.

  49. envoyer[ɑ̃vwaje]sturen, versturen

    Je t'envoie un message ce soir.Ik stuur je vanavond een bericht.

  50. expliquer[ɛksplike]uitleggen

    Tu peux m'expliquer ce mot ?Kun je me dit woord uitleggen?

  51. décrire[dekʁiʁ]beschrijven

    Tu peux me décrire ta maison ?Kun je je huis voor me beschrijven?

  52. enseigner[ɑ̃seɲe]lesgeven, onderwijzen

    J'enseigne le français.Ik geef Franse les.

  53. porter[pɔʁte]dragen

    Elle porte une robe rouge.Ze draagt een rode jurk.

  54. décider[deside]beslissen, besluiten

    J'ai décidé de partir en vacances.Ik heb besloten op vakantie te gaan.

  55. choisir[ʃwaziʁ]kiezen

    Tu dois choisir entre les deux.Je moet kiezen tussen die twee.

  56. être d'accord[ɛtʁ dakɔʁ]het eens zijn

    Je suis d'accord avec toi.Ik ben het met je eens.

  57. couper[kupe]snijden, knippen

    Tu peux couper le pain, s'il te plaît ?Kun je het brood snijden, alsjeblieft?

  58. dessiner[desine]tekenen

    J'aime dessiner des fleurs.Ik teken graag bloemen.

  59. construire[kɔ̃stʁɥiʁ]bouwen

    Ils construisent une nouvelle école dans le quartier.Ze bouwen een nieuwe school in de wijk.

  60. tomber[tɔ̃be]vallen

    Je suis tombé dans la rue.Ik ben op straat gevallen.

  61. casser[kase]breken, kapotmaken

    Il a cassé son téléphone.Hij heeft zijn telefoon kapotgemaakt.

  62. mourir[muʁiʁ]sterven, doodgaan

    Son grand-père est mort l'année dernière.Zijn opa is vorig jaar gestorven.

  63. le fils[lə fis]zoon

    Son fils est très intelligent.Zijn zoon is erg intelligent.

  64. le bébé[lə bebe]baby

    Le bébé dort.De baby slaapt.

  65. le professeur[lə pʁɔfesœʁ]leraar, docent

    Le professeur explique la leçon.De leraar legt de les uit.

  66. le médecin[lə medsɛ̃]dokter, arts

    J'ai rendez-vous chez le médecin.Ik heb een afspraak bij de dokter.

  67. l'ouvrier[luvʁije]arbeider

    Les ouvriers construisent un pont.De arbeiders bouwen een brug.

  68. le joueur[lə ʒwœʁ]speler

    Le joueur a marqué un but.De speler heeft een doelpunt gescoord.

  69. quelqu'un[kɛlkœ̃]iemand

    Quelqu'un a sonné à la porte.Er heeft iemand aangebeld.

  70. la police[la pɔlis]politie

    Il faut appeler la police.We moeten de politie bellen.

  71. la classe[la klas]klas

    Il y a beaucoup d'élèves dans ma classe.Er zitten veel leerlingen in mijn klas.

  72. le collège[lə kɔlɛʒ]middelbare school

    Mon fils va au collège à pied.Mijn zoon gaat lopend naar de middelbare school.

  73. le test[lə tɛst]test, toets

    J'ai passé un test d'anglais.Ik heb een toets Engels gedaan.

  74. le formulaire[lə fɔʁmylɛʁ]formulier

    Remplis le formulaire, s'il te plaît.Vul het formulier in, alsjeblieft.

  75. le papier[lə papje]papier

    J'ai besoin d'une feuille de papier.Ik heb een vel papier nodig.

  76. le projet[lə pʁɔʒɛ]project

    Nous travaillons sur un nouveau projet.We werken aan een nieuw project.

  77. le rapport[lə ʁapɔʁ]verslag, rapport

    Je dois écrire un rapport.Ik moet een verslag schrijven.

  78. le plan[lə plɑ̃]plan; plattegrond

    Tu as un plan pour le week-end ?Heb je een plan voor het weekend?

  79. la pratique[la pʁatik]oefening, praktijk

    C'est la pratique qui rend parfait.Oefening baart kunst.

  80. l'aide[lɛd]hulp

    Merci pour ton aide !Bedankt voor je hulp!

  81. le téléphone[lə telefɔn]telefoon

    J'ai oublié mon téléphone.Ik ben mijn telefoon vergeten.

  82. l'ordinateur[lɔʁdinatœʁ]computer

    Je travaille toute la journée sur l'ordinateur.Ik werk de hele dag op de computer.

  83. la photo[la fɔto]foto

    Tu peux prendre une photo de nous ?Kun je een foto van ons maken?

  84. l'image[limaʒ]afbeelding, plaatje

    Il y a de belles images dans ce livre.Er staan mooie plaatjes in dit boek.

  85. le film[lə film]film

    J'ai vu un bon film hier.Ik heb gisteren een goede film gezien.

  86. la musique[la myzik]muziek

    J'adore la musique classique.Ik ben dol op klassieke muziek.

  87. la couleur[la kulœʁ]kleur

    De quelle couleur est ta voiture ?Welke kleur heeft je auto?

  88. le marché[lə maʁʃe]markt

    J'achète des fruits et des légumes au marché.Ik koop fruit en groente op de markt.

  89. le prix[lə pʁi]prijs

    Le prix est trop élevé pour moi.De prijs is te hoog voor mij.

  90. le produit[lə pʁɔdɥi]product

    Ce produit est de très bonne qualité.Dit product is van zeer goede kwaliteit.

  91. le morceau[lə mɔʁso]stuk

    Tu veux un morceau de gâteau ?Wil je een stuk taart?

  92. la moitié[la mwatje]helft

    J'ai mangé la moitié de la pizza.Ik heb de helft van de pizza opgegeten.

  93. le bâtiment[lə bɑtimɑ̃]gebouw

    Ce bâtiment est très ancien.Dit gebouw is heel oud.

  94. le mur[lə myʁ]muur

    Il y a un tableau sur le mur.Er hangt een schilderij aan de muur.

  95. l'espace[lɛspas]ruimte

    Il n'y a pas assez d'espace dans ce placard.Er is niet genoeg ruimte in deze kast.

  96. la route[la ʁut]weg

    La route est longue jusqu'à la mer.Het is een lange weg tot aan de zee.

  97. la terre[la tɛʁ]aarde, grond, land

    La terre est très fertile ici.De grond is hier erg vruchtbaar.

  98. l'arbre[laʁbʁ]boom

    Il y a un grand arbre dans le jardin.Er staat een grote boom in de tuin.

  99. l'étoile[letwal]ster

    Ce soir, on voit beaucoup d'étoiles.Vanavond zie je veel sterren.

  100. le nord[lə nɔʁ]noorden

    Lille est dans le nord de la France.Lille ligt in het noorden van Frankrijk.

301–400le bras, l'amour, l'âge, l'intérêt, la différence, la situation, l'activité, le type …
  1. le bras[lə bʁa]arm

    Il s'est cassé le bras.Hij heeft zijn arm gebroken.

  2. l'amour[lamuʁ]liefde

    L'amour est un sentiment très fort.Liefde is een heel sterk gevoel.

  3. l'âge[lɑʒ]leeftijd

    Quel âge as-tu ?Hoe oud ben je?

  4. l'intérêt[lɛ̃teʁɛ]interesse, belangstelling

    J'ai un grand intérêt pour l'histoire.Ik heb veel interesse in geschiedenis.

  5. la différence[la difeʁɑ̃s]verschil

    Quelle est la différence entre ces deux mots ?Wat is het verschil tussen deze twee woorden?

  6. la situation[la sitɥasjɔ̃]situatie

    La situation est difficile.De situatie is moeilijk.

  7. l'activité[laktivite]activiteit

    Il y a beaucoup d'activités pour les enfants au parc.Er zijn veel activiteiten voor kinderen in het park.

  8. le type[lə tip]type, soort

    Quel type de musique aimes-tu ?Van wat voor soort muziek hou je?

  9. l'événement[levɛnmɑ̃]gebeurtenis, evenement

    C'est un grand événement pour la ville.Het is een grote gebeurtenis voor de stad.

  10. difficile[difisil]moeilijk

    C'est un exercice difficile.Het is een moeilijke oefening.

  11. facile[fasil]makkelijk

    C'est facile à comprendre.Het is makkelijk te begrijpen.

  12. possible[pɔsibl]mogelijk

    Est-ce qu'il est possible de venir demain ?Is het mogelijk om morgen te komen?

  13. tard[taʁ]laat

    Je me suis couché tard.Ik ben laat naar bed gegaan.

  14. gratuit[ɡʁatɥi]gratis

    L'entrée est gratuite.De toegang is gratis.

  15. plein[plɛ̃]vol

    Le verre est plein.Het glas is vol.

  16. vrai[vʁɛ]waar

    C'est vrai ?Is dat waar?

  17. fort[fɔʁ]sterk

    Il est très fort.Hij is erg sterk.

  18. spécial[spesjal]speciaal, bijzonder

    C'est une occasion spéciale.Het is een speciale gelegenheid.

  19. personnel[pɛʁsɔnɛl]persoonlijk

    C'est une question personnelle.Het is een persoonlijke vraag.

  20. rouge[ʁuʒ]rood

    La pomme est rouge.De appel is rood.

  21. troisième[tʁwazjɛm]derde

    C'est le troisième jour de notre voyage.Het is de derde dag van onze reis.

  22. six[sis]zes

    Ils ont six enfants.Ze hebben zes kinderen.

  23. derrière[dɛʁjɛʁ]achter

    La voiture est garée derrière la maison.De auto staat achter het huis geparkeerd.

  24. merci[mɛʁsi]bedankt, dank je

    Merci beaucoup pour le cadeau !Heel erg bedankt voor het cadeau!

  25. oh[o]o, oh

    Oh, c'est magnifique !O, dat is prachtig!

  26. la sœur[la sœʁ]zus

    Ma sœur est plus jeune que moi.Mijn zus is jonger dan ik.

  27. le frère[lə fʁɛʁ]broer

    Mon frère est plus âgé que moi.Mijn broer is ouder dan ik.

  28. le mari[lə maʁi]echtgenoot, man

    Son mari est médecin.Haar man is arts.

  29. le chien[lə ʃjɛ̃]hond

    Mon chien s'appelle Max.Mijn hond heet Max.

  30. l'animal[lanimal]dier

    J'aime beaucoup les animaux.Ik hou erg van dieren.

  31. le lit[lə li]bed

    Je vais au lit.Ik ga naar bed.

  32. la fenêtre[la fənɛtʁ]raam

    Je regarde par la fenêtre.Ik kijk uit het raam.

  33. le sol[lə sɔl]vloer, grond

    Le sol est froid.De vloer is koud.

  34. la tasse[la tas]kop, kopje

    Je bois une tasse de café.Ik drink een kopje koffie.

  35. le verre[lə vɛʁ]glas

    Je bois un verre d'eau.Ik drink een glas water.

  36. la boîte[la bwat]doos

    Les livres sont dans la boîte.De boeken zitten in de doos.

  37. le cadeau[lə kado]cadeau, geschenk

    J'ai un cadeau pour toi.Ik heb een cadeau voor je.

  38. les cheveux[le ʃəvø]haar

    Elle a les cheveux longs.Ze heeft lang haar.

  39. la jambe[la ʒɑ̃b]been

    J'ai mal à la jambe.Ik heb pijn aan mijn been.

  40. le message[lə mesaʒ]bericht

    J'ai reçu un message de mon ami.Ik heb een bericht van mijn vriend gekregen.

  41. la lettre[la lɛtʁ]brief

    J'ai reçu une lettre de ma grand-mère.Ik heb een brief van mijn oma gekregen.

  42. la note[la nɔt]cijfer; notitie

    J'ai eu une bonne note à l'examen.Ik heb een goed cijfer gehaald voor het examen.

  43. la liste[la list]lijst

    J'ai fait la liste des courses.Ik heb de boodschappenlijst gemaakt.

  44. la réponse[la ʁepɔ̃s]antwoord

    Je ne connais pas la réponse.Ik weet het antwoord niet.

  45. l'exemple[lɛɡzɑ̃pl]voorbeeld

    Donnez-moi un exemple.Geef me een voorbeeld.

  46. la page[la paʒ]pagina, bladzijde

    Ce livre a beaucoup de pages.Dit boek heeft veel pagina's.

  47. la langue[la lɑ̃ɡ]taal

    J'apprends la langue française.Ik leer de Franse taal.

  48. le cours[lə kuʁ]cursus, les

    Je suis un cours d'anglais.Ik volg een cursus Engels.

  49. l'hôpital[lɔpital]ziekenhuis

    Ma grand-mère est à l'hôpital.Mijn oma ligt in het ziekenhuis.

  50. la banque[la bɑ̃k]bank

    Je vais à la banque.Ik ga naar de bank.

  51. le magasin[lə maɡazɛ̃]winkel

    Je vais au magasin pour acheter du pain.Ik ga naar de winkel om brood te kopen.

  52. la gare[la ɡaʁ]station

    Le train part de la gare.De trein vertrekt van het station.

  53. le parc[lə paʁk]park

    Les enfants jouent dans le parc.De kinderen spelen in het park.

  54. la télévision[la televizjɔ̃]televisie

    J'ai regardé la télévision hier soir.Ik heb gisteravond televisie gekeken.

  55. le sport[lə spɔʁ]sport

    J'aime faire du sport.Ik doe graag aan sport.

  56. le club[lə klœb]club

    J'ai rejoint un club de sport.Ik ben lid geworden van een sportclub.

  57. le soleil[lə sɔlɛj]zon

    Le soleil brille aujourd'hui.De zon schijnt vandaag.

  58. le ciel[lə sjɛl]hemel, lucht

    Il n'y a pas de nuages dans le ciel.Er zijn geen wolken aan de hemel.

  59. bleu[blø]blauw

    Le ciel est bleu.De lucht is blauw.

  60. la montagne[la mɔ̃taɲ]berg

    Nous faisons une randonnée à la montagne.We maken een wandeltocht in de bergen.

  61. la rivière[la ʁivjɛʁ]rivier

    La rivière traverse le village.De rivier stroomt door het dorp.

  62. la mer[la mɛʁ]zee

    En été, nous allons à la mer.In de zomer gaan we naar zee.

  63. l'île[lil]eiland

    La Corse est une île.Corsica is een eiland.

  64. la forêt[la fɔʁɛ]bos, woud

    Il y a beaucoup d'arbres dans la forêt.Er staan veel bomen in het bos.

  65. la plante[la plɑ̃t]plant

    Cette plante a besoin d'eau.Deze plant heeft water nodig.

  66. le feu[lə fø]vuur, brand

    Le feu est dangereux.Vuur is gevaarlijk.

  67. l'été[lete]zomer

    J'aime l'été, il fait chaud.Ik hou van de zomer, dan is het warm.

  68. le sud[lə syd]zuiden

    Le sud de la France est ensoleillé.Het zuiden van Frankrijk is zonnig.

  69. l'ouest[lwɛst]westen

    Le soleil se couche à l'ouest.De zon gaat onder in het westen.

  70. l'est[lɛst]oosten

    Le soleil se lève à l'est.De zon komt op in het oosten.

  71. la gauche[la ɡoʃ]links, linkerkant

    Tournez à gauche.Sla linksaf.

  72. la droite[la dʁwat]rechts, rechterkant

    La pharmacie est à droite.De apotheek is rechts.

  73. près[pʁɛ]dichtbij

    Il habite près de l'école.Hij woont dicht bij de school.

  74. bientôt[bjɛ̃to]binnenkort, gauw

    Je reviens bientôt.Ik ben gauw terug.

  75. court[kuʁ]kort

    Elle porte une jupe courte.Ze draagt een korte rok.

  76. chaud[ʃo]warm, heet

    Il fait chaud aujourd'hui.Het is warm vandaag.

  77. joli[ʒɔli]leuk, mooi

    Elle porte une très jolie robe.Ze draagt een heel leuke jurk.

  78. heureux[øʁø]gelukkig, blij

    Je suis heureux de te voir.Ik ben blij je te zien.

  79. fatigué[fatiɡe]moe

    Je suis très fatigué.Ik ben erg moe.

  80. prêt[pʁɛ]klaar

    Je suis prêt à partir.Ik ben klaar om te vertrekken.

  81. faux[fo]fout, onjuist; vals

    Cette réponse est fausse.Dit antwoord is fout.

  82. pauvre[povʁ]arm

    Cette famille est très pauvre.Dit gezin is erg arm.

  83. commun[kɔmœ̃]veelvoorkomend, gewoon; gemeenschappelijk

    C'est un nom très commun.Het is een heel veelvoorkomende naam.

  84. naturel[natyʁɛl]natuurlijk

    Le miel est un produit naturel.Honing is een natuurlijk product.

  85. sept[sɛt]zeven

    Il y a sept jours dans une semaine.Er zitten zeven dagen in een week.

  86. huit[ɥit]acht

    Il y a huit personnes ici.Er zijn hier acht mensen.

  87. d'accord[dakɔʁ]oké, akkoord

    D'accord, je comprends.Oké, ik begrijp het.

  88. écouter[ekute]luisteren

    Écoute bien ce que je te dis.Luister goed naar wat ik je zeg.

  89. fermer[fɛʁme]sluiten, dichtdoen

    Ferme la porte, s'il te plaît.Doe de deur dicht, alsjeblieft.

  90. arriver[aʁive]aankomen

    Le train arrive dans cinq minutes.De trein komt over vijf minuten aan.

  91. oublier[ublije]vergeten

    J'ai oublié mon téléphone.Ik ben mijn telefoon vergeten.

  92. rire[ʁiʁ]lachen

    On rit beaucoup.We lachen veel.

  93. partager[paʁtaʒe]delen

    Je partage mon gâteau avec mes amis.Ik deel mijn taart met mijn vrienden.

  94. remplir[ʁɑ̃pliʁ]vullen

    Remplis le verre d'eau.Vul het glas met water.

  95. manquer[mɑ̃ke]missen

    J'ai manqué le train.Ik heb de trein gemist.

  96. se coucher[sə kuʃe]naar bed gaan, gaan slapen

    Je me couche tôt.Ik ga vroeg naar bed.

  97. vérifier[veʁifje]controleren, nakijken

    Vérifiez votre réservation.Controleer je reservering.

  98. comparer[kɔ̃paʁe]vergelijken

    Comparez les prix avant d'acheter.Vergelijk de prijzen voordat je iets koopt.

  99. deviner[dəvine]raden

    Devine ce que j'ai dans la main.Raad eens wat ik in mijn hand heb.

  100. mentir[mɑ̃tiʁ]liegen

    Il ne faut pas mentir.Je mag niet liegen.

401–500ensemble, l'ordre, l'avenir, le passé, la période, le sentiment, le succès, la règle …
  1. ensemble[ɑ̃sɑ̃bl]samen

    Nous mangeons ensemble.We eten samen.

  2. l'ordre[lɔʁdʁ]volgorde, orde

    Mettez les livres dans l'ordre.Zet de boeken op volgorde.

  3. l'avenir[lavəniʁ]toekomst

    Je pense à mon avenir.Ik denk aan mijn toekomst.

  4. le passé[lə pase]verleden

    On ne peut pas changer le passé.Je kunt het verleden niet veranderen.

  5. la période[la peʁjɔd]periode

    C'est une période difficile.Het is een moeilijke periode.

  6. le sentiment[lə sɑ̃timɑ̃]gevoel

    C'est un sentiment étrange.Het is een vreemd gevoel.

  7. le succès[lə syksɛ]succes

    Je te souhaite beaucoup de succès.Ik wens je veel succes.

  8. la règle[la ʁɛɡl]regel

    Il faut suivre les règles.Je moet je aan de regels houden.

  9. le sujet[lə syʒɛ]onderwerp

    Le sujet est très intéressant.Het onderwerp is erg interessant.

  10. l'article[laʁtikl]artikel

    J'ai lu un article intéressant.Ik heb een interessant artikel gelezen.

  11. la culture[la kyltyʁ]cultuur

    La France a une culture très riche.Frankrijk heeft een heel rijke cultuur.

  12. la science[la sjɑ̃s]wetenschap

    La science est importante pour le progrès.Wetenschap is belangrijk voor de vooruitgang.

  13. l'artiste[laʁtist]kunstenaar, artiest

    C'est une artiste talentueuse.Ze is een getalenteerde kunstenares.

  14. le dessin[lə desɛ̃]tekening

    Mon fils fait un dessin.Mijn zoon maakt een tekening.

  15. la carrière[la kaʁjɛʁ]carrière, loopbaan

    Il a fait une belle carrière de médecin.Hij heeft een mooie carrière als arts gehad.

  16. la section[la sɛksjɔ̃]gedeelte, sectie, afdeling

    Lisez la section suivante.Lees het volgende gedeelte.

  17. la compétence[la kɔ̃petɑ̃s]vaardigheid, competentie

    Il a de grandes compétences en informatique.Hij heeft veel computervaardigheden.

  18. la réunion[la ʁeynjɔ̃]vergadering, bijeenkomst

    J'ai une réunion ce matin.Ik heb vanochtend een vergadering.

  19. la nouvelle[la nuvɛl]nieuws, nieuwtje

    J'ai une bonne nouvelle !Ik heb goed nieuws!

  20. boire[bwaʁ]drinken

    Il faut boire beaucoup d'eau.Je moet veel water drinken.

  21. dormir[dɔʁmiʁ]slapen

    J'ai bien dormi cette nuit.Ik heb vannacht goed geslapen.

  22. voyager[vwajaʒe]reizen

    J'aime voyager à l'étranger.Ik reis graag naar het buitenland.

  23. visiter[vizite]bezoeken

    L'été dernier, nous avons visité Paris.Afgelopen zomer hebben we Parijs bezocht.

  24. voler[vɔle]vliegen

    L'oiseau vole au-dessus de la maison.De vogel vliegt boven het huis.

  25. chanter[ʃɑ̃te]zingen

    J'aime chanter sous la douche.Ik zing graag onder de douche.

  26. finir[finiʁ]afmaken, beëindigen, eindigen

    J'ai fini mon travail.Ik heb mijn werk afgemaakt.

  27. présenter[pʁezɑ̃te]voorstellen; presenteren

    Je te présente mon amie Julie.Ik stel je voor aan mijn vriendin Julie.

  28. naître[nɛtʁ]geboren worden

    Je suis né à Lyon.Ik ben in Lyon geboren.

  29. apprécier[apʁesje]waarderen, genieten van

    J'apprécie beaucoup ce livre.Ik waardeer dit boek zeer.

  30. imaginer[imaʒine]zich voorstellen

    Imagine une maison au bord de la mer.Stel je een huis aan zee voor.

  31. discuter[diskyte]praten, bespreken, discussiëren

    Nous avons discuté de ce projet pendant des heures.We hebben urenlang over dit project gepraat.

  32. améliorer[ameljɔʁe]verbeteren

    J'essaie d'améliorer mon français.Ik probeer mijn Frans te verbeteren.

  33. s'il te plaît[sil tə plɛ]alsjeblieft

    S'il te plaît, tu peux me passer le sel ?Kun je me het zout aangeven, alsjeblieft?

  34. pardon[paʁdɔ̃]pardon, sorry

    Pardon, où est la gare ?Pardon, waar is het station?

  35. désolé[dezɔle]sorry, het spijt me

    Je suis désolé pour le retard.Sorry dat ik te laat ben.

  36. demain[dəmɛ̃]morgen

    Je vais au cinéma demain.Ik ga morgen naar de bioscoop.

  37. le soir[lə swaʁ]avond

    Le soir, je lis un peu.'s Avonds lees ik een beetje.

  38. ce soir[sə swaʁ]vanavond

    On va au cinéma ce soir.We gaan vanavond naar de bioscoop.

  39. l'après-midi[lapʁɛmidi]middag

    Je fais une sieste l'après-midi.Ik doe 's middags een dutje.

  40. le week-end[lə wikɛnd]weekend

    J'ai passé un bon week-end à la campagne.Ik heb een fijn weekend op het platteland gehad.

  41. la date[la dat]datum

    Quelle est la date d'aujourd'hui ?Wat is de datum van vandaag?

  42. le début[lə deby]begin

    Au début, c'était difficile.In het begin was het moeilijk.

  43. le printemps[lə pʁɛ̃tɑ̃]lente, voorjaar

    Le printemps est ma saison préférée.De lente is mijn favoriete seizoen.

  44. l'hiver[livɛʁ]winter

    En hiver, on fait du ski.In de winter skiën we.

  45. le rendez-vous[lə ʁɑ̃devu]afspraak; afspraakje

    J'ai rendez-vous chez le médecin.Ik heb een afspraak bij de dokter.

  46. neuf[nœf]negen

    Ma fille a neuf ans.Mijn dochter is negen jaar.

  47. dix[dis]tien

    J'ai dix doigts.Ik heb tien vingers.

  48. cent[sɑ̃]honderd

    Ce livre a presque cent pages.Dit boek heeft bijna honderd pagina's.

  49. la maman[la mamɑ̃]mama

    Ma maman m'appelle tous les jours.Mijn mama belt me elke dag.

  50. le papa[lə papa]papa

    Mon papa cuisine très bien.Mijn papa kookt heel goed.

  51. l'adulte[ladylt]volwassene

    Ce film est réservé aux adultes.Deze film is alleen voor volwassenen.

  52. le partenaire[lə paʁtənɛʁ]partner

    Il cherche un partenaire pour jouer au tennis.Hij zoekt een partner om mee te tennissen.

  53. le client[lə klijɑ̃]klant

    Le client est satisfait du service.De klant is tevreden over de service.

  54. le chauffeur[lə ʃofœʁ]chauffeur, bestuurder

    Le chauffeur du bus est très gentil.De chauffeur van de bus is heel aardig.

  55. l'écrivain[lekʁivɛ̃]schrijver

    C'est un écrivain célèbre.Hij is een beroemde schrijver.

  56. le scientifique[lə sjɑ̃tifik]wetenschapper

    Les scientifiques étudient le climat.De wetenschappers bestuderen het klimaat.

  57. chacun[ʃakœ̃]ieder, iedereen

    Chacun a sa place.Ieder heeft zijn plaats.

  58. chaque[ʃak]elk, ieder

    Je vais à la piscine chaque semaine.Ik ga elke week naar het zwembad.

  59. toi-même[twamɛm]zelf, jezelf

    Tu peux le faire toi-même.Je kunt het zelf doen.

  60. la cuisine[la kɥizin]keuken

    Je prépare le dîner dans la cuisine.Ik maak het avondeten klaar in de keuken.

  61. la chaise[la ʃɛz]stoel

    Assieds-toi sur la chaise.Ga op de stoel zitten.

  62. le jardin[lə ʒaʁdɛ̃]tuin

    J'aime passer du temps dans mon jardin.Ik breng graag tijd door in mijn tuin.

  63. la cour[la kuʁ]binnenplaats, schoolplein

    Les enfants jouent dans la cour.De kinderen spelen op de binnenplaats.

  64. l'immeuble[limœbl]flatgebouw, appartementengebouw

    Notre immeuble a un grand jardin.Ons flatgebouw heeft een grote tuin.

  65. la clé[la kle]sleutel

    J'ai perdu ma clé.Ik ben mijn sleutel kwijt.

  66. l'adresse[ladʁɛs]adres

    Tu peux me donner ton adresse ?Kun je me je adres geven?

  67. le quartier[lə kaʁtje]wijk, buurt

    Je vis dans un quartier calme.Ik woon in een rustige wijk.

  68. le dîner[lə dine]avondeten, diner

    Le dîner est prêt !Het avondeten is klaar!

  69. la boisson[la bwasɔ̃]drankje, drank

    Vous voulez une boisson fraîche ?Wilt u een koud drankje?

  70. le poisson[lə pwasɔ̃]vis

    J'aime manger du poisson.Ik eet graag vis.

  71. la glace[la ɡlas]ijs; ijsje

    En été, je mange une glace tous les jours.In de zomer eet ik elke dag een ijsje.

  72. le restaurant[lə ʁɛstɔʁɑ̃]restaurant

    J'ai réservé une table dans un restaurant italien.Ik heb een tafel gereserveerd in een Italiaans restaurant.

  73. le bar[lə baʁ]bar, café

    On se retrouve au bar après le travail.We zien elkaar na het werk in de bar.

  74. le voyage[lə vwajaʒ]reis

    J'ai fait un voyage en Italie.Ik heb een reis naar Italië gemaakt.

  75. l'hôtel[lotɛl]hotel

    J'ai réservé une chambre dans un hôtel.Ik heb een kamer in een hotel geboekt.

  76. l'avion[lavjɔ̃]vliegtuig

    Nous partons en vacances en avion.We gaan met het vliegtuig op vakantie.

  77. le vol[lə vɔl]vlucht

    J'ai réservé un vol pour Paris.Ik heb een vlucht naar Parijs geboekt.

  78. le bateau[lə bato]boot

    Nous avons fait un tour en bateau sur le lac.We hebben een boottocht op het meer gemaakt.

  79. le camion[lə kamjɔ̃]vrachtwagen

    Un camion apporte les meubles.Een vrachtwagen brengt de meubels.

  80. la plage[la plaʒ]strand

    J'aime me détendre sur la plage.Ik ontspan graag op het strand.

  81. la capitale[la kapital]hoofdstad

    Paris est la capitale de la France.Parijs is de hoofdstad van Frankrijk.

  82. le musée[lə myze]museum

    J'ai visité le musée d'art moderne.Ik heb het museum voor moderne kunst bezocht.

  83. le sac[lə sak]tas

    J'ai oublié mon sac dans le train.Ik heb mijn tas in de trein laten liggen.

  84. la télé[la tele]tv

    Le soir, on regarde la télé.'s Avonds kijken we tv.

  85. la carte[la kaʁt]kaart; menukaart

    J'ai reçu une carte d'anniversaire.Ik heb een verjaardagskaart gekregen.

  86. l'appareil photo[lapaʁɛj fɔto]fototoestel, camera

    J'ai acheté un nouvel appareil photo.Ik heb een nieuw fototoestel gekocht.

  87. la balle[la bal]bal

    Le chien court après la balle.De hond rent achter de bal aan.

  88. la machine[la maʃin]machine

    La machine à café est en panne.De koffiemachine is kapot.

  89. l'objet[lɔbʒɛ]voorwerp, object

    Il y a un objet étrange sur la table.Er ligt een vreemd voorwerp op de tafel.

  90. la chanson[la ʃɑ̃sɔ̃]lied, liedje

    J'aime beaucoup cette chanson.Ik vind dit liedje heel mooi.

  91. la radio[la ʁadjo]radio

    J'écoute la radio tous les matins.Ik luister elke ochtend naar de radio.

  92. la vidéo[la video]video, filmpje

    J'ai regardé une vidéo amusante.Ik heb een grappig filmpje bekeken.

  93. le journal[lə ʒuʁnal]krant

    J'ai lu le journal ce matin.Ik heb vanochtend de krant gelezen.

  94. le magazine[lə maɡazin]tijdschrift

    J'ai acheté un magazine à la gare.Ik heb een tijdschrift gekocht op het station.

  95. le texto[lə tɛksto]sms'je, berichtje

    Je t'ai envoyé un texto hier.Ik heb je gisteren een sms'je gestuurd.

  96. l'entretien[lɑ̃tʁətjɛ̃]sollicitatiegesprek; gesprek

    Demain, j'ai un entretien d'embauche.Morgen heb ik een sollicitatiegesprek.

  97. la conversation[la kɔ̃vɛʁsasjɔ̃]gesprek

    J'ai eu une conversation intéressante avec mon voisin.Ik had een interessant gesprek met mijn buurman.

  98. l'opinion[lɔpinjɔ̃]mening

    J'ai une autre opinion sur ce sujet.Ik heb een andere mening over dit onderwerp.

  99. la déclaration[la deklaʁasjɔ̃]verklaring

    Le président a fait une déclaration importante.De president heeft een belangrijke verklaring afgelegd.

  100. le détail[lə detaj]detail

    J'ai remarqué un détail important.Ik heb een belangrijk detail opgemerkt.

501–600le style, l'oiseau, le cheval, la ferme, la bouche, froid, vert, sombre …
  1. le style[lə stil]stijl

    J'aime ton style.Ik vind je stijl mooi.

  2. l'oiseau[lwazo]vogel

    J'ai vu un oiseau bleu dans le jardin.Ik zag een blauwe vogel in de tuin.

  3. le cheval[lə ʃəval]paard

    J'ai vu un cheval dans le pré.Ik zag een paard in de wei.

  4. la ferme[la fɛʁm]boerderij

    Ma grand-mère habite dans une ferme.Mijn oma woont op een boerderij.

  5. la bouche[la buʃ]mond

    Il a ouvert la bouche pour parler.Hij deed zijn mond open om te praten.

  6. froid[fʁwa]koud

    L'eau est très froide.Het water is erg koud.

  7. vert[vɛʁ]groen

    L'herbe est verte.Het gras is groen.

  8. sombre[sɔ̃bʁ]donker, somber

    Cette pièce est trop sombre.Deze kamer is te donker.

  9. agréable[aɡʁeabl]aangenaam, prettig

    C'est un endroit agréable pour se promener.Het is een aangename plek om te wandelen.

  10. parfait[paʁfɛ]perfect

    Le temps est parfait pour une promenade.Het weer is perfect voor een wandeling.

  11. populaire[pɔpylɛʁ]populair

    Ce restaurant est très populaire.Dit restaurant is erg populair.

  12. moderne[mɔdɛʁn]modern

    Cette maison est très moderne.Dit huis is erg modern.

  13. riche[ʁiʃ]rijk

    Il est très riche.Hij is erg rijk.

  14. positif[pozitif]positief

    J'ai une attitude positive.Ik heb een positieve houding.

  15. complet[kɔ̃plɛ]volledig, compleet; vol

    L'hôtel est complet.Het hotel is vol.

  16. final[final]laatste, eind-

    C'est le match final de la saison.Het is de laatste wedstrijd van het seizoen.

  17. devant[dəvɑ̃]voor

    Je t'attends devant la gare.Ik wacht op je voor het station.

  18. au-dessus[odəsy]boven, erboven

    Mes voisins habitent juste au-dessus.Mijn buren wonen er precies boven.

  19. rapide[ʁapid]snel

    Le TGV est un train très rapide.De TGV is een heel snelle trein.

  20. lent[lɑ̃]langzaam, traag

    Le bus est très lent aujourd'hui.De bus is vandaag erg langzaam.

  21. vite[vit]snel, vlug

    Il court très vite.Hij rent heel snel.

  22. calme[kalm]rustig, kalm

    La bibliothèque est calme.De bibliotheek is rustig.

  23. silencieux[silɑ̃sjø]stil

    La salle est silencieuse.De zaal is stil.

  24. sain[sɛ̃]gezond

    Manger des fruits et des légumes est sain.Fruit en groenten eten is gezond.

  25. malade[malad]ziek

    Je suis malade aujourd'hui.Ik ben vandaag ziek.

  26. drôle[dʁol]grappig

    C'est une histoire drôle.Het is een grappig verhaal.

  27. en colère[ɑ̃ kɔlɛʁ]boos

    Il est en colère contre moi.Hij is boos op mij.

  28. marié[maʁje]getrouwd

    Ils sont mariés depuis dix ans.Ze zijn al tien jaar getrouwd.

  29. correct[kɔʁɛkt]juist, correct

    La réponse est correcte.Het antwoord is juist.

  30. préféré[pʁefeʁe]favoriet, lievelings-

    C'est mon plat préféré.Dat is mijn lievelingsgerecht.

  31. frais[fʁɛ]fris, koel; vers

    Le matin, il fait frais.'s Ochtends is het fris.

  32. négatif[neɡatif]negatief

    Le résultat du test est négatif.De uitslag van de test is negatief.

  33. gras[ɡʁa]vet, vettig

    Ce plat est trop gras.Dit gerecht is te vet.

  34. supplémentaire[syplemɑ̃tɛʁ]extra

    J'ai besoin d'une serviette supplémentaire.Ik heb een extra handdoek nodig.

  35. jaune[ʒon]geel

    La banane est jaune.De banaan is geel.

  36. brun[bʁœ̃]bruin

    Ses yeux sont bruns.Zijn ogen zijn bruin.

  37. quatrième[katʁijɛm]vierde

    C'est la quatrième fois que je viens ici.Het is de vierde keer dat ik hier kom.

  38. mille[mil]duizend

    Il y a plus de mille personnes dans la salle.Er zijn meer dan duizend mensen in de zaal.

  39. hier[jɛʁ]gisteren

    J'ai vu mon ami hier.Ik heb mijn vriend gisteren gezien.

  40. jamais[ʒamɛ]nooit

    Je ne bois jamais de café le soir.Ik drink 's avonds nooit koffie.

  41. bienvenue[bjɛ̃vəny]welkom

    Bienvenue dans mon appartement !Welkom in mijn appartement!

  42. se réveiller[sə ʁeveje]wakker worden

    Je me réveille tôt le matin.Ik word 's ochtends vroeg wakker.

  43. répéter[ʁepete]herhalen

    Tu peux répéter, s'il te plaît ?Kun je dat herhalen, alsjeblieft?

  44. détester[detɛste]haten, een hekel hebben aan

    Je déteste les épinards.Ik haat spinazie.

  45. grimper[ɡʁɛ̃pe]klimmen

    Les enfants aiment grimper aux arbres.Kinderen klimmen graag in bomen.

  46. danser[dɑ̃se]dansen

    J'aime danser.Ik dans graag.

  47. peindre[pɛ̃dʁ]schilderen, verven

    Elle peint un tableau.Ze schildert een schilderij.

  48. le pied[lə pje]voet

    Je me suis fait mal au pied.Ik heb mijn voet bezeerd.

  49. l'oreille[lɔʁɛj]oor

    J'ai mal à l'oreille.Ik heb oorpijn.

  50. le nez[lə ne]neus

    Il a le nez rouge à cause du froid.Zijn neus is rood van de kou.

  51. la dent[la dɑ̃]tand

    J'ai mal à une dent.Ik heb pijn aan een tand.

  52. le café[lə kafe]koffie

    J'ai bu un café ce matin.Ik heb vanochtend een koffie gedronken.

  53. le vin[lə vɛ̃]wijn

    J'aime boire du vin rouge.Ik drink graag rode wijn.

  54. l'œuf[lœf]ei

    J'ai mangé un œuf au petit-déjeuner.Ik heb een ei gegeten bij het ontbijt.

  55. le poulet[lə pulɛ]kip

    Ce soir, on mange du poulet rôti.Vanavond eten we gebraden kip.

  56. la viande[la vjɑ̃d]vlees

    Je ne mange pas de viande.Ik eet geen vlees.

  57. le fruit[lə fʁɥi]fruit, vrucht

    J'aime manger des fruits.Ik eet graag fruit.

  58. le sel[lə sɛl]zout

    Ajoute du sel à la soupe.Doe wat zout in de soep.

  59. le sucre[lə sykʁ]suiker

    Je ne mets pas de sucre dans mon café.Ik doe geen suiker in mijn koffie.

  60. le déjeuner[lə deʒœne]lunch, middageten

    Le déjeuner est prêt.De lunch is klaar.

  61. le repas[lə ʁəpa]maaltijd

    Le repas est délicieux.De maaltijd is heerlijk.

  62. la bouteille[la butɛj]fles

    J'ai bu une bouteille d'eau.Ik heb een fles water gedronken.

  63. le quart[lə kaʁ]kwart

    J'attends depuis un quart d'heure.Ik wacht al een kwartier.

  64. les vêtements[le vɛtmɑ̃]kleren, kleding

    J'ai mis mes nouveaux vêtements.Ik heb mijn nieuwe kleren aangetrokken.

  65. la robe[la ʁɔb]jurk

    Elle porte une robe rouge.Ze draagt een rode jurk.

  66. la chemise[la ʃəmiz]overhemd

    Il porte une chemise blanche.Hij draagt een wit overhemd.

  67. la chaussure[la ʃosyʁ]schoen

    J'ai acheté de nouvelles chaussures.Ik heb nieuwe schoenen gekocht.

  68. la paire[la pɛʁ]paar

    J'ai acheté une paire de chaussures.Ik heb een paar schoenen gekocht.

  69. le voisin[lə vwazɛ̃]buurman, buur

    Mon voisin est très gentil.Mijn buurman is heel aardig.

  70. le visiteur[lə vizitœʁ]bezoeker

    Le visiteur est arrivé en retard.De bezoeker kwam te laat.

  71. l'invité[lɛ̃vite]gast

    Nos invités arrivent à huit heures.Onze gasten komen om acht uur.

  72. l'acteur[laktœʁ]acteur

    C'est un acteur célèbre.Hij is een bekende acteur.

  73. le cuisinier[lə kɥizinje]kok

    Le cuisinier a préparé un délicieux repas.De kok heeft een heerlijke maaltijd bereid.

  74. le fermier[lə fɛʁmje]boer

    Le fermier cultive des céréales.De boer verbouwt graan.

  75. le lecteur[lə lɛktœʁ]lezer

    Le lecteur a aimé le livre.De lezer vond het boek mooi.

  76. le chat[lə ʃa]kat

    Le chat est sur le canapé.De kat ligt op de bank.

  77. le bus[lə bys]bus

    Je prends le bus pour aller au travail.Ik neem de bus naar mijn werk.

  78. le train[lə tʁɛ̃]trein

    Je prends le train pour aller en ville.Ik neem de trein naar de stad.

  79. le trajet[lə tʁaʒɛ]rit, reis, traject

    Le trajet en voiture est long.De rit met de auto is lang.

  80. l'aéroport[laeʁɔpɔʁ]luchthaven, vliegveld

    Nous allons à l'aéroport en taxi.We gaan met de taxi naar de luchthaven.

  81. la circulation[la siʁkylasjɔ̃]verkeer

    La circulation est très dense aujourd'hui.Het verkeer is vandaag erg druk.

  82. le billet[lə bijɛ]kaartje, ticket; bankbiljet

    J'ai acheté un billet de train.Ik heb een treinkaartje gekocht.

  83. la boulangerie[la bulɑ̃ʒʁi]bakkerij

    J'achète le pain à la boulangerie.Ik koop het brood bij de bakkerij.

  84. la bibliothèque[la biblijɔtɛk]bibliotheek

    J'aime aller à la bibliothèque.Ik ga graag naar de bibliotheek.

  85. le théâtre[lə teɑtʁ]theater

    Ils sont allés au théâtre hier soir.Ze zijn gisteravond naar het theater gegaan.

  86. la piscine[la pisin]zwembad

    Il y a une piscine dans l'hôtel.Er is een zwembad in het hotel.

  87. la salle de classe[la sal də klas]klaslokaal

    La salle de classe est grande.Het klaslokaal is groot.

  88. la chambre[la ʃɑ̃bʁ]slaapkamer, kamer

    Ma chambre est petite.Mijn slaapkamer is klein.

  89. le portable[lə pɔʁtabl]mobiel, mobiele telefoon

    Mon portable n'a plus de batterie.De batterij van mijn mobiel is leeg.

  90. l'internet[lɛ̃tɛʁnɛt]internet

    Je cherche l'information sur internet.Ik zoek de informatie op internet.

  91. le titre[lə titʁ]titel

    Le titre du livre est intéressant.De titel van het boek is interessant.

  92. la peinture[la pɛ̃tyʁ]schilderij; verf

    Cette peinture est magnifique.Dit schilderij is prachtig.

  93. la leçon[la ləsɔ̃]les

    J'ai appris une nouvelle leçon.Ik heb een nieuwe les geleerd.

  94. l'exercice[lɛɡzɛʁsis]oefening; lichaamsbeweging

    Je fais de l'exercice tous les jours.Ik doe elke dag aan lichaamsbeweging.

  95. l'erreur[lɛʁœʁ]fout

    J'ai fait une erreur.Ik heb een fout gemaakt.

  96. le sens[lə sɑ̃s]betekenis, zin; richting

    Quel est le sens de ce mot ?Wat is de betekenis van dit woord?

  97. le conseil[lə kɔ̃sɛj]advies, raad

    J'ai besoin d'un conseil.Ik heb advies nodig.

  98. la lecture[la lɛktyʁ]lezen, lectuur

    J'aime la lecture.Ik hou van lezen.

  99. l'écriture[lekʁityʁ]schrift, handschrift

    Son écriture est très claire.Zijn handschrift is heel duidelijk.

  100. la chaleur[la ʃalœʁ]warmte, hitte

    En été, la chaleur est forte.In de zomer is de hitte hevig.

601–700la pluie, la neige, la fleur, le football, le basket-ball, la danse, salut, bonjour …
  1. la pluie[la plɥi]regen

    Il y a beaucoup de pluie aujourd'hui.Er valt vandaag veel regen.

  2. la neige[la nɛʒ]sneeuw

    Il y a de la neige dehors.Er ligt sneeuw buiten.

  3. la fleur[la flœʁ]bloem

    Il y a une fleur dans mon jardin.Er staat een bloem in mijn tuin.

  4. le football[lə futbol]voetbal

    J'aime jouer au football.Ik speel graag voetbal.

  5. le basket-ball[lə baskɛtbol]basketbal

    J'aime jouer au basket-ball.Ik speel graag basketbal.

  6. la danse[la dɑ̃s]dans

    Elle adore la danse.Ze is dol op dansen.

  7. salut[saly]hoi; doei

    Salut, comment ça va ?Hoi, hoe gaat het?

  8. bonjour[bɔ̃ʒuʁ]goedendag, hallo, goedemorgen

    Bonjour, madame !Goedendag, mevrouw!

  9. quatre[katʁ]vier

    Une voiture a quatre roues.Een auto heeft vier wielen.

  10. douze[duz]twaalf

    Une année a douze mois.Een jaar heeft twaalf maanden.

  11. quinze[kɛ̃z]vijftien

    Il a quinze ans.Hij is vijftien jaar.

  12. vingt[vɛ̃]twintig

    J'ai vingt ans.Ik ben twintig jaar.

  13. trente[tʁɑ̃t]dertig

    Elle a trente ans.Ze is dertig jaar.

  14. cinquante[sɛ̃kɑ̃t]vijftig

    Mon père a cinquante ans.Mijn vader is vijftig jaar.

  15. cinquième[sɛ̃kjɛm]vijfde

    C'est déjà mon cinquième café aujourd'hui.Dat is vandaag al mijn vijfde koffie.

  16. la grand-mère[la ɡʁɑ̃mɛʁ]oma, grootmoeder

    Ma grand-mère est très gentille.Mijn oma is erg lief.

  17. le grand-père[lə ɡʁɑ̃pɛʁ]opa, grootvader

    Mon grand-père est très drôle.Mijn opa is erg grappig.

  18. l'oncle[lɔ̃kl]oom

    Mon oncle habite à Lyon.Mijn oom woont in Lyon.

  19. la tante[la tɑ̃t]tante

    Ma tante vient nous voir ce week-end.Mijn tante komt dit weekend bij ons langs.

  20. le cousin[lə kuzɛ̃]neef

    Mon cousin habite à Paris.Mijn neef woont in Parijs.

  21. la petite amie[la pətit ami]vriendin

    Ma petite amie s'appelle Marie.Mijn vriendin heet Marie.

  22. l'adolescent[ladɔlesɑ̃]tiener

    Les adolescents passent beaucoup de temps sur leur portable.Tieners brengen veel tijd door op hun mobiel.

  23. l'infirmière[lɛ̃fiʁmjɛʁ]verpleegster, verpleegkundige

    L'infirmière s'occupe des malades.De verpleegster zorgt voor de zieken.

  24. le chanteur[lə ʃɑ̃tœʁ]zanger

    Le chanteur a une belle voix.De zanger heeft een mooie stem.

  25. l'actrice[laktʁis]actrice

    L'actrice a joué dans beaucoup de films.De actrice heeft in veel films gespeeld.

  26. le touriste[lə tuʁist]toerist

    Il y a beaucoup de touristes à Paris.Er zijn veel toeristen in Parijs.

  27. le pain[lə pɛ̃]brood

    Je mange du pain avec du fromage.Ik eet brood met kaas.

  28. la baguette[la baɡɛt]stokbrood, baguette

    J'achète une baguette à la boulangerie.Ik koop een stokbrood bij de bakker.

  29. le croissant[lə kʁwasɑ̃]croissant

    Le matin, je mange un croissant.'s Ochtends eet ik een croissant.

  30. le beurre[lə bœʁ]boter

    J'aime le beurre sur le pain.Ik hou van boter op brood.

  31. le fromage[lə fʁɔmaʒ]kaas

    J'adore le fromage.Ik ben dol op kaas.

  32. le lait[lə lɛ]melk

    Je bois du lait tous les matins.Ik drink elke ochtend melk.

  33. la crème[la kʁɛm]room; crème

    Je mets de la crème dans la soupe.Ik doe room in de soep.

  34. le thé[lə te]thee

    Je bois du thé.Ik drink thee.

  35. le jus[lə ʒy]sap

    Je bois un jus d'orange.Ik drink sinaasappelsap.

  36. la bière[la bjɛʁ]bier

    Je voudrais une bière, s'il vous plaît.Ik wil graag een biertje, alstublieft.

  37. le petit-déjeuner[lə pətideʒœne]ontbijt

    Je prends toujours un petit-déjeuner le matin.Ik ontbijt 's ochtends altijd.

  38. le riz[lə ʁi]rijst

    Ce soir, on mange du riz.Vanavond eten we rijst.

  39. les pâtes[le pɑt]pasta

    Les enfants adorent les pâtes.Kinderen zijn dol op pasta.

  40. la pomme de terre[la pɔm də tɛʁ]aardappel

    J'épluche les pommes de terre.Ik schil de aardappelen.

  41. le légume[lə leɡym]groente

    J'aime manger des légumes.Ik eet graag groenten.

  42. la pomme[la pɔm]appel

    Je mange une pomme tous les jours.Ik eet elke dag een appel.

  43. l'orange[lɔʁɑ̃ʒ]sinaasappel

    J'ai mangé une orange au petit-déjeuner.Ik heb een sinaasappel gegeten bij het ontbijt.

  44. la tomate[la tɔmat]tomaat

    Les tomates sont rouges et mûres.De tomaten zijn rood en rijp.

  45. l'oignon[lɔɲɔ̃]ui

    J'ai ajouté un oignon à la soupe.Ik heb een ui aan de soep toegevoegd.

  46. le poivre[lə pwavʁ]peper

    Tu me passes le poivre, s'il te plaît ?Geef je me de peper even aan, alsjeblieft?

  47. la salade[la salad]salade; sla

    J'ai mangé une salade à midi.Ik heb tussen de middag een salade gegeten.

  48. la soupe[la sup]soep

    J'ai préparé une soupe de légumes.Ik heb groentesoep gemaakt.

  49. le plat[lə pla]gerecht

    Le chef a préparé un plat délicieux.De chef-kok heeft een heerlijk gerecht bereid.

  50. le gâteau[lə ɡato]taart, cake

    J'ai mangé un gâteau au chocolat.Ik heb een chocoladetaart gegeten.

  51. le chocolat[lə ʃɔkɔla]chocolade

    J'adore le chocolat noir.Ik ben dol op pure chocolade.

  52. le régime[lə ʁeʒim]dieet

    Je suis au régime.Ik ben op dieet.

  53. le menu[lə məny]menu, menukaart

    J'ai regardé le menu avant de commander.Ik heb de menukaart bekeken voordat ik bestelde.

  54. la faim[la fɛ̃]honger

    J'ai très faim.Ik heb erge honger.

  55. cuisiner[kɥizine]koken

    J'aime cuisiner pour mes amis.Ik kook graag voor mijn vrienden.

  56. le pantalon[lə pɑ̃talɔ̃]broek

    J'ai acheté un nouveau pantalon.Ik heb een nieuwe broek gekocht.

  57. la veste[la vɛst]jasje, jack

    Elle porte une veste en cuir.Ze draagt een leren jasje.

  58. le manteau[lə mɑ̃to]jas, mantel

    En hiver, je porte un manteau chaud.In de winter draag ik een warme jas.

  59. le chapeau[lə ʃapo]hoed

    Il porte un chapeau.Hij draagt een hoed.

  60. la botte[la bɔt]laars

    En hiver, je porte des bottes.In de winter draag ik laarzen.

  61. la salle de bain[la sal də bɛ̃]badkamer

    La salle de bain est à droite.De badkamer is rechts.

  62. la douche[la duʃ]douche

    J'ai pris une douche ce matin.Ik heb vanochtend een douche genomen.

  63. laver[lave]wassen

    Je lave mes vêtements.Ik was mijn kleren.

  64. l'horloge[lɔʁlɔʒ]klok

    L'horloge est accrochée au mur.De klok hangt aan de muur.

  65. le vélo[lə velo]fiets

    Je vais au travail à vélo.Ik ga met de fiets naar mijn werk.

  66. le centre commercial[lə sɑ̃tʁ kɔmɛʁsjal]winkelcentrum

    Je vais au centre commercial pour acheter des vêtements.Ik ga naar het winkelcentrum om kleren te kopen.

  67. les courses[le kuʁs]boodschappen

    Je vais faire les courses demain.Ik ga morgen boodschappen doen.

  68. les vacances[le vakɑ̃s]vakantie

    Je pars en vacances la semaine prochaine.Ik ga volgende week op vakantie.

  69. l'anniversaire[lanivɛʁsɛʁ]verjaardag

    C'est quand, ton anniversaire ?Wanneer is je verjaardag?

  70. le festival[lə fɛstival]festival

    Il y a un festival de musique ce week-end.Dit weekend is er een muziekfestival.

  71. le concert[lə kɔ̃sɛʁ]concert

    Ce soir, nous allons à un concert.Vanavond gaan we naar een concert.

  72. le piano[lə pjano]piano

    Elle joue très bien du piano.Ze speelt heel goed piano.

  73. le tennis[lə tenis]tennis

    J'aime jouer au tennis.Ik speel graag tennis.

  74. nager[naʒe]zwemmen

    J'aime nager dans la mer.Ik zwem graag in zee.

  75. se détendre[sə detɑ̃dʁ]zich ontspannen, ontspannen

    J'aime me détendre avec un bon livre.Ik ontspan graag met een goed boek.

  76. le plaisir[lə pleziʁ]plezier, genoegen

    C'est un plaisir de te voir.Het is een genoegen je te zien.

  77. la routine[la ʁutin]routine

    Le matin, j'ai toujours la même routine.'s Ochtends heb ik altijd dezelfde routine.

  78. minuit[minɥi]middernacht

    La fête a duré jusqu'à minuit.Het feest duurde tot middernacht.

  79. la phrase[la fʁaz]zin

    Écrivez une phrase avec ce mot.Schrijf een zin met dit woord.

  80. le dialogue[lə djalɔɡ]dialoog

    Nous lisons le dialogue à deux.We lezen de dialoog met z'n tweeën.

  81. la description[la dɛskʁipsjɔ̃]beschrijving

    Lisez la description de l'appartement.Lees de beschrijving van het appartement.

  82. le contraire[lə kɔ̃tʁɛʁ]tegenovergestelde, tegendeel

    Le contraire de « chaud », c'est « froid ».Het tegenovergestelde van 'warm' is 'koud'.

  83. intelligent[ɛ̃teliʒɑ̃]intelligent, slim

    Elle est très intelligente.Ze is heel intelligent.

  84. occupé[ɔkype]druk, bezig; bezet

    Je suis très occupé en ce moment.Ik heb het momenteel erg druk.

  85. pas cher[pa ʃɛʁ]goedkoop, niet duur

    Ce livre n'est pas cher.Dit boek is niet duur.

  86. cher[ʃɛʁ]duur; lief, dierbaar

    Ce sac est très cher.Deze tas is erg duur.

  87. sympathique[sɛ̃patik]aardig, sympathiek

    Ma voisine est très sympathique.Mijn buurvrouw is erg aardig.

  88. triste[tʁist]verdrietig

    Je suis triste aujourd'hui.Ik ben vandaag verdrietig.

  89. sale[sal]vuil, vies

    Mes mains sont sales.Mijn handen zijn vuil.

  90. gris[ɡʁi]grijs

    La voiture est grise.De auto is grijs.

  91. rose[ʁoz]roze

    Elle porte une robe rose.Ze draagt een roze jurk.

  92. la vache[la vaʃ]koe

    La vache donne du lait.De koe geeft melk.

  93. le cochon[lə kɔʃɔ̃]varken

    Le cochon vit à la ferme.Het varken leeft op de boerderij.

  94. la souris[la suʁi]muis

    Le chat court après une souris.De kat rent achter een muis aan.

  95. le lion[lə ljɔ̃]leeuw

    Le lion rugit fort.De leeuw brult luid.

  96. le serpent[lə sɛʁpɑ̃]slang

    Le serpent glisse dans l'herbe.De slang glijdt door het gras.

  97. l'océan[lɔseɑ̃]oceaan

    J'aime nager dans l'océan.Ik zwem graag in de oceaan.

  98. au revoir[o ʁəvwaʁ]dag, tot ziens

    Au revoir, à demain !Dag, tot morgen!

  99. à bientôt[a bjɛ̃to]tot gauw, tot snel

    À bientôt, et bon voyage !Tot gauw, en goede reis!

  100. zéro[zeʁo]nul

    Le match finit un à zéro.De wedstrijd eindigt met één tegen nul.

701–800onze, treize, quatorze, seize, dix-sept, dix-huit, dix-neuf, quarante …
  1. onze[ɔ̃z]elf

    Il est onze heures.Het is elf uur.

  2. treize[tʁɛz]dertien

    Il y a treize enfants dans le groupe.Er zitten dertien kinderen in de groep.

  3. quatorze[katɔʁz]veertien

    J'ai quatorze ans.Ik ben veertien jaar.

  4. seize[sɛz]zestien

    Elle a seize ans.Ze is zestien jaar.

  5. dix-sept[disɛt]zeventien

    J'ai dix-sept ans.Ik ben zeventien jaar.

  6. dix-huit[dizɥit]achttien

    Mon frère a dix-huit ans.Mijn broer is achttien jaar.

  7. dix-neuf[diznœf]negentien

    J'ai dix-neuf ans.Ik ben negentien jaar.

  8. quarante[kaʁɑ̃t]veertig

    Ma mère a quarante ans.Mijn moeder is veertig jaar.

  9. soixante[swasɑ̃t]zestig

    Une heure a soixante minutes.Een uur heeft zestig minuten.

  10. soixante-dix[swasɑ̃tdis]zeventig

    Il a soixante-dix ans.Hij is zeventig jaar.

  11. quatre-vingts[katʁəvɛ̃]tachtig

    Mon grand-père a quatre-vingts ans.Mijn opa is tachtig jaar.

  12. quatre-vingt-dix[katʁəvɛ̃dis]negentig

    Ma grand-mère a quatre-vingt-dix ans.Mijn oma is negentig jaar.

  13. le lundi[lə lœ̃di]maandag

    Lundi, je vais au travail.Maandag ga ik naar mijn werk.

  14. le mardi[lə maʁdi]dinsdag

    Je vais au cinéma mardi.Ik ga dinsdag naar de bioscoop.

  15. le mercredi[lə mɛʁkʁədi]woensdag

    J'ai rendez-vous chez le médecin mercredi.Ik heb woensdag een afspraak bij de dokter.

  16. le jeudi[lə ʒødi]donderdag

    Le cours de français est le jeudi.De Franse les is op donderdag.

  17. le vendredi[lə vɑ̃dʁədi]vrijdag

    Le week-end commence vendredi soir.Het weekend begint vrijdagavond.

  18. le samedi[lə samdi]zaterdag

    On va au marché samedi.We gaan zaterdag naar de markt.

  19. le dimanche[lə dimɑ̃ʃ]zondag

    On va à la plage dimanche.We gaan zondag naar het strand.

  20. janvier[ʒɑ̃vje]januari

    L'année commence en janvier.Het jaar begint in januari.

  21. février[fevʁije]februari

    Février est le mois le plus court de l'année.Februari is de kortste maand van het jaar.

  22. mars[maʁs]maart

    Le printemps commence en mars.De lente begint in maart.

  23. avril[avʁil]april

    Avril a trente jours.April heeft dertig dagen.

  24. mai[mɛ]mei

    En mai, il y a beaucoup de fleurs.In mei zijn er veel bloemen.

  25. juin[ʒɥɛ̃]juni

    Il fait beau en juin.In juni is het mooi weer.

  26. juillet[ʒɥijɛ]juli

    Nous partons en vacances en juillet.We gaan in juli op vakantie.

  27. août[ut]augustus

    Il fait chaud en août.In augustus is het warm.

  28. septembre[sɛptɑ̃bʁ]september

    Ma sœur est née en septembre.Mijn zus is in september geboren.

  29. octobre[ɔktɔbʁ]oktober

    Octobre est un mois d'automne.Oktober is een herfstmaand.

  30. novembre[nɔvɑ̃bʁ]november

    Il fait froid en novembre.In november is het koud.

  31. décembre[desɑ̃bʁ]december

    Noël est en décembre.Kerstmis is in december.

  32. l'examen[lɛɡzamɛ̃]examen

    J'ai un examen demain.Ik heb morgen een examen.

  33. les devoirs[le dəvwaʁ]huiswerk

    J'ai beaucoup de devoirs à faire.Ik heb veel huiswerk te maken.

  34. le stylo[lə stilo]pen

    J'ai besoin d'un stylo pour écrire.Ik heb een pen nodig om te schrijven.

  35. le crayon[lə kʁɛjɔ̃]potlood

    J'écris avec un crayon.Ik schrijf met een potlood.

  36. le dictionnaire[lə diksjɔnɛʁ]woordenboek

    Je cherche le mot dans le dictionnaire.Ik zoek het woord op in het woordenboek.

  37. le paragraphe[lə paʁaɡʁaf]alinea

    Lisez le premier paragraphe.Lees de eerste alinea.

  38. épeler[epəle]spellen

    Pouvez-vous épeler votre nom ?Kunt u uw naam spellen?

  39. l'orthographe[lɔʁtɔɡʁaf]spelling

    L'orthographe française est difficile.De Franse spelling is moeilijk.

  40. la géographie[la ʒeɔɡʁafi]aardrijkskunde, geografie

    J'aime la géographie.Ik hou van aardrijkskunde.

  41. le jean[lə dʒin]spijkerbroek, jeans

    J'ai acheté un nouveau jean.Ik heb een nieuwe spijkerbroek gekocht.

  42. le t-shirt[lə tiʃœʁt]T-shirt

    Il porte un t-shirt blanc.Hij draagt een wit T-shirt.

  43. le pull[lə pyl]trui

    J'ai mis un pull parce qu'il fait froid.Ik heb een trui aangetrokken omdat het koud is.

  44. la jupe[la ʒyp]rok

    Elle porte une jupe bleue.Ze draagt een blauwe rok.

  45. le parapluie[lə paʁaplɥi]paraplu

    Prends un parapluie, il pleut.Neem een paraplu mee, het regent.

  46. violet[vjɔlɛ]paars

    Elle porte une robe violette.Ze draagt een paarse jurk.

  47. blond[blɔ̃]blond

    Elle a les cheveux blonds.Ze heeft blond haar.

  48. le sandwich[lə sɑ̃dwitʃ]broodje, sandwich

    J'ai mangé un sandwich à midi.Ik heb tussen de middag een broodje gegeten.

  49. la banane[la banan]banaan

    Je mange une banane au petit-déjeuner.Ik eet een banaan bij het ontbijt.

  50. la carotte[la kaʁɔt]wortel

    Les enfants aiment les carottes.Kinderen houden van wortels.

  51. délicieux[delisjø]heerlijk, verrukkelijk

    Ce gâteau est délicieux.Deze taart is heerlijk.

  52. la soif[la swaf]dorst

    J'ai soif. Tu as de l'eau ?Ik heb dorst. Heb je water?

  53. le cinéma[lə sinema]bioscoop

    Ce soir, on va au cinéma.Vanavond gaan we naar de bioscoop.

  54. le supermarché[lə sypɛʁmaʁʃe]supermarkt

    Je fais les courses au supermarché.Ik doe boodschappen in de supermarkt.

  55. la salle de sport[la sal də spɔʁ]sportschool

    Je vais à la salle de sport deux fois par semaine.Ik ga twee keer per week naar de sportschool.

  56. les toilettes[le twalɛt]toilet, wc

    Où sont les toilettes, s'il vous plaît ?Waar is het toilet, alstublieft?

  57. le bain[lə bɛ̃]bad

    Je prends un bain chaud.Ik neem een warm bad.

  58. à l'étage[a letaʒ]boven, op de verdieping

    Ma chambre est à l'étage.Mijn kamer is boven.

  59. la poste[la pɔst]postkantoor, post

    Je vais à la poste ce matin.Ik ga vanochtend naar het postkantoor.

  60. les grands-parents[le ɡʁɑ̃paʁɑ̃]grootouders

    Je vais voir mes grands-parents ce week-end.Ik ga dit weekend naar mijn grootouders.

  61. le petit ami[lə pətit‿ami]vriendje, vriend

    Elle a un petit ami.Ze heeft een vriendje.

  62. le serveur[lə sɛʁvœʁ]ober, kelner

    Le serveur nous apporte le menu.De ober brengt ons de menukaart.

  63. le policier[lə pɔlisje]politieagent

    Le policier aide une vieille dame.De politieagent helpt een oude dame.

  64. le danseur[lə dɑ̃sœʁ]danser

    Le danseur est très bon.De danser is erg goed.

  65. le mouton[lə mutɔ̃]schaap

    Il y a des moutons dans le champ.Er staan schapen in de wei.

  66. l'éléphant[lelefɑ̃]olifant

    J'ai vu un éléphant au zoo.Ik heb een olifant gezien in de dierentuin.

  67. le passe-temps[lə pastɑ̃]hobby, tijdverdrijf

    Mon passe-temps préféré, c'est la lecture.Mijn favoriete hobby is lezen.

  68. la guitare[la ɡitaʁ]gitaar

    Il joue de la guitare.Hij speelt gitaar.

  69. la natation[la natasjɔ̃]zwemmen, zwemsport

    J'aime la natation.Ik hou van zwemmen.

  70. ennuyeux[ɑ̃nɥijø]saai

    Ce film est vraiment ennuyeux.Deze film is echt saai.

  71. le passeport[lə paspɔʁ]paspoort

    J'ai besoin de mon passeport pour voyager.Ik heb mijn paspoort nodig om te reizen.

  72. le taxi[lə taksi]taxi

    J'ai pris un taxi pour aller à l'aéroport.Ik heb een taxi naar het vliegveld genomen.

  73. l'euro[løʁo]euro

    En France, on paie en euros.In Frankrijk betaal je in euro's.

  74. le centime[lə sɑ̃tim]cent

    Un euro fait cent centimes.Een euro is honderd cent.

  75. l'addition[ladisjɔ̃]rekening

    L'addition, s'il vous plaît !De rekening, alstublieft!

  76. la facture[la faktyʁ]rekening, factuur

    J'ai reçu la facture du téléphone.Ik heb de telefoonrekening ontvangen.

  77. l'e-mail[limɛl]e-mail

    Je t'envoie un e-mail ce soir.Ik stuur je vanavond een e-mail.

  78. le site web[lə sit wɛb]website

    Les horaires sont sur le site web.De openingstijden staan op de website.

  79. le blog[lə blɔɡ]blog

    J'ai un blog sur la cuisine.Ik heb een blog over koken.

  80. le CD[lə sede]cd

    J'écoute un CD dans la voiture.Ik luister naar een cd in de auto.

  81. le retour[lə ʁətuʁ]terugkeer

    Je suis de retour à la maison.Ik ben weer terug thuis.

  82. dernier[dɛʁnje]laatste

    C'est le dernier jour du mois.Het is de laatste dag van de maand.

  83. l'État[leta]staat

    L'État paie les écoles publiques.De staat betaalt de openbare scholen.

  84. haut[o]hoog

    Ce bâtiment est très haut.Dit gebouw is erg hoog.

  85. pendant[pɑ̃dɑ̃]tijdens; gedurende

    Pendant le dîner, il a téléphoné.Tijdens het avondeten belde hij.

  86. le président[lə pʁezidɑ̃]president

    Le président a fait un discours.De president hield een toespraak.

  87. sembler[sɑ̃ble]lijken

    Cela semble compliqué.Dat lijkt ingewikkeld.

  88. le cas[lə ka]geval

    Dans ce cas, appelle-moi.Bel me in dat geval.

  89. le système[lə sistɛm]systeem

    Le système est en panne.Het systeem ligt plat.

  90. le pourcentage[lə puʁsɑ̃taʒ]percentage

    Le pourcentage d'élèves qui viennent à vélo augmente.Het percentage leerlingen dat met de fiets komt, stijgt.

  91. le gouvernement[lə ɡuvɛʁnəmɑ̃]regering

    Le gouvernement a annoncé de nouvelles mesures.De regering heeft nieuwe maatregelen aangekondigd.

  92. tenir[təniʁ]vasthouden, houden

    Tiens ce sac, s'il te plaît.Houd deze tas vast, alsjeblieft.

  93. la guerre[la ɡɛʁ]oorlog

    La guerre a duré quatre ans.De oorlog duurde vier jaar.

  94. national[nasjɔnal]nationaal

    C'est une fête nationale.Het is een nationale feestdag.

  95. le côté[lə kote]kant

    La pharmacie est de l'autre côté de la rue.De apotheek is aan de andere kant van de straat.

  96. fournir[fuʁniʁ]verstrekken, leveren

    L'hôtel fournit les serviettes.Het hotel verstrekt de handdoeken.

  97. le service[lə sɛʁvis]service, dienst

    Le service dans ce restaurant est excellent.De service in dit restaurant is uitstekend.

  98. le pouvoir[lə puvwaʁ]macht

    Le roi avait beaucoup de pouvoir.De koning had veel macht.

  99. la loi[la lwa]wet

    Il a enfreint la loi.Hij heeft de wet overtreden.

  100. continuer[kɔ̃tinɥe]doorgaan, voortzetten

    Après la pause, on continue le cours.Na de pauze gaan we door met de les.

801–900au moins, la communauté, diriger, public, social, permettre, le niveau, sûr …
  1. au moins[o mwɛ̃]tenminste, minstens

    Au moins, j'ai essayé.Ik heb het tenminste geprobeerd.

  2. la communauté[la kɔmynote]gemeenschap

    La communauté du village est très unie.De dorpsgemeenschap is erg hecht.

  3. diriger[diʁiʒe]leiden, besturen

    Elle dirige l'équipe.Zij leidt het team.

  4. public[pyblik]openbaar

    C'est un jardin public.Het is een openbare tuin.

  5. social[sɔsjal]sociaal

    Les réseaux sociaux sont très populaires.Sociale media zijn erg populair.

  6. permettre[pɛʁmɛtʁ]toestaan

    Mes parents me permettent de sortir le soir.Mijn ouders staan me toe om 's avonds uit te gaan.

  7. le niveau[lə nivo]niveau

    Mon niveau en anglais est assez bon.Mijn niveau Engels is best goed.

  8. sûr[syʁ]zeker

    Tu es sûr ?Weet je het zeker?

  9. bas[ba]laag

    La température est très basse ce matin.De temperatuur is vanochtend erg laag.

  10. offrir[ɔfʁiʁ]aanbieden, schenken

    Je t'offre un café.Ik bied je een koffie aan.

  11. la recherche[la ʁəʃɛʁʃ]onderzoek; zoektocht

    Elle travaille dans la recherche.Ze werkt in het onderzoek.

  12. le gars[lə ɡa]kerel, gast

    Ce gars est sympa.Die kerel is aardig.

  13. capable[kapabl]in staat, bekwaam

    Je suis capable de le faire seul.Ik ben in staat om het alleen te doen.

  14. le processus[lə pʁɔsesys]proces

    Apprendre une langue est un long processus.Een taal leren is een lang proces.

  15. apparaître[apaʁɛtʁ]verschijnen

    Le soleil est apparu derrière les nuages.De zon is achter de wolken verschenen.

  16. considérer[kɔ̃sideʁe]overwegen, beschouwen

    J'ai considéré toutes les options.Ik heb alle opties overwogen.

  17. l'éducation[ledykasjɔ̃]onderwijs, opvoeding

    L'éducation est très importante.Onderwijs is erg belangrijk.

  18. l'être humain[lɛtʁ ymɛ̃]mens

    L'être humain a besoin de dormir.De mens heeft slaap nodig.

  19. s'attendre à[satɑ̃dʁ a]verwachten

    Je ne m'attendais pas à ça !Dat had ik niet verwacht!

  20. servir[sɛʁviʁ]serveren; dienen

    Le serveur sert le café.De ober serveert de koffie.

  21. la mort[la mɔʁ]dood

    La mort de son grand-père l'a rendu triste.De dood van zijn opa maakte hem verdrietig.

  22. l'expérience[lɛkspeʁjɑ̃s]ervaring

    J'ai beaucoup d'expérience dans ce domaine.Ik heb veel ervaring op dit gebied.

  23. tuer[tɥe]doden

    Ce produit tue les moustiques.Dit product doodt muggen.

  24. atteindre[atɛ̃dʁ]bereiken

    Nous avons atteint le sommet de la montagne.We hebben de top van de berg bereikt.

  25. l'effet[lefɛ]effect, werking

    L'effet de ce médicament est rapide.Het effect van dit medicijn is snel.

  26. suggérer[syɡʒeʁe]voorstellen, aanraden

    Je te suggère de voir un médecin.Ik raad je aan naar een dokter te gaan.

  27. contrôler[kɔ̃tʁole]controleren; beheersen

    Le contrôleur contrôle les billets.De conducteur controleert de kaartjes.

  28. lever[ləve]optillen, opsteken

    Il lève la main pour poser une question.Hij steekt zijn hand op om een vraag te stellen.

  29. majeur[maʒœʁ]groot, belangrijk; meerderjarig

    C'est un problème majeur.Het is een groot probleem.

  30. eux-mêmes[ømɛm]zijzelf, zelf

    Ils l'ont fait eux-mêmes.Ze hebben het zelf gedaan.

  31. le champ[lə ʃɑ̃]veld, akker

    Le fermier travaille dans le champ.De boer werkt op het veld.

  32. le rôle[lə ʁol]rol

    Elle a un rôle important dans l'entreprise.Zij heeft een belangrijke rol in het bedrijf.

  33. mieux[mjø]beter

    Je me sens mieux aujourd'hui.Ik voel me vandaag beter.

  34. tout[tu]heel, al

    Toute la famille était là.De hele familie was er.

  35. la lumière[la lymjɛʁ]licht

    Tu peux allumer la lumière ?Kun je het licht aandoen?

  36. le cœur[lə kœʁ]hart

    Elle a un grand cœur.Ze heeft een groot hart.

  37. la voix[la vwa]stem

    Il a une voix très douce.Hij heeft een heel zachte stem.

  38. libre[libʁ]vrij

    Tu es libre ce soir ?Ben je vanavond vrij?

  39. clair[klɛʁ]duidelijk, helder; licht

    Ce n'est pas très clair pour moi.Het is me niet helemaal duidelijk.

  40. tirer[tiʁe]trekken

    Tirez la porte pour l'ouvrir.Trek aan de deur om hem te openen.

  41. lancer[lɑ̃se]gooien, werpen

    Lance-moi la balle, s'il te plaît.Gooi de bal naar me, alsjeblieft.

  42. jeter[ʒəte]weggooien; gooien

    Ne jette pas tes papiers par terre.Gooi je papiertjes niet op de grond.

  43. attraper[atʁape]vangen

    Le chien a attrapé la balle.De hond heeft de bal gevangen.

  44. frapper[fʁape]slaan, kloppen

    Quelqu'un frappe à la porte.Er klopt iemand op de deur.

  45. recevoir[ʁəsəvwaʁ]ontvangen, krijgen

    J'ai reçu un cadeau.Ik heb een cadeau gekregen.

  46. se rendre compte[sə ʁɑ̃dʁ kɔ̃t]beseffen

    Je me suis rendu compte que j'avais oublié mon téléphone.Ik besefte dat ik mijn telefoon vergeten was.

  47. augmenter[ɔɡmɑ̃te]toenemen, verhogen

    Le nombre de touristes augmente chaque été.Het aantal toeristen neemt elke zomer toe.

  48. impliquer[ɛ̃plike]betrekken, inhouden

    Ce projet implique beaucoup de personnes.Bij dit project zijn veel mensen betrokken.

  49. le futur[lə fytyʁ]toekomst

    Quels sont tes projets pour le futur ?Wat zijn je plannen voor de toekomst?

  50. la décision[la desizjɔ̃]beslissing

    J'ai pris une décision.Ik heb een beslissing genomen.

  51. le choix[lə ʃwa]keuze

    Tu as le choix entre le fromage et le dessert.Je hebt de keuze tussen kaas en een toetje.

  52. la chance[la ʃɑ̃s]geluk; kans

    Bonne chance pour ton examen !Veel succes met je examen!

  53. l'occasion[lɔkazjɔ̃]gelegenheid, kans

    J'ai eu l'occasion de voyager en France.Ik heb de kans gehad om naar Frankrijk te reizen.

  54. l'espoir[lɛspwaʁ]hoop

    Il ne faut pas perdre espoir.Je moet de hoop niet verliezen.

  55. le but[lə byt]doel

    Mon but est d'apprendre le français.Mijn doel is Frans leren.

  56. l'affaire[lafɛʁ]zaak, kwestie

    C'est une affaire grave.Het is een ernstige zaak.

  57. le soin[lə swɛ̃]zorg

    Elle prend soin de sa grand-mère.Ze zorgt voor haar oma.

  58. le soutien[lə sutjɛ̃]steun

    Merci pour ton soutien.Bedankt voor je steun.

  59. la relation[la ʁəlasjɔ̃]relatie

    J'ai une bonne relation avec mes collègues.Ik heb een goede relatie met mijn collega's.

  60. le couple[lə kupl]stel, paar

    C'est un couple très heureux.Het is een heel gelukkig stel.

  61. l'étape[letap]stap, etappe

    L'étape suivante est simple.De volgende stap is eenvoudig.

  62. le repos[lə ʁəpo]rust

    Après le travail, j'ai besoin de repos.Na het werk heb ik rust nodig.

  63. le sommet[lə sɔmɛ]top

    Le sommet de la montagne est enneigé.De top van de berg is besneeuwd.

  64. la vue[la vy]uitzicht; zicht

    De ma fenêtre, j'ai une belle vue sur la mer.Vanuit mijn raam heb ik een mooi uitzicht op zee.

  65. le point de vue[lə pwɛ̃ də vy]standpunt, oogpunt

    De mon point de vue, c'est une bonne idée.Vanuit mijn oogpunt is het een goed idee.

  66. la saison[la sɛzɔ̃]seizoen

    L'automne est ma saison préférée.De herfst is mijn favoriete seizoen.

  67. l'huile[lɥil]olie

    L'huile d'olive est très utilisée en cuisine.Olijfolie wordt veel gebruikt in de keuken.

  68. l'énergie[lenɛʁʒi]energie

    Aujourd'hui, je n'ai pas d'énergie.Vandaag heb ik geen energie.

  69. le site[lə sit]website, site; plek

    Tu trouveras les horaires sur le site du musée.Je vindt de openingstijden op de website van het museum.

  70. l'église[leɡliz]kerk

    Le dimanche, ils vont à l'église.Op zondag gaan ze naar de kerk.

  71. le patient[lə pasjɑ̃]patiënt

    Le patient a besoin de repos.De patiënt heeft rust nodig.

  72. probable[pʁɔbabl]waarschijnlijk

    Il est probable qu'il pleuve demain.Het is waarschijnlijk dat het morgen regent.

  73. récent[ʁesɑ̃]recent

    C'est une photo récente de ma famille.Het is een recente foto van mijn familie.

  74. unique[ynik]uniek; enig

    C'est une occasion unique.Het is een unieke kans.

  75. général[ʒeneʁal]algemeen

    La situation générale est calme.De algemene situatie is rustig.

  76. international[ɛ̃tɛʁnasjɔnal]internationaal

    C'est une entreprise internationale.Het is een internationaal bedrijf.

  77. médical[medikal]medisch

    J'ai besoin de soins médicaux.Ik heb medische zorg nodig.

  78. la position[la pozisjɔ̃]standpunt, positie

    Quelle est votre position sur ce sujet ?Wat is je standpunt over dit onderwerp?

  79. le département[lə depaʁtəmɑ̃]afdeling

    Il travaille dans le département des ventes.Hij werkt op de verkoopafdeling.

  80. le directeur[lə diʁɛktœʁ]directeur

    Le directeur a présenté le nouveau projet.De directeur heeft het nieuwe project gepresenteerd.

  81. le leader[lə lidœʁ]leider

    Le leader du groupe a pris la parole.De leider van de groep nam het woord.

  82. l'accord[lakɔʁ]akkoord, overeenkomst

    Ils ont trouvé un accord.Ze hebben een akkoord bereikt.

  83. les données[le dɔne]gegevens

    Les données montrent une hausse des ventes.De gegevens laten een stijging van de verkoop zien.

  84. le dossier[lə dosje]dossier, map

    J'ai trouvé le dossier dans l'armoire.Ik heb het dossier in de kast gevonden.

  85. le taux[lə to]percentage, tarief

    Le taux de chômage est en baisse.Het werkloosheidspercentage daalt.

  86. la figure[la fiɡyʁ]gezicht; figuur

    Il a de la peinture sur la figure.Hij heeft verf op zijn gezicht.

  87. la couverture[la kuvɛʁtyʁ]deken; omslag

    J'ai froid, tu me donnes une couverture ?Ik heb het koud, geef je me een deken?

  88. le terme[lə tɛʁm]term

    Je ne comprends pas ce terme.Ik begrijp die term niet.

  89. la matière[la matjɛʁ]materiaal, stof; vak

    Le bois est une matière naturelle.Hout is een natuurlijk materiaal.

  90. la source[la suʁs]bron

    La source de l'information est fiable.De bron van de informatie is betrouwbaar.

  91. la cause[la koz]oorzaak

    La cause de l'accident est encore inconnue.De oorzaak van het ongeluk is nog onbekend.

  92. la preuve[la pʁœv]bewijs

    Il n'y a aucune preuve contre lui.Er is geen enkel bewijs tegen hem.

  93. la condition[la kɔ̃disjɔ̃]conditie; voorwaarde

    Il est en bonne condition physique.Hij is in goede fysieke conditie.

  94. le comportement[lə kɔ̃pɔʁtəmɑ̃]gedrag

    Son comportement est inacceptable.Zijn gedrag is onaanvaardbaar.

  95. l'attention[latɑ̃sjɔ̃]aandacht

    Attention, la route est glissante !Let op, de weg is glad!

  96. l'esprit[lɛspʁi]geest

    J'ai l'esprit ailleurs.Ik ben met mijn gedachten ergens anders.

  97. le combat[lə kɔ̃ba]gevecht, strijd

    Le combat contre la maladie a été long.De strijd tegen de ziekte was lang.

  98. la drogue[la dʁɔɡ]drug

    La drogue est dangereuse pour la santé.Drugs zijn gevaarlijk voor de gezondheid.

  99. l'agent[laʒɑ̃]agent

    Un agent de police nous a aidés.Een politieagent heeft ons geholpen.

  100. l'auteur[lotœʁ]auteur, schrijver

    L'auteur de ce livre est très connu.De auteur van dit boek is erg bekend.

901–1000le siècle, la société, la population, développer, produire, l'industrie, la technologie, l'organisation …
  1. le siècle[lə sjɛkl]eeuw

    Nous vivons au XXIe siècle.We leven in de 21e eeuw.

  2. la société[la sɔsjete]samenleving, maatschappij; bedrijf

    La société évolue vite.De samenleving verandert snel.

  3. la population[la pɔpylasjɔ̃]bevolking

    La population de la ville augmente.De bevolking van de stad neemt toe.

  4. développer[devlɔpe]ontwikkelen

    L'entreprise développe de nouveaux produits.Het bedrijf ontwikkelt nieuwe producten.

  5. produire[pʁɔdɥiʁ]produceren

    Cette usine produit des voitures.Deze fabriek produceert auto's.

  6. l'industrie[lɛ̃dystʁi]industrie

    L'industrie automobile est très importante en France.De auto-industrie is erg belangrijk in Frankrijk.

  7. la technologie[la tɛknɔlɔʒi]technologie

    La technologie évolue rapidement.De technologie ontwikkelt zich snel.

  8. l'organisation[lɔʁɡanizasjɔ̃]organisatie

    L'organisation de la fête était parfaite.De organisatie van het feest was perfect.

  9. répondre[ʁepɔ̃dʁ]antwoorden, reageren

    Je vais répondre à votre question.Ik zal op je vraag antwoorden.

  10. simple[sɛ̃pl]eenvoudig, simpel

    C'est une tâche simple.Het is een eenvoudige taak.

  11. à l'extérieur[a lɛkstɛʁjœʁ]buiten

    Il m'attend à l'extérieur.Hij wacht buiten op me.

  12. à l'intérieur[a lɛ̃teʁjœʁ]binnen

    Il fait bon à l'intérieur.Het is lekker binnen.

  13. un peu[œ̃ pø]een beetje

    J'ai un peu faim.Ik heb een beetje honger.

  14. particulier[paʁtikylje]bijzonder, specifiek; particulier

    J'ai un problème particulier.Ik heb een specifiek probleem.

  15. en avant[ɑ̃n‿avɑ̃]vooruit, naar voren

    Il a fait un pas en avant.Hij deed een stap vooruit.

  16. la photographie[la fɔtɔɡʁafi]foto

    Il a pris une photographie de la mer.Hij heeft een foto van de zee genomen.

  17. la taille[la taj]maat; lengte

    Quelle taille faites-vous ?Welke maat hebt u?

  18. la qualité[la kalite]kwaliteit

    La qualité du produit est excellente.De kwaliteit van het product is uitstekend.

  19. la quantité[la kɑ̃tite]hoeveelheid

    La quantité de nourriture est suffisante.De hoeveelheid eten is voldoende.

  20. la sorte[la sɔʁt]soort

    Quelle sorte de musique aimes-tu ?Van wat voor soort muziek houd je?

  21. la direction[la diʁɛksjɔ̃]richting

    Nous allons dans la mauvaise direction.We gaan in de verkeerde richting.

  22. le degré[lə dəɡʁe]graad

    Il fait combien de degrés aujourd'hui ?Hoeveel graden is het vandaag?

  23. le signe[lə siɲ]teken

    C'est un bon signe.Dat is een goed teken.

  24. l'avis[lavi]mening

    Quel est ton avis ?Wat is jouw mening?

  25. la pensée[la pɑ̃se]gedachte

    Mes pensées étaient ailleurs.Mijn gedachten waren ergens anders.

  26. le souvenir[lə suvniʁ]herinnering

    J'ai de bons souvenirs de mon enfance.Ik heb goede herinneringen aan mijn jeugd.

  27. la mémoire[la memwaʁ]geheugen

    J'ai une bonne mémoire.Ik heb een goed geheugen.

  28. la connaissance[la kɔnɛsɑ̃s]kennis; kennis (persoon)

    Il a une grande connaissance de l'histoire.Hij heeft veel kennis van geschiedenis.

  29. la capacité[la kapasite]vermogen, capaciteit

    Il a la capacité de parler plusieurs langues.Hij heeft het vermogen om meerdere talen te spreken.

  30. l'avantage[lavɑ̃taʒ]voordeel

    Ce petit appartement a beaucoup d'avantages.Dit kleine appartement heeft veel voordelen.

  31. le caractère[lə kaʁaktɛʁ]karakter

    Ma sœur a un caractère fort.Mijn zus heeft een sterk karakter.

  32. le personnage[lə pɛʁsɔnaʒ]personage

    Le personnage principal du livre est un détective.Het hoofdpersonage van het boek is een detective.

  33. la maladie[la maladi]ziekte

    La grippe est une maladie.Griep is een ziekte.

  34. la douleur[la dulœʁ]pijn

    J'ai une douleur au bras.Ik heb pijn in mijn arm.

  35. le sang[lə sɑ̃]bloed

    Le sang est rouge.Bloed is rood.

  36. sauver[sove]redden

    Il a sauvé un enfant du feu.Hij heeft een kind uit het vuur gered.

  37. protéger[pʁɔteʒe]beschermen

    Il faut protéger la nature.We moeten de natuur beschermen.

  38. éviter[evite]vermijden

    J'essaie d'éviter les embouteillages.Ik probeer files te vermijden.

  39. enlever[ɑ̃lve]weghalen, uittrekken

    Il a enlevé ses chaussures.Hij heeft zijn schoenen uitgetrokken.

  40. contenir[kɔ̃təniʁ]bevatten

    Ce sac contient tous mes livres.Deze tas bevat al mijn boeken.

  41. découvrir[dekuvʁiʁ]ontdekken

    J'ai découvert un nouveau restaurant.Ik heb een nieuw restaurant ontdekt.

  42. reconnaître[ʁəkɔnɛtʁ]herkennen

    J'ai reconnu son visage.Ik herkende zijn gezicht.

  43. accepter[aksɛpte]accepteren, aannemen

    J'accepte votre invitation.Ik neem je uitnodiging aan.

  44. pousser[puse]duwen

    Poussez la porte pour entrer.Duw tegen de deur om binnen te komen.

  45. secouer[səkwe]schudden

    J'ai secoué la bouteille.Ik heb de fles geschud.

  46. monter[mɔ̃te]omhooggaan, stijgen, klimmen

    Les prix montent chaque année.De prijzen stijgen elk jaar.

  47. entrer[ɑ̃tʁe]binnenkomen, binnengaan

    Entrez, s'il vous plaît.Kom binnen, alsjeblieft.

  48. se disputer[sə dispyte]ruziemaken

    Les enfants se disputent tout le temps.De kinderen maken de hele tijd ruzie.

  49. s'inquiéter[sɛ̃kjete]zich zorgen maken

    Ne t'inquiète pas, tout va bien.Maak je geen zorgen, alles is goed.

  50. se concentrer[sə kɔ̃sɑ̃tʁe]zich concentreren

    Je me concentre sur mes études.Ik concentreer me op mijn studie.

  51. échouer[eʃwe]mislukken, zakken

    Il a échoué à l'examen.Hij is voor het examen gezakt.

  52. affecter[afɛkte]beïnvloeden

    La météo affecte mon humeur.Het weer beïnvloedt mijn humeur.

  53. réduire[ʁedɥiʁ]verminderen

    Je veux réduire le sucre.Ik wil minder suiker gebruiken.

  54. appliquer[aplike]toepassen, aanbrengen

    Il faut appliquer la crème sur la peau.Je moet de crème op de huid aanbrengen.

  55. gérer[ʒeʁe]beheren, leiden

    Il gère une petite entreprise.Hij leidt een klein bedrijf.

  56. agir[aʒiʁ]handelen

    Il faut agir vite.We moeten snel handelen.

  57. nécessaire[nesesɛʁ]noodzakelijk, nodig

    Le passeport est nécessaire pour le voyage.Het paspoort is nodig voor de reis.

  58. physique[fizik]lichamelijk, fysiek

    Le sport est bon pour la forme physique.Sport is goed voor de lichamelijke conditie.

  59. la fois[la fwa]keer, maal

    C'est la première fois que je viens ici.Het is de eerste keer dat ik hier kom.

  60. la série[la seʁi]serie

    J'aime beaucoup cette série.Ik vind deze serie erg leuk.

  61. la scène[la sɛn]scène; toneel, podium

    Les acteurs montent sur scène.De acteurs komen het toneel op.

  62. la course[la kuʁs]race, wedloop; boodschap

    Il a gagné la course.Hij heeft de race gewonnen.

  63. la formation[la fɔʁmasjɔ̃]opleiding

    Elle suit une formation de cuisinière.Ze volgt een opleiding tot kok.

  64. le rocher[lə ʁɔʃe]rots

    Il a grimpé sur le rocher.Hij klom op de rots.

  65. la goutte[la ɡut]druppel

    Une goutte d'eau est tombée sur ma main.Er viel een druppel water op mijn hand.

  66. la nature[la natyʁ]natuur

    Le week-end, on aime être dans la nature.In het weekend zijn we graag in de natuur.

  67. l'environnement[lɑ̃viʁɔnmɑ̃]milieu, omgeving

    Il est important de protéger l'environnement.Het is belangrijk om het milieu te beschermen.

  68. la région[la ʁeʒjɔ̃]regio, streek

    Cette région est connue pour son vin.Deze regio staat bekend om zijn wijn.

  69. le milliard[lə miljaʁ]miljard

    Le pays a plus d'un milliard d'habitants.Het land heeft meer dan een miljard inwoners.

  70. la paix[la pɛ]vrede

    Tout le monde veut la paix.Iedereen wil vrede.

  71. le roi[lə ʁwa]koning

    Le roi habite dans un château.De koning woont in een kasteel.

  72. l'armée[laʁme]leger

    Il a passé deux ans dans l'armée.Hij heeft twee jaar in het leger gezeten.

  73. l'arme[laʁm]wapen

    Il a une arme à la main.Hij heeft een wapen in zijn hand.

  74. attaquer[atake]aanvallen

    Le chien a attaqué le chat.De hond heeft de kat aangevallen.

  75. le crime[lə kʁim]misdaad, misdrijf

    Il a commis un crime grave.Hij heeft een ernstige misdaad gepleegd.

  76. l'avocat[lavɔka]advocaat

    Il a besoin d'un bon avocat.Hij heeft een goede advocaat nodig.

  77. l'employé[lɑ̃plwaje]werknemer

    L'entreprise a vingt employés.Het bedrijf heeft twintig werknemers.

  78. le responsable[lə ʁɛspɔ̃sabl]verantwoordelijke, manager

    Le responsable a annoncé les résultats.De verantwoordelijke maakte de resultaten bekend.

  79. l'expert[lɛkspɛʁ]expert, deskundige

    C'est un expert en informatique.Hij is een expert in informatica.

  80. le réseau[lə ʁezo]netwerk

    Il n'y a pas de réseau ici.Er is hier geen bereik.

  81. le rêve[lə ʁɛv]droom

    J'ai fait un rêve bizarre cette nuit.Ik heb vannacht een rare droom gehad.

  82. la peur[la pœʁ]angst

    Mon frère a peur des chiens.Mijn broer is bang voor honden.

  83. l'obscurité[lɔpskyʁite]duisternis, donker

    Les enfants ont peur de l'obscurité.De kinderen zijn bang in het donker.

  84. lourd[luʁ]zwaar

    Cette valise est trop lourde.Deze koffer is te zwaar.

  85. profond[pʁɔfɔ̃]diep

    L'eau est très profonde ici.Het water is hier erg diep.

  86. large[laʁʒ]breed

    Cette rue est très large.Deze straat is erg breed.

  87. normal[nɔʁmal]normaal

    C'est normal de faire des erreurs au début.Het is normaal om in het begin fouten te maken.

  88. indépendant[ɛ̃depɑ̃dɑ̃]onafhankelijk, zelfstandig

    Ma fille veut être indépendante.Mijn dochter wil zelfstandig zijn.

  89. spécifique[spesifik]specifiek

    Vous avez une question spécifique ?Heb je een specifieke vraag?

  90. toucher[tuʃe]aanraken

    S'il te plaît, ne touche pas le tableau.Raak het schilderij alsjeblieft niet aan.

  91. remarquer[ʁəmaʁke]opmerken, merken

    Je n'ai pas remarqué l'erreur.Ik heb de fout niet opgemerkt.

  92. mentionner[mɑ̃sjɔne]noemen, vermelden

    Il n'a pas mentionné son projet.Hij heeft zijn plan niet genoemd.

  93. cacher[kaʃe]verbergen, verstoppen

    Il a caché le cadeau sous le lit.Hij heeft het cadeau onder het bed verstopt.

  94. blesser[blese]verwonden, bezeren

    Je me suis blessé au pied en jouant au foot.Ik heb mijn voet bezeerd bij het voetballen.

  95. faire mal[fɛʁ mal]pijn doen

    Aïe, ça me fait mal !Au, dat doet pijn!

  96. battre[batʁ]slaan, kloppen; verslaan

    Mon cœur bat plus vite.Mijn hart klopt sneller.

  97. remplacer[ʁɑ̃plase]vervangen

    Nous devons remplacer la vieille lampe.We moeten de oude lamp vervangen.

  98. refuser[ʁəfyze]weigeren, afslaan

    Elle a refusé l'offre de travail.Ze heeft het baanaanbod afgeslagen.

  99. empêcher[ɑ̃peʃe]verhinderen, beletten

    Le bruit m'empêche de dormir.Het lawaai belet me te slapen.

  100. exprimer[ɛkspʁime]uiten, uitdrukken

    C'est difficile d'exprimer ses sentiments dans une autre langue.Het is moeilijk om je gevoelens in een andere taal te uiten.

Leer deze woorden met flashcards

Zo leer je de Franse woorden van deze lijst

Lees honderd woorden, verberg de vertalingen en kijk welke je al kent. Zeg ze daarna hardop: in het Frans is een woord dat je kunt lezen nog geen woord dat je kunt verstaan.

De woorden die je niet kent, blijven alleen hangen als je ze opnieuw tegenkomt, in zinnen die iets betekenen. De Franse verhalen voor beginners op Lingard zijn met dit soort woorden geschreven: tik op een woord en je ziet wat het in die zin betekent, bewaar het en het komt terug in korte herhalingen tot je het kent.

In het Frans is de transcriptie belangrijker dan waar ook, want eindletters spreek je meestal niet uit: de p van beaucoup, de t van petit, de s van trois. Lees elk nieuw woord samen met zijn transcriptie.

Vragen over de lijst

Hoeveel woorden heb ik nodig om Frans te spreken?
De duizend meest voorkomende woorden van een taal vormen ongeveer driekwart van een gewone tekst. Deze lijst ligt dicht bij die kern, dus het is de juiste plek om te beginnen. Om een film te volgen of een roman te lezen heb je er nog een paar duizend meer nodig.
Staat deze lijst met Franse woorden op volgorde van frequentie?
Op volgorde van nut voor wie de taal leert. De lijst volgt de verzamelingen ‘Nuttigste woorden’ voor A1 en daarna A2: eerst de meest voorkomende woorden, daarna alledaagse zelfstandige naamwoorden als le vélo en le sandwich. Het is geen kale telling in een corpus van het Frans.
Wat komt er na de eerste duizend Franse woorden?
De rest van A2, dan B1, B2 en C1: in totaal ongeveer 4.300 woorden, in dezelfde verzamelingen in de app. En ga dan lezen: een Frans verhaal op A2 laat je horen hoe deze woorden samen klinken en hoe de korte met het volgende woord samensmelten, zoals in l'ami of j'ai.

Andere talen: De 1000 meest gebruikte Engelse woordenDe 1000 meest gebruikte Spaanse woordenDe 1000 meest gebruikte Duitse woorden