Lingard
Alle Franse boeken
Frans · A1–A2

De 1000 meest gebruikte Franse woorden

De eerste 1000 Franse woorden voor wie de taal leert, op volgorde: elk met uitspraak, Nederlandse vertaling en een voorbeeldzin. Lees de lijst en kom de woorden daarna tegen in verhalen.

Gratis beginnen

De Franse woorden die je als eerste leert

Frans ziet er op papier vertrouwd uit en klinkt als een andere taal. De woorden die je als eerste nodig hebt zijn de kleine, être, avoir, je en mais, en daarmee beginnen de duizend op deze pagina. Ze komen uit de verzamelingen ‘Nuttigste woorden’ van Lingard voor de niveaus A1 en A2, in de volgorde waarin de app ze aanbiedt, en bij elk woord staan de uitspraak, de vertaling en een zin die laat zien hoe je het gebruikt.

Elk zelfstandig naamwoord staat er met un of une: un stylo, une jupe, un vélo. Leer het geslacht als deel van het woord, want bijvoeglijke naamwoorden en voornaamwoorden richten zich ernaar.

De lijst, honderd woorden per keer

1–100être, dans, avoir, il, je, cela, vous, on …
  1. être[ɛtʁ]zijn

    Je suis ici.Ik ben hier.

  2. dans[dɑ̃]in

    Le livre est dans la bibliothèque.Het boek is in de bibliotheek.

  3. avoir[avwaʁ]hebben

    J'ai un chat.Ik heb een kat.

  4. il[il]het

    Il pleut.Het regent.

  5. je[ʒə]ik

    Je suis fatigué.Ik ben moe.

  6. cela[səla]dat

    Cela est vrai.Dat is waar.

  7. vous[vu]u, jullie

    Vous êtes français?Bent u Frans?

  8. on[ɔ̃]men, je, we

    On parle français ici.Hier spreekt men Frans.

  9. faire[fɛʁ]doen

    Je fais du vélo.Ik fiets.

  10. dire[diʁ]zeggen

    Je dis bonjour.Ik zeg hallo.

  11. ils[il]zij

    Ils sont amis.Zij zijn vrienden.

  12. ceci[səsi]dit

    Ceci est un stylo.Dit is een pen.

  13. mais[mɛ]maar

    Je veux aller au cinéma, mais je suis fatigué.Ik wil naar de bioscoop, maar ik ben moe.

  14. à[a]in, naar

    Je suis à la maison.Ik ben thuis.

  15. nous[nu]wij

    Nous sommes heureux.We zijn gelukkig.

  16. ne...pas[nə...pa]niet

    Je ne suis pas fatigué.Ik ben niet moe.

  17. elle[ɛl]zij

    Elle est belle.Zij is mooi.

  18. comme[kɔm]als, zoals

    Elle est belle comme une rose.Ze is zo mooi als een roos.

  19. aller[ale]gaan

    Je vais au cinéma.Ik ga naar de bioscoop.

  20. vouloir[vulwaʁ]willen

    Je veux un café.Ik wil een koffie.

  21. pouvoir[puvwaʁ]kunnen

    Je peux parler français.Ik kan Frans spreken.

  22. obtenir[ɔbtəniʁ]verkrijgen

    J'ai obtenu un bon résultat.Ik heb een goed resultaat behaald.

  23. souhaiter[swete]wensen, graag willen

    Je souhaite réserver une table.Ik wil graag een tafel reserveren.

  24. la[la]haar

    Je la vois tous les jours.Ik zie haar elke dag.

  25. préparer[pʁepaʁe]voorbereiden, klaarmaken

    Je prépare le dîner.Ik maak het avondeten klaar.

  26. savoir[savwaʁ]weten

    Je sais parler français.Ik kan Frans spreken.

  27. là[la]daar

    Le livre est là.Het boek ligt daar.

  28. un[œ̃]een, één

    J'ai un livre.Ik heb een boek.

  29. haut[o]hoog

    L'oiseau vole haut.De vogel vliegt hoog.

  30. temps[tɑ̃]tijd

    Il est temps d'y aller.Het is tijd om te gaan.

  31. l'année[ane]jaar

    L'année prochaine, je vais voyager en France.Volgend jaar ga ik naar Frankrijk reizen.

  32. donc[dɔ̃k]dus

    Il fait froid, donc je vais mettre un manteau.Het is koud, dus ik trek een jas aan.

  33. penser[pɑ̃se]denken

    Je pense que tu as raison.Ik denk dat je gelijk hebt.

  34. voir[vwaʁ]zien

    Je vois un chat.Ik zie een kat.

  35. eux[ø]hen, ze

    J'ai vu mes amis et je suis parti avec eux.Ik heb mijn vrienden gezien en ik ben met hen weggegaan.

  36. les gens[le ʒɑ̃]mensen

    Les gens aiment le chocolat.Mensen houden van chocolade.

  37. prendre[pʁɑ̃dʁ]nemen, pakken

    Prends ce livre, s'il te plaît.Neem dit boek, alsjeblieft.

  38. moi[mwa]mij

    Regarde-moi.Kijk naar mij.

  39. dehors[dǝ.ɔʁ]buiten

    Il fait beau dehors.Het is mooi weer buiten.

  40. lui[lɥi]hem

    J'ai rencontré un homme, et je lui ai parlé.Ik heb een man ontmoet en ik heb met hem gepraat.

  41. venir[və.niʁ]komen

    Viens ici, s'il te plaît.Kom hier, alsjeblieft.

  42. maintenant[mɛ̃.tə.nɑ̃]nu

    Je dois y aller maintenant.Ik moet nu gaan.

  43. aimer[ɛ.me]houden van

    J'aime le chocolat.Ik hou van chocolade.

  44. autre[o.tʁ]ander

    Je veux une autre boisson.Ik wil een ander drankje.

  45. puis[pɥi]daarna, dan

    J'ai mangé, puis j'ai dormi.Ik heb gegeten, daarna heb ik geslapen.

  46. son[sɔ̃]zijn

    Le chat a perdu son collier.De kat is zijn halsband kwijtgeraakt.

  47. deux[dø]twee

    J'ai deux frères.Ik heb twee broers.

  48. plus[plys]meer

    Je veux plus de pain.Ik wil meer brood.

  49. préférer[pʁe.fe.ʁe]verkiezen, liever hebben

    Je préfère le thé au café.Ik heb liever thee dan koffie.

  50. chemin[ʃə.mɛ̃]weg

    Quel est le chemin le plus court?Wat is de kortste weg?

  51. non[nɔ̃]nee

    Non, merci.Nee, dank je.

  52. regarder[ʁə.ɡaʁ.de]kijken

    Regarde ce beau paysage!Kijk naar dit mooie landschap!

  53. premier[pʁə.mje]eerste

    J'ai rencontré mon premier amour à l'école.Ik heb mijn eerste liefde op school ontmoet.

  54. nouveau[nu.vo]nieuw

    J'ai acheté une nouvelle voiture.Ik heb een nieuwe auto gekocht.

  55. jour[ʒuʁ]dag

    Je travaille huit heures par jour.Ik werk acht uur per dag.

  56. utiliser[y.ti.li.ze]gebruiken

    Tu peux utiliser ton téléphone pour appeler.Je kunt je telefoon gebruiken om te bellen.

  57. homme[ɔm]man

    L'homme a souri.De man glimlachte.

  58. ici[i.si]hier

    Viens ici, s'il te plaît.Kom hier, alsjeblieft.

  59. trouver[tʁu.ve]vinden

    J'ai trouvé un billet de 10 euros.Ik heb een briefje van 10 euro gevonden.

  60. donner[dɔ.ne]geven

    Donne-moi ton numéro de téléphone.Geef me je telefoonnummer.

  61. une chose[yn ʃoz]ding, zaak

    C'est une chose importante.Het is een belangrijke zaak.

  62. bien[bjɛ̃]goed

    Je vais bien, merci.Het gaat goed met me, dank je.

  63. raconter[ʁa.kɔ̃.te]vertellen

    Raconte-moi une histoire.Vertel me een verhaal.

  64. même[mɛm]zelfs

    Même les enfants savent ça.Zelfs kinderen weten dat.

  65. en arrière[ɑ̃ aʁjɛʁ]achteruit, terug

    Fais un pas en arrière.Doe een stap achteruit.

  66. bon[bɔ̃]goed

    C'est un bon livre.Het is een goed boek.

  67. une femme[yn fɑm]vrouw

    La femme est belle.De vrouw is mooi.

  68. la vie[la vi]leven

    La vie est courte.Het leven is kort.

  69. un enfant[œ̃n‿ɑ̃fɑ̃]kind

    L'enfant joue dans le jardin.Het kind speelt in de tuin.

  70. en bas[ɑ̃ ba]beneden

    Il est allé en bas.Hij ging naar beneden.

  71. le travail[lə travaj]werk

    J'aime mon travail.Ik hou van mijn werk.

  72. après[apʁɛ]na

    Après le travail, je vais à la gym.Na het werk ga ik naar de sportschool.

  73. appeler[apele]bellen

    Je l'ai appelé hier.Ik heb hem gisteren gebeld.

  74. peut-être[pøteːtʁ]misschien

    Peut-être qu'il viendra.Misschien komt hij.

  75. le monde[lə mɔ̃d]wereld

    Le monde est grand.De wereld is groot.

  76. sur[syʁ]op

    Le chat saute sur la table.De kat springt op de tafel.

  77. toujours[tuʒuʁ]altijd, nog steeds

    Je suis toujours là.Ik ben er nog steeds.

  78. essayer[eseje]proberen

    J'essaie d'apprendre le français.Ik probeer Frans te leren.

  79. l'école[lekɔl]school

    J'aime aller à l'école.Ik ga graag naar school.

  80. demander[dəmɑ̃de]vragen

    Je lui ai demandé son nom.Ik heb hem naar zijn naam gevraagd.

  81. avoir besoin[avwaʁ bəzɛ̃]nodig hebben

    J'ai besoin d'aide.Ik heb hulp nodig.

  82. trois[tʁwa]drie

    Il y a trois personnes dans la pièce.Er zijn drie mensen in de kamer.

  83. sentir[sɑ̃tiʁ]voelen

    Je me sens bien aujourd'hui.Ik voel me vandaag goed.

  84. devenir[dəvəniʁ]worden

    Elle est devenue médecin.Ze is arts geworden.

  85. quelque chose[kɛlkə ʃoz]iets

    Il y a quelque chose de bizarre.Er is iets vreemds aan de hand.

  86. beaucoup[boku]veel

    Il y a beaucoup de gens ici.Er zijn hier veel mensen.

  87. propre[pʁɔpʁ]eigen

    C'est ma propre voiture.Het is mijn eigen auto.

  88. la famille[la famij]familie

    Ma famille est importante pour moi.Mijn familie is belangrijk voor mij.

  89. la maison[la mɛzɔ̃]huis

    La maison est grande.Het huis is groot.

  90. quitter[kite]verlaten, weggaan

    Je quitte le travail à 17h.Ik vertrek om 17.00 uur van het werk.

  91. mettre[mɛtʁ]zetten, leggen

    Je mets mes clés dans mon sac.Ik stop mijn sleutels in mijn tas.

  92. vieux[vjø]oud

    Il a un vieux livre.Hij heeft een oud boek.

  93. signifier[siɲife]betekenen

    Qu'est-ce que cela signifie ?Wat betekent dat?

  94. laisser[lɛse]laten

    Laisse-moi tranquille.Laat me met rust.

  95. pourquoi[puʁkwa]waarom

    Pourquoi es-tu en retard ?Waarom ben je te laat?

  96. garder[ɡaʁde]houden, bewaren

    Garde ce secret pour toi.Houd dit geheim voor jezelf.

  97. le même[lə mɛm]dezelfde, hetzelfde

    Ils portent le même t-shirt.Ze dragen hetzelfde T-shirt.

  98. génial[ʒenjal]geweldig

    C'est un film génial !Het is een geweldige film!

  99. commencer[kɔmɑ̃se]beginnen

    Le cours commence à 9h.De les begint om 9 uur.

  100. grand[ɡʁɑ̃]groot

    C'est un grand chien.Het is een grote hond.

101–200un groupe, un pays, parler, un problème, tourner, un élève, une main, aider …
  1. un groupe[œ̃ ɡʁup]groep

    Il y a un groupe de musiciens.Er is een groep muzikanten.

  2. un pays[œ̃ pɛi]land

    La France est un beau pays.Frankrijk is een mooi land.

  3. parler[paʁle]spreken, praten

    Je parle français.Ik spreek Frans.

  4. un problème[œ̃ pʁɔblɛm]probleem

    J'ai un problème avec mon ordinateur.Ik heb een probleem met mijn computer.

  5. tourner[tuʁne]draaien, afslaan

    Tourne à gauche au prochain carrefour.Sla linksaf bij het volgende kruispunt.

  6. un élève[œ̃ elɛv]leerling

    C'est un bon élève.Hij is een goede leerling.

  7. une main[yn mɛ̃]hand

    Lève la main.Steek je hand op.

  8. aider[ɛde]helpen

    Peux-tu m'aider à faire mes devoirs ?Kun je me helpen met mijn huiswerk?

  9. démarrer[de.ma.ʁe]starten

    La voiture ne démarre pas.De auto wil niet starten.

  10. une partie[yn paʁti]deel

    Une partie de la ville est en travaux.Aan een deel van de stad wordt gewerkt.

  11. montrer[mɔ̃tʁe]tonen, laten zien

    Montre-moi ton nouveau téléphone.Laat me je nieuwe telefoon zien.

  12. un lieu[œ̃ ljø]plaats, plek

    C'est un lieu magnifique.Het is een prachtige plek.

  13. une ville[yn vil]stad

    Paris est une grande ville.Parijs is een grote stad.

  14. quelques[kɛlk]enkele, een paar

    J'ai quelques amis.Ik heb een paar vrienden.

  15. une semaine[yn səmɛn]week

    Je travaille cinq jours par semaine.Ik werk vijf dagen per week.

  16. une entreprise[yn ɑ̃tʁəpʁiz]bedrijf

    Il travaille dans une grande entreprise.Hij werkt bij een groot bedrijf.

  17. entendre[ɑ̃tɑ̃dʁ]horen

    J'entends du bruit.Ik hoor lawaai.

  18. une question[yn kɛstjɔ̃]vraag

    J'ai une question.Ik heb een vraag.

  19. droit[dʁwa]recht

    C'est le chemin droit.Het is de rechte weg.

  20. un programme[œ̃ pʁɔɡʁam]programma

    J'ai téléchargé un nouveau programme.Ik heb een nieuw programma gedownload.

  21. courir[kuʁiʁ]rennen, hardlopen

    J'aime courir le matin.Ik ren graag ’s ochtends.

  22. un nombre[œ̃ nɔ̃bʁ]getal, aantal

    Quel est le nombre d'élèves dans la classe ?Wat is het aantal leerlingen in de klas?

  23. petit[pəti]klein

    C'est un petit village.Het is een klein dorp.

  24. jouer[ʒwe]spelen

    J'aime jouer au football.Ik speel graag voetbal.

  25. le mouvement[muv.mɑ̃]beweging

    Le mouvement du train était lent.De beweging van de trein was traag.

  26. la nuit[nɥi]nacht

    Il a dormi toute la nuit.Hij heeft de hele nacht geslapen.

  27. croire[krwaʁ]geloven

    Je crois qu'il a raison.Ik geloof dat hij gelijk heeft.

  28. aujourd'hui[oʒuʁ.dwi]vandaag

    Aujourd'hui, il fait beau.Vandaag is het mooi weer.

  29. le point[pwẽ]punt

    Le point d'arrivée est là.Het aankomstpunt is daar.

  30. vivre[viːvʁ]leven, wonen

    Ils vivent dans une petite ville.Ze wonen in een kleine stad.

  31. se produire[sə pʁɔ.dɥiʁ]gebeuren

    Quelque chose de grave s'est produit.Er is iets ernstigs gebeurd.

  32. apporter[apɔʁ.te]meebrengen, brengen

    Peux-tu apporter le pain ?Kun je het brood meebrengen?

  33. énorme[e.nɔʁm]enorm

    Ce chien est énorme.Die hond is enorm.

  34. devoir[də.vwaʁ]moeten

    Tu dois finir tes devoirs.Je moet je huiswerk afmaken.

  35. l'appartement[a.paʁ.tə.mɑ̃]appartement

    J'habite dans un petit appartement.Ik woon in een klein appartement.

  36. la pièce[pjɛs]kamer

    Il y a trois pièces dans l'appartement.Het appartement heeft drie kamers.

  37. le fait[fɛ]feit

    C'est un fait connu.Het is een bekend feit.

  38. la zone[zɔn]gebied, zone

    La zone est interdite.Het gebied is verboden terrein.

  39. écrire[ekʁiːʁ]schrijven

    J'écris une lettre.Ik schrijf een brief.

  40. l'argent[aʁ.ʒɑ̃]geld

    J'ai besoin d'argent.Ik heb geld nodig.

  41. l'histoire[is.twaʁ]verhaal, geschiedenis

    L'histoire est fascinante.Het verhaal is fascinerend.

  42. l'eau[o]water

    J'ai soif, je veux de l'eau.Ik heb dorst, ik wil water.

  43. la mère[mɛːʁ]moeder

    Ma mère est gentille.Mijn moeder is lief.

  44. jeune[ʒœn]jong

    Il est jeune et plein d'énergie.Hij is jong en vol energie.

  45. le mois[mwa]maand

    Le mois de juillet est mon mois préféré.De maand juli is mijn favoriete maand.

  46. le livre[livʁ]boek

    J'ai lu un bon livre hier.Ik heb gisteren een goed boek gelezen.

  47. l'œil[œj]oog

    J'ai les yeux bleus.Ik heb blauwe ogen.

  48. l'étude[etyd]studie

    L'étude des langues est utile.De studie van talen is nuttig.

  49. le mot[mo]woord

    Je ne connais pas ce mot.Ik ken dit woord niet.

  50. l'affaire[afaʁ]zaak

    J'ai ma propre affaire.Ik heb mijn eigen zaak.

  51. la tête[tɛt]hoofd

    J'ai mal à la tête.Ik heb hoofdpijn.

  52. loin[lwa]ver

    C'est loin d'ici.Het is ver hiervandaan.

  53. long[lɔ̃]lang

    J'ai les cheveux longs.Ik heb lang haar.

  54. noir[nwaʁ]zwart

    J'aime le noir.Ik hou van zwart.

  55. un million[miljɔ̃]miljoen

    Il y a un million de personnes dans cette ville.Er zijn een miljoen mensen in deze stad.

  56. oui[wi]ja

    Oui, je suis d'accord.Ja, ik ben het ermee eens.

  57. s'asseoir[saswaʁ]gaan zitten

    Asseyez-vous ici.Ga hier zitten.

  58. l'ami[ami]vriend

    C'est mon ami.Dat is mijn vriend.

  59. le père[pɛʁ]vader

    Mon père est gentil.Mijn vader is aardig.

  60. l'heure[œʁ]uur

    Il est 5 heures du matin.Het is 5 uur ’s ochtends.

  61. la ligne[liɲ]lijn

    Écrivez votre nom sur la ligne.Schrijf je naam op de lijn.

  62. la fin[fɛ̃]einde

    La fin du film était triste.Het einde van de film was verdrietig.

  63. se tenir debout[sə tənɪr dəbu]staan

    Tenez-vous debout.Ga staan.

  64. le jeu[ʒø]spel

    J'aime jouer aux jeux vidéo.Ik speel graag videogames.

  65. perdre[pɛʁdʁ]verliezen

    J'ai perdu mon téléphone.Ik ben mijn telefoon kwijtgeraakt.

  66. mauvais[mo.vɛ]slecht

    C'est un mauvais film.Het is een slechte film.

  67. le membre[mɑ̃bʁ]lid

    Je suis membre de ce club.Ik ben lid van deze club.

  68. rencontrer[ʁɑ̃kɔ̃tʁe]ontmoeten

    Je vais rencontrer mon ami.Ik ga mijn vriend ontmoeten.

  69. payer[peje]betalen

    J'ai payé le café.Ik heb de koffie betaald.

  70. la voiture[vwa.tyʁ]auto

    J'ai une nouvelle voiture.Ik heb een nieuwe auto.

  71. le nom[nɔ̃]naam

    Quel est votre nom ?Wat is je naam?

  72. l'inclusion[ɛ̃klɥzyɔ̃]inclusie

    L'inclusion est importante dans une société.Inclusie is belangrijk in een samenleving.

  73. cinq[sɛ̃k]vijf

    Il y a cinq personnes dans la pièce.Er zijn vijf mensen in de kamer.

  74. le centre[sɑ̃tʁ]centrum

    Le centre-ville est très animé.Het stadscentrum is erg levendig.

  75. l'université[yniveʁsite]universiteit

    J'ai étudié à l'université de Paris.Ik heb aan de universiteit van Parijs gestudeerd.

  76. réel[ʁe.ɛl]echt

    C'est un problème réel.Het is een echt probleem.

  77. blanc[blɑ̃]wit

    La neige est blanche.De sneeuw is wit.

  78. le changement[ʃɑ̃ʒmɑ̃]verandering

    Le changement est inévitable.Verandering is onvermijdelijk.

  79. l'information[ɛ̃fɔʁmasjɔ̃]informatie

    Je recherche des informations sur ce sujet.Ik zoek informatie over dit onderwerp.

  80. rien[ʁjɛ̃]niets

    Il n'y a rien dans le réfrigérateur.Er zit niets in de koelkast.

  81. le meilleur[lœ.mɛ.jœʁ]best

    C'est le meilleur restaurant de la ville.Het is het beste restaurant van de stad.

  82. l'idée[ide]idee

    J'ai une idée pour le projet.Ik heb een idee voor het project.

  83. le corps[kɔʁ]lichaam

    Le corps humain est complexe.Het menselijk lichaam is complex.

  84. apprendre[apʁɑ̃dʁ]leren

    J'apprends le français.Ik leer Frans.

  85. une minute[mynyt]minuut

    Attendez une minute.Wacht een minuut.

  86. la table[tabl]tafel

    La table est en bois.De tafel is van hout.

  87. comprendre[kɔ̃.pʁɑ̃dʁ]begrijpen

    Je ne comprends pas.Ik begrijp het niet.

  88. l'équipe[ekip]team

    L'équipe a gagné le match.Het team heeft de wedstrijd gewonnen.

  89. suivre[sɥivʁ]volgen

    Suivez les instructions.Volg de instructies.

  90. arrêter[aʁɛte]stoppen

    Arrêtez de parler.Stop met praten.

  91. le visage[vizaʒ]gezicht

    Il a un beau visage.Hij heeft een mooi gezicht.

  92. le parent[paʁɑ̃]ouder

    Les parents de Marie sont très gentils.De ouders van Marie zijn erg aardig.

  93. créer[kʁe.e]creëren

    Elle crée des œuvres d'art.Zij creëert kunstwerken.

  94. le bureau[byʁo]kantoor

    J'ai un bureau à Paris.Ik heb een kantoor in Parijs.

  95. lire[liʁ]lezen

    J'aime lire des romans.Ik lees graag romans.

  96. passer[pase]doorbrengen

    J'ai passé la journée à la plage.Ik heb de dag op het strand doorgebracht.

  97. la personne[pɛʁsɔn]persoon

    Cette personne est très intéressante.Deze persoon is erg interessant.

  98. la porte[pɔʁt]deur

    Fermez la porte, s'il vous plaît.Doe de deur dicht, alsjeblieft.

  99. bien sûr[bjɛ̃ syʁ]natuurlijk

    Bien sûr, je peux vous aider.Natuurlijk, ik kan je helpen.

  100. ajouter[a.ʒu.te]toevoegen

    J'ai ajouté du sel à la soupe.Ik heb zout aan de soep toegevoegd.

201–300la rue, la fête, grandir, la raison, le matin, ouvrir, marcher, les nouvelles …
  1. la rue[la ʁy]straat

    Il habite dans la rue principale.Hij woont in de hoofdstraat.

  2. la fête[la fɛt]feest

    Il y a une fête chez les voisins.Er is een feest bij de buren.

  3. grandir[ɡʁɑ̃.diʁ]groeien

    Les enfants grandissent si vite.Kinderen groeien zo snel op.

  4. la raison[la ʁɛ.zɔ̃]reden

    Quelle est la raison de ton retard ?Wat is de reden dat je te laat bent?

  5. le matin[lə ma.tɛ̃]ochtend

    Je me lève tôt le matin.Ik sta ’s ochtends vroeg op.

  6. ouvrir[u.vʁiʁ]openen

    Veuillez ouvrir la porte.Open alsjeblieft de deur.

  7. marcher[maʁ.ʃe]lopen, wandelen

    J'aime marcher dans le parc.Ik wandel graag in het park.

  8. les nouvelles[le nu.vɛl]nieuws

    J'ai entendu les nouvelles à la radio.Ik heb het nieuws op de radio gehoord.

  9. la santé[la sɑ̃.te]gezondheid

    Il faut prendre soin de sa santé.Je moet goed voor je gezondheid zorgen.

  10. tôt[to]vroeg

    Je me suis réveillé tôt ce matin.Ik ben vanochtend vroeg wakker geworden.

  11. l'air[lɛʁ]lucht

    L'air frais est bon pour la santé.Frisse lucht is goed voor de gezondheid.

  12. l'art[laʁ]kunst

    J'aime beaucoup l'art moderne.Ik hou erg van moderne kunst.

  13. le résultat[lə ʁe.zyl.ta]resultaat, uitslag

    Le résultat du match est 2-1.De uitslag van de wedstrijd is 2-1.

  14. le moment[lə mo.mɑ̃]moment

    C'est un moment important de ma vie.Het is een belangrijk moment in mijn leven.

  15. se souvenir[sə su.və.niʁ]zich herinneren

    Je me souviens de ton anniversaire.Ik herinner me je verjaardag.

  16. assez[a.se]genoeg

    J'ai assez mangé, merci.Ik heb genoeg gegeten, dank je.

  17. la fille[la fij]meisje

    La fille est très gentille.Het meisje is heel aardig.

  18. le garçon[lə ɡaʁ.sɔ̃]jongen

    Le garçon a une voiture rouge.De jongen heeft een rode auto.

  19. gagner[ɡa.ɲe]winnen

    Il a gagné le concours de chant.Hij heeft de zangwedstrijd gewonnen.

  20. la nourriture[la nu.ʁi.tyʁ]eten, voedsel

    La nourriture est excellente.Het eten is uitstekend.

  21. la seconde[la sə.gɔ̃d]seconde

    Attendez une seconde.Wacht een seconde.

  22. l'âge[laʒ]leeftijd

    Quel est votre âge ?Wat is je leeftijd?

  23. l'amour[lamuʁ]liefde

    L'amour est un sentiment puissant.Liefde is een krachtig gevoel.

  24. acheter[aʃte]kopen

    Je veux acheter un nouveau téléphone.Ik wil een nieuwe telefoon kopen.

  25. attendre[atɑ̃dʁ]wachten

    J'attends le bus.Ik wacht op de bus.

  26. mourir[muʁiʁ]sterven

    Tous les humains finissent par mourir.Alle mensen sterven uiteindelijk.

  27. envoyer[ɑ̃vwa.je]sturen

    J'ai envoyé un email à mon ami.Ik heb een e-mail naar mijn vriend gestuurd.

  28. l'enseignant[lɑ̃seɲɑ̃]leraar

    Mon enseignant est très gentil.Mijn leraar is erg aardig.

  29. le marché[lə maʁʃe]markt

    J'aime aller au marché pour acheter des fruits et légumes frais.Ik ga graag naar de markt om verse groente en fruit te kopen.

  30. rester[ʁɛste]blijven

    Je veux rester à Paris pendant une semaine.Ik wil een week in Parijs blijven.

  31. construire[kɔ̃stʁuiʁ]bouwen

    Ils construisent une nouvelle école dans le quartier.Ze bouwen een nieuwe school in de wijk.

  32. tomber[tɔ̃be]vallen

    Je suis tombé et je me suis cassé la jambe.Ik ben gevallen en heb mijn been gebroken.

  33. oh[o]oh

    Oh, c'est magnifique !Oh, dat is prachtig!

  34. le plan[lə plɑ̃]plan

    Quel est votre plan pour le week-end ?Wat is je plan voor het weekend?

  35. l'intérêt[lɛ̃teʁɛ]interesse

    J'ai un grand intérêt pour l'histoire.Ik heb een grote interesse in geschiedenis.

  36. quelqu'un[kɛlkœ̃]iemand

    Quelqu'un a sonné à la porte.Er heeft iemand aangebeld.

  37. couper[kupe]snijden

    J'ai coupé le pain en tranches.Ik heb het brood in sneetjes gesneden.

  38. derrière[dɛʁjɛʁ]achter

    La voiture est garée derrière la maison.De auto staat achter het huis geparkeerd.

  39. six[sis]zes

    Il y a six personnes dans la pièce.Er zijn zes mensen in de kamer.

  40. local[lɔkal]lokaal

    J'aime acheter des produits locaux.Ik koop graag lokale producten.

  41. la classe[la klas]klas

    Il y a vingt élèves dans ma classe.Er zitten twintig leerlingen in mijn klas.

  42. tard[taʁ]laat

    Je me suis couché tard.Ik ben laat naar bed gegaan.

  43. la photo[la foto]foto

    J'ai pris une photo de la tour Eiffel.Ik heb een foto van de Eiffeltoren gemaakt.

  44. vendre[vɑ̃dʁ]verkopen

    Elle vend des vêtements.Ze verkoopt kleren.

  45. le collège[lə kɔlɛʒ]middelbare school

    J'ai étudié au collège pendant trois ans.Ik heb drie jaar op de middelbare school gezeten.

  46. décider[deside]beslissen

    J'ai décidé de partir en vacances.Ik heb besloten op vakantie te gaan.

  47. possible[pɔsibl]mogelijk

    Est-il possible de parler à votre responsable ?Is het mogelijk om je manager te spreken?

  48. meilleur[mɛjœʁ]beter

    Ce film est meilleur que l'autre.Deze film is beter dan de andere.

  49. fort[fɔʁ]sterk

    Il est très fort en mathématiques.Hij is erg goed in wiskunde.

  50. la musique[la myzik]muziek

    J'adore la musique classique.Ik ben dol op klassieke muziek.

  51. le rapport[lə ʁa.pɔʁ]verslag

    J'ai écrit un rapport sur le changement climatique.Ik heb een verslag geschreven over klimaatverandering.

  52. la couleur[kulœʁ]kleur

    La couleur de ses yeux est bleue.De kleur van zijn ogen is blauw.

  53. la police[pɔlis]politie

    La police a arrêté le suspect.De politie heeft de verdachte gearresteerd.

  54. la femme[fam]vrouw

    Sa femme est médecin.Zijn vrouw is arts.

  55. retourner[ʁətuʁne]terugkeren

    Il est retourné à la maison.Hij is naar huis teruggekeerd.

  56. expliquer[ɛksplike]uitleggen

    Peux-tu m'expliquer ce mot ?Kun je me dit woord uitleggen?

  57. porter[pɔʁte]dragen

    Il porte un sac à dos.Hij draagt een rugzak.

  58. gratuit[ɡʁatyɪ]gratis

    L'entrée est gratuite.De toegang is gratis.

  59. l'espoir[lespwaʁ]hoop

    J'ai espoir que tout ira bien.Ik heb hoop dat alles goed komt.

  60. conduire[kɔndɥiʁ]rijden

    Je conduis tous les jours.Ik rijd elke dag auto.

  61. le fils[lə fis]zoon

    Son fils est très intelligent.Zijn zoon is erg intelligent.

  62. le bras[lə bʁa]arm

    Il s'est cassé le bras.Hij heeft zijn arm gebroken.

  63. vrai[vʁɛ]waar

    C'est vrai, je suis d'accord.Dat is waar, ik ben het ermee eens.

  64. le prix[lə pʁi]prijs

    Le prix de ce livre est de 10 euros.De prijs van dit boek is 10 euro.

  65. casser[kase]breken

    Il a cassé son téléphone.Hij heeft zijn telefoon kapotgemaakt.

  66. l'action[laksjɔ̃]actie

    Il faut passer à l'action.We moeten in actie komen.

  67. merci[mɛʁsi]dank je

    Merci beaucoup pour votre aide.Heel erg bedankt voor je hulp.

  68. la ville[la vil]stad

    Il habite dans une petite ville.Hij woont in een kleine stad.

  69. le bâtiment[lə batimɑ̃]gebouw

    Le bâtiment est très grand.Het gebouw is erg groot.

  70. la différence[la difeʁɑ̃s]verschil

    Quelle est la différence entre ces deux mots ?Wat is het verschil tussen deze twee woorden?

  71. plein[plɛ̃]vol

    Le verre est plein.Het glas is vol.

  72. rejoindre[ʁəʒwɛ̃dʁ]zich aansluiten

    Il a rejoint l'équipe.Hij heeft zich bij het team aangesloten.

  73. la route[la ʁut]weg

    La route est longue.De weg is lang.

  74. le modèle[lə mɔdɛl]model, voorbeeld

    C'est un bon modèle pour les enfants.Hij is een goed voorbeeld voor kinderen.

  75. être d'accord[ɛtʁ da.kɔʁ]het eens zijn

    Je suis d'accord avec toi.Ik ben het met je eens.

  76. le formulaire[lə fɔʁmylɛʁ]formulier

    Remplis le formulaire, s'il te plaît.Vul het formulier in, alsjeblieft.

  77. spécial[spesjal]speciaal

    C'est une occasion spéciale.Het is een speciale gelegenheid.

  78. difficile[difisil]moeilijk

    C'est un travail difficile.Het is moeilijk werk.

  79. le papier[lə papje]papier

    J'ai besoin de papier.Ik heb papier nodig.

  80. l'événement[levɛnmɑ̃]gebeurtenis, evenement

    L'événement a eu lieu hier.Het evenement vond gisteren plaats.

  81. l'espace[lɛ.spas]ruimte

    L'espace est infini.De ruimte is oneindig.

  82. le joueur[ʒu.œʁ]speler

    Le joueur a marqué un but.De speler heeft een doelpunt gescoord.

  83. le projet[pʁɔ.ʒɛ]project

    Le projet a été approuvé.Het project is goedgekeurd.

  84. la situation[si.ty.a.sjɔ̃]situatie

    La situation est délicate.De situatie is lastig.

  85. la moitié[mwa.tje]helft

    J'ai mangé la moitié de la pizza.Ik heb de helft van de pizza opgegeten.

  86. l'activité[ak.ti.vi.te]activiteit

    L'activité physique est importante.Lichamelijke activiteit is belangrijk.

  87. manger[mɑ̃.ʒe]eten

    J'aime manger des fruits.Ik eet graag fruit.

  88. coûter[ku.te]kosten

    Ce livre coûte 10 euros.Dit boek kost 10 euro.

  89. facile[fa.sil]makkelijk

    C'est facile à comprendre.Het is makkelijk te begrijpen.

  90. l'image[i.maʒ]afbeelding, plaatje

    Il y a une belle image dans ce livre.Er staat een mooie afbeelding in dit boek.

  91. décrire[de.kʁiʁ]beschrijven

    Peux-tu me décrire ce que tu as vu ?Kun je me beschrijven wat je hebt gezien?

  92. enseigner[ɑ̃.se.ɲe]lesgeven, onderwijzen

    J'enseigne le français.Ik geef Frans.

  93. le mur[myʁ]muur

    Il y a un trou dans le mur.Er zit een gat in de muur.

  94. le médecin[me.d.sɛ̃]dokter

    J'ai rendez-vous chez le médecin.Ik heb een afspraak bij de dokter.

  95. le produit[pʁɔ.dɥi]product

    Ce produit est de très bonne qualité.Dit product is van zeer goede kwaliteit.

  96. la pratique[pʁa.tik]oefening

    La pratique rend parfait.Oefening baart kunst.

  97. le téléphone[te.le.fɔn]telefoon

    J'ai oublié mon téléphone.Ik ben mijn telefoon vergeten.

  98. le morceau[mɔʁ.so]stuk

    Donne-moi un morceau de gâteau.Geef me een stuk taart.

  99. le test[tɛst]test

    J'ai passé un test d'anglais.Ik heb een toets Engels gedaan.

  100. personnel[pɛʁ.sɔ.nɛl]persoonlijk

    C'est une question personnelle.Het is een persoonlijke vraag.

301–400l'étoile, la terre, le tiers, l'ordinateur, le film, l'ouvrier, le type, le nord …
  1. l'étoile[e.twal]ster

    Il y a une étoile filante.Daar is een vallende ster.

  2. la terre[tɛʁ]grond, aarde

    La terre est fertile ici.De grond is hier vruchtbaar.

  3. le tiers[tjɛʁ]derde

    Un tiers des étudiants a réussi l'examen.Een derde van de studenten is voor het examen geslaagd.

  4. l'ordinateur[ɔʁ.di.na.tœʁ]computer

    J'ai besoin d'utiliser l'ordinateur.Ik moet de computer gebruiken.

  5. le film[film]film

    J'ai vu un bon film hier.Ik heb gisteren een goede film gezien.

  6. l'ouvrier[u.vʁje]arbeider

    L'ouvrier a construit la maison.De arbeider heeft het huis gebouwd.

  7. le type[tip]type, soort

    Quel type de musique aimes-tu ?Van wat voor muziek houd je?

  8. le nord[nɔʁ]noorden

    Le nord est en haut de la carte.Het noorden ligt bovenaan de kaart.

  9. le bébé[be.be]baby

    Le bébé dort.De baby slaapt.

  10. dessiner[de.si.ne]tekenen

    J'aime dessiner des fleurs.Ik teken graag bloemen.

  11. l'arbre[laʁbʁ]boom

    J'aime regarder les arbres.Ik kijk graag naar de bomen.

  12. choisir[ʃwaziʁ]kiezen

    Je dois choisir entre deux options.Ik moet kiezen tussen twee opties.

  13. rouge[ʁuʒ]rood

    La pomme est rouge.De appel is rood.

  14. la fenêtre[la fənɛtʁ]raam

    Je regarde par la fenêtre.Ik kijk uit het raam.

  15. le parc[lə paʁk]park

    On a joué au ballon dans le parc.We hebben in het park met een bal gespeeld.

  16. la période[la peʁjɔd]periode

    C'est une période difficile pour l'économie.Het is een moeilijke periode voor de economie.

  17. la culture[la kyltyʁ]cultuur

    La France a une riche culture.Frankrijk heeft een rijke cultuur.

  18. les cheveux[le ʃəvø]haar

    Elle a de longs cheveux.Ze heeft lang haar.

  19. écouter[ekute]luisteren

    Écoute bien ce que je te dis.Luister goed naar wat ik je zeg.

  20. le frère[lə fʁɛʁ]broer

    Mon frère est plus âgé que moi.Mijn broer is ouder dan ik.

  21. l'été[lete]zomer

    J'aime l'été, il fait chaud.Ik hou van de zomer, dan is het warm.

  22. la science[la sjɑ̃s]wetenschap

    La science est importante pour le progrès.Wetenschap is belangrijk voor vooruitgang.

  23. la lettre[la lɛtʁ]brief

    J'ai reçu une lettre de mon ami.Ik heb een brief van mijn vriend gekregen.

  24. court[kuʁ]kort

    Elle porte une jupe courte.Ze draagt een korte rok.

  25. la règle[la ʁɛɡl]regel

    Il faut suivre les règles.Je moet je aan de regels houden.

  26. le sol[lə sɔl]vloer

    Le sol est froid.De vloer is koud.

  27. le mile[lə mil]mijl

    Nous avons marché un mile.We hebben een mijl gelopen.

  28. le cours[lə kuʁ]cursus

    J'ai suivi un cours d'histoire.Ik heb een cursus geschiedenis gevolgd.

  29. la plante[la plɑ̃t]plant

    J'ai acheté une plante pour mon salon.Ik heb een plant voor mijn woonkamer gekocht.

  30. le feu[lə fø]vuur

    Le feu est dangereux.Vuur is gevaarlijk.

  31. fermer[fɛʁme]sluiten

    Ferme la porte, s'il te plaît.Doe de deur dicht, alsjeblieft.

  32. le mari[lə maʁi]echtgenoot, man

    Son mari est médecin.Haar man is arts.

  33. faux[fo]fout, onjuist

    Cette réponse est fausse.Dit antwoord is fout.

  34. l'avenir[lavenir]toekomst

    L'avenir est incertain.De toekomst is onzeker.

  35. le sud[lə syd]zuiden

    Le sud de la France est ensoleillé.Het zuiden van Frankrijk is zonnig.

  36. l'hôpital[lopital]ziekenhuis

    Il est allé à l'hôpital.Hij is naar het ziekenhuis gegaan.

  37. le sujet[lə syʒɛ]onderwerp

    Le sujet de la réunion est important.Het onderwerp van de vergadering is belangrijk.

  38. l'ordre[lɔʁdʁ]volgorde

    Mettez les livres dans l'ordre.Zet de boeken op volgorde.

  39. l'ouest[lwɛst]westen

    Le soleil se couche à l'ouest.De zon gaat onder in het westen.

  40. le lit[lə li]bed

    Je vais au lit.Ik ga naar bed.

  41. bientôt[bjɛ̃to]binnenkort, gauw

    Je reviens bientôt.Ik ben gauw terug.

  42. remplir[ʁɑ̃pliʁ]vullen

    Remplis le verre d'eau.Vul het glas met water.

  43. le passé[pa.se]verleden

    Le passé est important pour comprendre le présent.Het verleden is belangrijk om het heden te begrijpen.

  44. le magasin[ma.ɡa.zɛ̃]winkel

    Je suis allé au magasin pour acheter du pain.Ik ben naar de winkel gegaan om brood te kopen.

  45. la banque[bɑ̃k]bank

    J'ai déposé de l'argent à la banque.Ik heb geld bij de bank gestort.

  46. le son[sɔ̃]geluid, klank

    Le son de la musique est agréable.De klank van de muziek is aangenaam.

  47. la note[nɔt]cijfer

    J'ai reçu une bonne note à l'examen.Ik heb een goed cijfer voor het examen gekregen.

  48. près[pʁɛ]dichtbij

    Il habite près de l'école.Hij woont dicht bij de school.

  49. commun[kɔ.mœ̃]gewoon, gebruikelijk

    C'est un nom de famille assez commun.Het is een vrij gewone achternaam.

  50. la page[paʒ]pagina

    J'ai lu la page 10 du livre.Ik heb pagina 10 van het boek gelezen.

  51. pauvre[povʁ]arm

    Il est pauvre et n'a pas d'argent.Hij is arm en heeft geen geld.

  52. partager[paʁ.ta.ʒe]delen

    J'ai partagé mon gâteau avec mes amis.Ik heb mijn taart met mijn vrienden gedeeld.

  53. naturel[na.ty.ʁɛl]natuurlijk

    Le miel est un produit naturel.Honing is een natuurlijk product.

  54. chaud[ʃo]warm, heet

    Il fait chaud aujourd'hui.Het is warm vandaag.

  55. la langue[lɑ̃ɡ]taal

    J'apprends la langue française.Ik leer de Franse taal.

  56. la rivière[ʁi.vjɛʁ]rivier

    La rivière coule à travers la ville.De rivier stroomt door de stad.

  57. l'article[aʁ.tikl]artikel

    J'ai lu un article intéressant sur les animaux.Ik heb een interessant artikel over dieren gelezen.

  58. l'est[lɛst]oosten

    Le soleil se lève à l'est.De zon komt op in het oosten.

  59. l'animal[a.ni.mal]dier

    J'aime beaucoup les animaux.Ik hou erg van dieren.

  60. le sport[spɔʁ]sport

    J'aime faire du sport.Ik sport graag.

  61. mentir[mɑ̃.tiʁ]liegen

    Il m'a menti sur son âge.Hij heeft tegen me gelogen over zijn leeftijd.

  62. heureux[œ.ʁø]gelukkig, blij

    Je suis heureux de te voir.Ik ben blij je te zien.

  63. huit[ɥit]acht

    Il y a huit personnes dans la pièce.Er zijn acht mensen in de kamer.

  64. la liste[list]lijst

    J'ai fait une liste de courses.Ik heb een boodschappenlijstje gemaakt.

  65. prêt[pʁɛ]klaar

    Je suis prêt à partir.Ik ben klaar om te vertrekken.

  66. la carrière[ka.ʁjɛʁ]carrière

    Il a fait une belle carrière dans la médecine.Hij heeft een mooie carrière in de geneeskunde gehad.

  67. la réponse[ʁe.pɔ̃s]antwoord

    J'ai trouvé la réponse à la question.Ik heb het antwoord op de vraag gevonden.

  68. le chien[ʃjɛ̃]hond

    Mon chien s'appelle Max.Mijn hond heet Max.

  69. la télévision[te.le.vi.zjɔ̃]televisie

    J'ai regardé la télévision hier soir.Ik heb gisteravond televisie gekeken.

  70. la réunion[ʁe.njɔ̃]vergadering

    J'ai assisté à une réunion ce matin.Ik heb vanochtend een vergadering bijgewoond.

  71. le succès[syk.se]succes

    Il a eu beaucoup de succès dans sa carrière.Hij heeft veel succes gehad in zijn carrière.

  72. la gauche[la ɡoʃ]links

    Tournez à gauche au prochain carrefour.Sla bij het volgende kruispunt linksaf.

  73. le dollar[lə dɔlaʁ]dollar

    Combien coûte ce livre en dollars ?Hoeveel kost dit boek in dollars?

  74. la boîte[la bwat]doos

    J'ai mis mes vêtements dans une boîte.Ik heb mijn kleren in een doos gedaan.

  75. manquer[mɑ̃ke]missen

    J'ai manqué le train.Ik heb de trein gemist.

  76. joli[ʒɔli]mooi

    Elle porte une robe très jolie.Ze draagt een heel mooie jurk.

  77. le sentiment[lə sɑ̃timɑ̃]gevoel

    C'est un sentiment étrange.Het is een vreemd gevoel.

  78. le message[lə mɛsaʒ]bericht

    J'ai reçu un message de mon ami.Ik heb een bericht van mijn vriend gekregen.

  79. arriver[aʁive]aankomen

    Le train arrive à la gare dans cinq minutes.De trein komt over vijf minuten aan op het station.

  80. le cadeau[lə kado]cadeau

    J'ai reçu un beau cadeau pour mon anniversaire.Ik heb een mooi cadeau voor mijn verjaardag gekregen.

  81. la tasse[la tas]kop, kopje

    Je bois une tasse de café.Ik drink een kopje koffie.

  82. l'île[lil]eiland

    Nous avons visité une île dans les Caraïbes.We hebben een eiland in het Caribisch gebied bezocht.

  83. vérifier[veʁifie]controleren

    Vérifiez votre réservation.Controleer je reservering.

  84. la photographie[la fotoɡʁafi]foto

    J'ai pris une photographie de la tour Eiffel.Ik heb een foto van de Eiffeltoren gemaakt.

  85. le verre[lə vɛʁ]glas

    Je bois un verre d'eau.Ik drink een glas water.

  86. la gare[la ɡaʁ]station

    Le train part de la gare dans dix minutes.De trein vertrekt over tien minuten van het station.

  87. comparer[kɔ̃paʁe]vergelijken

    Comparez les prix avant d'acheter.Vergelijk de prijzen voordat je iets koopt.

  88. bleu[blø]blauw

    Le ciel est bleu.De lucht is blauw.

  89. l'exemple[lɛɡzɑ̃pl]voorbeeld

    Donnez-moi un exemple.Geef me een voorbeeld.

  90. la montagne[la mɔ̃taɲ]berg

    Nous avons fait une randonnée dans la montagne.We hebben een wandeltocht in de bergen gemaakt.

  91. deviner[dəvine]raden

    Devinez ce que j'ai dans ma main.Raad eens wat ik in mijn hand heb.

  92. la sœur[la sœʁ]zus

    J'ai une sœur.Ik heb een zus.

  93. rire[ʁiʁ]lachen

    J'ai ri à cette blague.Ik moest lachen om die grap.

  94. la conception[la kɔ̃sɛpsjɔ̃]ontwerp

    La conception de ce site web est très originale.Het ontwerp van deze website is heel origineel.

  95. le soleil[lə sɔlɛj]zon

    Le soleil brille aujourd'hui.De zon schijnt vandaag.

  96. l'artiste[laʁtist]kunstenaar

    C'est une artiste talentueuse.Ze is een getalenteerde kunstenares.

  97. le club[lə klœb]club

    J'ai rejoint un club de sport.Ik ben lid geworden van een sportclub.

  98. la section[la sɛksjɔ̃]gedeelte, deel

    Lisez la section suivante du livre.Lees het volgende gedeelte van het boek.

  99. la compétence[la kɔ̃petẽs]vaardigheid

    Il a de grandes compétences en informatique.Hij heeft uitstekende computervaardigheden.

  100. d'accord[dɑ.kɔʁ]oké, akkoord

    D'accord, je comprends.Oké, ik begrijp het.

401–500oublier, la jambe, la main, apprécier, discuter, final, le froid, au-dessus …
  1. oublier[u.bli.je]vergeten

    J'ai oublié mon téléphone.Ik ben mijn telefoon vergeten.

  2. la jambe[la ʒɑ̃b]been

    Il s'est cassé la jambe.Hij heeft zijn been gebroken.

  3. la main[la mɛ̃]hand

    Elle a les mains froides.Ze heeft koude handen.

  4. apprécier[apʁese]waarderen, genieten van

    J'apprécie beaucoup ce livre.Ik geniet erg van dit boek.

  5. discuter[diskite]bespreken, discussiëren

    On a discuté de ce projet pendant des heures.We hebben urenlang over dit project gediscussieerd.

  6. final[final]laatste, definitief

    C'est le match final de la saison.Het is de laatste wedstrijd van het seizoen.

  7. le froid[frwa]kou

    Je n'aime pas le froid.Ik hou niet van de kou.

  8. au-dessus[o.dy.sy]boven

    L'avion vole au-dessus des nuages.Het vliegtuig vliegt boven de wolken.

  9. la chanson[ʃɑ̃sɔ̃]lied, liedje

    J'aime beaucoup cette chanson.Ik vind dit liedje heel mooi.

  10. la radio[radio]radio

    J'écoute la radio tous les matins.Ik luister elke ochtend naar de radio.

  11. agréable[a.ɡre.jabl]aangenaam, prettig

    C'est un endroit agréable pour se promener.Het is een aangename plek om te wandelen.

  12. le printemps[pʁɛ̃tɑ̃]lente

    Le printemps est ma saison préférée.De lente is mijn favoriete seizoen.

  13. la carte[kaʁt]kaart

    J'ai reçu une carte d'anniversaire de mon ami.Ik heb een verjaardagskaart van mijn vriend gekregen.

  14. visiter[vizi.te]bezoeken

    J'ai visité Paris l'année dernière.Ik heb vorig jaar Parijs bezocht.

  15. imaginer[ima.ʒine]zich voorstellen

    J'imagine que tu es heureux.Ik kan me voorstellen dat je blij bent.

  16. finir[finiʁ]afmaken, beëindigen

    J'ai fini mon travail.Ik heb mijn werk afgemaakt.

  17. la déclaration[dekla.ʁa.sjɔ̃]verklaring

    Le président a fait une déclaration importante.De president heeft een belangrijke verklaring afgelegd.

  18. populaire[pɔ.py.lɛʁ]populair

    Ce restaurant est très populaire.Dit restaurant is erg populair.

  19. vert[vɛʁ]groen

    L'herbe est verte.Het gras is groen.

  20. ce soir[sə swaʁ]vanavond

    On va au cinéma ce soir.We gaan vanavond naar de bioscoop.

  21. voler[vɔ.le]vliegen

    L'avion vole à haute altitude.Het vliegtuig vliegt op grote hoogte.

  22. la balle[bal]bal

    Je joue à la balle avec mes amis.Ik speel bal met mijn vrienden.

  23. la chaise[ʃɛz]stoel

    Assieds-toi sur la chaise.Ga op de stoel zitten.

  24. toi-même[twa.mɛm]jezelf, zelf

    Tu peux le faire toi-même.Je kunt het zelf doen.

  25. le soir[swaʁ]avond

    Je dîne tous les soirs.Ik eet elke avond warm.

  26. le musée[my.ze]museum

    J'ai visité le musée d'art moderne.Ik heb het museum voor moderne kunst bezocht.

  27. le poisson[pwasɔ̃]vis

    J'aime manger du poisson.Ik eet graag vis.

  28. le voyage[vwa.jaʒ]reis

    J'ai fait un voyage en Italie l'année dernière.Ik heb vorig jaar een reis naar Italië gemaakt.

  29. l'interview[ɛ̃.tɛʁ.vju]interview, sollicitatiegesprek

    J'ai eu une interview pour un nouveau job.Ik had een sollicitatiegesprek voor een nieuwe baan.

  30. le style[stil]stijl

    J'aime ton style.Ik vind je stijl mooi.

  31. dix[dis]tien

    Il y a dix personnes dans la pièce.Er zijn tien mensen in de kamer.

  32. l'adulte[a.dylt]volwassene

    Les adultes sont responsables de leurs actes.Volwassenen zijn verantwoordelijk voor hun daden.

  33. un magazine[œ̃ maɡazin]tijdschrift

    J'ai acheté un nouveau magazine.Ik heb een nieuw tijdschrift gekocht.

  34. un écrivain[œ̃ ekʁivɛ̃]schrijver

    C'est un écrivain célèbre.Hij is een beroemde schrijver.

  35. un appareil photo[œ̃ apaʁɛj foto]fototoestel, camera

    J'ai acheté un nouvel appareil photo.Ik heb een nieuwe camera gekocht.

  36. améliorer[ameljɔʁe]verbeteren

    J'essaie d'améliorer mon français.Ik probeer mijn Frans te verbeteren.

  37. un bar[œ̃ baʁ]bar, café

    Je suis allé au bar pour boire un verre.Ik ben naar de bar gegaan om iets te drinken.

  38. un hôtel[œ̃ otɛl]hotel

    J'ai réservé une chambre dans un hôtel.Ik heb een kamer in een hotel geboekt.

  39. un détail[œ̃ detaj]detail

    J'ai remarqué un détail important.Ik heb een belangrijk detail opgemerkt.

  40. une machine[yn maʃin]machine

    Cette machine est très efficace.Deze machine is erg efficiënt.

  41. un sac[œ̃ sak]tas

    J'ai un nouveau sac à main.Ik heb een nieuwe handtas.

  42. une adresse[yn adʁɛs]adres

    Pouvez-vous me donner votre adresse ?Kun je me je adres geven?

  43. maman[mamɑ̃]mama

    J'aime beaucoup ma maman.Ik hou heel veel van mijn mama.

  44. moderne[mɔdɛʁn]modern

    Cette maison est très moderne.Dit huis is erg modern.

  45. chanter[ʃɑ̃te]zingen

    J'aime chanter dans la douche.Ik zing graag onder de douche.

  46. une cour[yn kuʁ]binnenplaats, erf

    Il y a un grand jardin dans la cour.Er is een grote tuin op de binnenplaats.

  47. une cuisine[yn kɥizin]keuken

    J'aime cuisiner dans ma nouvelle cuisine.Ik kook graag in mijn nieuwe keuken.

  48. la bouche[la buʃ]mond

    Il a ouvert la bouche pour parler.Hij deed zijn mond open om te praten.

  49. la capitale[la kapital]hoofdstad

    Paris est la capitale de la France.Parijs is de hoofdstad van Frankrijk.

  50. positif[pɔzitiv]positief

    J'ai une attitude positive.Ik heb een positieve houding.

  51. riche[ʁiʃ]rijk

    Il est très riche.Hij is erg rijk.

  52. le dîner[lə dine]avondeten, diner

    J'ai préparé le dîner.Ik heb het avondeten klaargemaakt.

  53. voyager[vwaʒe]reizen

    J'aime voyager à l'étranger.Ik reis graag naar het buitenland.

  54. né[ne]geboren

    Je suis né en France.Ik ben in Frankrijk geboren.

  55. l'avant[lavɑ̃]voorkant

    Il est assis à l'avant de la classe.Hij zit vooraan in de klas.

  56. un partenaire[œ̃ paʁtənɛʁ]partner

    J'ai un partenaire dans mon entreprise.Ik heb een partner in mijn bedrijf.

  57. un scientifique[œ̃ sjɑ̃tifik]wetenschapper

    C'est un scientifique brillant.Hij is een briljante wetenschapper.

  58. une clé[yn kle]sleutel

    J'ai perdu ma clé.Ik ben mijn sleutel kwijt.

  59. un journal[œ̃ ʒurnal]krant

    J'ai lu le journal ce matin.Ik heb vanochtend de krant gelezen.

  60. un jardin[œ̃ ʒɑʁdɛ̃]tuin

    J'aime passer du temps dans mon jardin.Ik breng graag tijd door in mijn tuin.

  61. une opinion[yn‿opiˈnjɔ̃]mening

    J'ai une opinion différente sur ce sujet.Ik heb een andere mening over dit onderwerp.

  62. un client[œ̃ kliˈɑ̃]klant

    Le client était satisfait du service.De klant was tevreden over de service.

  63. un restaurant[ʁɛstoˈʁɑ̃]restaurant

    J'ai réservé une table dans un restaurant italien.Ik heb een tafel gereserveerd in een Italiaans restaurant.

  64. un quartier[kɑʁtje]wijk, buurt

    Je vis dans un quartier calme.Ik woon in een rustige wijk.

  65. personne[pɛʁsɔn]niemand

    Personne ne sait ce qui s'est passé.Niemand weet wat er is gebeurd.

  66. papa[papa]papa

    J'ai appelé mon papa pour lui souhaiter un bon anniversaire.Ik heb mijn papa gebeld om hem een fijne verjaardag te wensen.

  67. une vidéo[yn videˈo]video, filmpje

    J'ai regardé une vidéo amusante sur YouTube.Ik heb een grappig filmpje op YouTube gekeken.

  68. un avion[œ̃ avjɔ̃]vliegtuig

    J'ai pris l'avion pour aller en vacances.Ik ben met het vliegtuig op vakantie gegaan.

  69. un oiseau[œ̃‿wazo]vogel

    J'ai vu un oiseau bleu dans le jardin.Ik zag een blauwe vogel in de tuin.

  70. un texto[œ̃ tɛksto]sms'je

    Je t'ai envoyé un texto hier.Ik heb je gisteren een sms'je gestuurd.

  71. neuf[nœf]negen

    Il y a neuf personnes dans la salle.Er zijn negen mensen in de zaal.

  72. dormir[dɔʁmiʁ]slapen

    J'ai bien dormi hier soir.Ik heb vannacht goed geslapen.

  73. un objet[œ̃ ɔbʒɛ]voorwerp

    Il y a un objet étrange sur la table.Er ligt een vreemd voorwerp op de tafel.

  74. s'il te plaît[sil tə ple]alsjeblieft

    S'il te plaît, peux-tu me passer le sel ?Alsjeblieft, kun je me het zout aangeven?

  75. l'après-midi[la.pʁɛ.midi]middag

    Je vais faire une sieste l'après-midi.Ik ga 's middags een dutje doen.

  76. cent[sɑ̃]honderd

    Il y a cent élèves dans l'école.Er zitten honderd leerlingen op de school.

  77. parfait[paʁfɛ]perfect

    Le temps est parfait pour une promenade.Het weer is perfect voor een wandeling.

  78. une conversation[yn kɔ̃vɛʁsaˈsjɔ̃]gesprek

    J'ai eu une conversation intéressante avec mon voisin.Ik had een interessant gesprek met mijn buurman.

  79. le début[lə deˈby]begin

    Au début, je n'étais pas très enthousiaste.In het begin was ik niet erg enthousiast.

  80. une plage[yn plaʒ]strand

    J'aime me détendre sur la plage.Ik ontspan graag op het strand.

  81. le week-end[lə wikɛnd]weekend

    J'ai passé un bon week-end à la campagne.Ik heb een fijn weekend op het platteland gehad.

  82. un rendez-vous[œ̃ ʁɑ̃deˈvu]afspraak

    J'ai un rendez-vous avec un ami ce soir.Ik heb vanavond een afspraak met een vriend.

  83. désolé[de.zɔ.le]sorry

    Je suis désolé pour le retard.Sorry dat ik te laat ben.

  84. présenter[pʁezẽte]voorstellen

    Permettez-moi de vous présenter mon ami.Laat me je mijn vriend voorstellen.

  85. complet[kɔ̃plɛ]compleet, volledig

    Le formulaire est complet.Het formulier is compleet.

  86. un chauffeur[œ̃ ʃo.fœʁ]chauffeur

    Le chauffeur a arrêté la voiture brusquement.De chauffeur stopte de auto abrupt.

  87. un camion[œ̃ kamjɔ̃]vrachtwagen

    Le camion a transporté les marchandises.De vrachtwagen heeft de goederen vervoerd.

  88. une boisson[yn bwɑ̃sɔ̃]drankje

    J'ai commandé une boisson fraîche.Ik heb een koud drankje besteld.

  89. la glace[la glas]ijs

    Je voudrais de la glace dans mon soda.Ik wil graag ijs in mijn frisdrank.

  90. l'hiver[li.vɛʁ]winter

    J'adore l'hiver car on peut faire du ski.Ik ben dol op de winter, want dan kun je skiën.

  91. un cheval[ʃəval]paard

    J'ai vu un cheval dans le pré.Ik zag een paard in de wei.

  92. un appartement[apaʁtəmɑ̃]appartement

    J'habite dans un appartement au centre-ville.Ik woon in een appartement in het centrum.

  93. une ferme[fɛʁm]boerderij

    Ma grand-mère habite dans une ferme.Mijn grootmoeder woont op een boerderij.

  94. un vol[vɔl]vlucht

    J'ai réservé un vol pour Paris.Ik heb een vlucht naar Parijs geboekt.

  95. un bateau[bato]boot

    J'ai fait un tour en bateau sur le lac.Ik heb een boottochtje op het meer gemaakt.

  96. une livre[livʁ]pond

    J'ai acheté une livre de pommes.Ik heb een pond appels gekocht.

  97. demain[dəmɛ̃]morgen

    Je vais au cinéma demain.Ik ga morgen naar de bioscoop.

  98. rapide[ʁa.pid]snel

    Il a fait un travail rapide.Hij heeft snel werk geleverd.

  99. un lecteur[lɛk.tœʁ]lezer

    Le lecteur a apprécié le livre.De lezer vond het boek mooi.

  100. une peinture[pɛ̃.tyʁ]schilderij

    La peinture est magnifique.Het schilderij is prachtig.

501–600le titre, un magasin, un trajet, une leçon, une oreille, le baseball, un pied, un café …
  1. le titre[titʁ]titel

    Le titre du livre est intéressant.De titel van het boek is interessant.

  2. un magasin[ma.ɡa.zɛ̃]winkel

    J'ai acheté des fruits au magasin.Ik heb fruit gekocht in de winkel.

  3. un trajet[tʁa.ʒɛ]rit

    J'ai fait un trajet en voiture.Ik heb een rit met de auto gemaakt.

  4. une leçon[lə.sɔ̃]les

    J'ai appris une nouvelle leçon.Ik heb een nieuwe les geleerd.

  5. une oreille[ɔ.ʁɛj]oor

    J'ai une douleur à l'oreille.Ik heb pijn aan mijn oor.

  6. le baseball[bɛjz.bɔl]honkbal

    J'aime regarder le baseball.Ik kijk graag naar honkbal.

  7. un pied[pje]voet

    Je me suis fait mal au pied.Ik heb mijn voet bezeerd.

  8. un café[ka.fe]koffie

    J'ai bu un café ce matin.Ik heb vanochtend een koffie gedronken.

  9. un quart[kaʁ]kwart

    Il a donné un quart de son argent.Hij heeft een kwart van zijn geld weggegeven.

  10. un œuf[œf]ei

    J'ai mangé un œuf au petit-déjeuner.Ik heb een ei gegeten bij het ontbijt.

  11. une erreur[e.ʁœʁ]fout

    J'ai fait une erreur.Ik heb een fout gemaakt.

  12. calme[kalm]rustig

    La bibliothèque est calme.De bibliotheek is rustig.

  13. une chaussure[ʃo.syʁ]schoen

    J'ai acheté de nouvelles chaussures.Ik heb nieuwe schoenen gekocht.

  14. des vêtements[vɛt.mɑ̃]kleren

    J'ai mis mes nouveaux vêtements.Ik heb mijn nieuwe kleren aangetrokken.

  15. un voisin[vwa.zɛ̃]buurman

    J'ai rencontré mon voisin.Ik heb mijn buurman ontmoet.

  16. une robe[ʁɔb]jurk

    Elle porte une robe rouge.Ze draagt een rode jurk.

  17. l'internet[lɛ̃.tɛʁ.nɛt]internet

    J'ai surfé sur l'internet.Ik heb op internet gesurft.

  18. un bus[bys]bus

    J'ai pris le bus pour aller au travail.Ik heb de bus naar mijn werk genomen.

  19. un cuisinier[kɥi.zinje]kok

    Le cuisinier a préparé un délicieux repas.De kok heeft een heerlijke maaltijd bereid.

  20. frais[fʁɛ]fris

    Il fait frais aujourd'hui.Het is fris vandaag.

  21. négatif[ne.ɡa.tif]negatief

    Le résultat est négatif.Het resultaat is negatief.

  22. hier[jɛʁ]gisteren

    J'ai vu mon ami hier.Ik heb mijn vriend gisteren gezien.

  23. une paire[pɛʁ]paar

    J'ai acheté une paire de chaussures.Ik heb een paar schoenen gekocht.

  24. sain[sɛ̃]gezond

    Manger des fruits et des légumes est sain.Fruit en groenten eten is gezond.

  25. un train[tʁɛ̃]trein

    J'ai pris le train pour aller en ville.Ik heb de trein naar de stad genomen.

  26. du vin[dy vɛ̃]wijn

    J'aime boire du vin rouge.Ik drink graag rode wijn.

  27. une fleur[yn flœʁ]bloem

    Il y a une fleur dans mon jardin.Er staat een bloem in mijn tuin.

  28. un acteur[œ̃nak.tœʁ]acteur

    C'est un acteur célèbre.Hij is een bekende acteur.

  29. la haine[la ɛn]haat

    La haine est un sentiment négatif.Haat is een negatief gevoel.

  30. l'exercice[lɛɡzɛʁsis]beweging

    Je fais de l'exercice tous les jours.Ik beweeg elke dag.

  31. l'écriture[lekʁityʁ]schrijven

    J'aime l'écriture.Ik hou van schrijven.

  32. la pluie[la plyi]regen

    Il y a beaucoup de pluie aujourd'hui.Er valt vandaag veel regen.

  33. vite[vit]snel

    Il court très vite.Hij rent heel snel.

  34. le football[lə futbɔl]voetbal

    J'aime regarder le football.Ik kijk graag naar voetbal.

  35. bienvenue[bjɛ̃vəny]welkom

    Bienvenue dans mon appartement.Welkom in mijn appartement.

  36. une piscine[yn pisin]zwembad

    Il y a une piscine dans l'hôtel.Er is een zwembad in het hotel.

  37. supplémentaire[syplemɑ̃tɛʁ]extra

    J'ai besoin d'une serviette supplémentaire.Ik heb een extra handdoek nodig.

  38. grimper[ɡʁɪ̃pe]klimmen

    J'aime grimper aux arbres.Ik klim graag in bomen.

  39. quatrième[katʁjɛm]vierde

    C'est le quatrième étage.Dit is de vierde verdieping.

  40. un poulet[œ̃ pulɛ]kip

    Je veux un poulet rôti.Ik wil een gebraden kip.

  41. une carte[yn kaʁt]kaart

    J'ai besoin d'une carte pour trouver mon chemin.Ik heb een kaart nodig om de weg te vinden.

  42. un billet[œ̃ bi.jɛ]kaartje

    J'ai acheté un billet pour le cinéma.Ik heb een kaartje voor de bioscoop gekocht.

  43. une salle de classe[yn sal də klas]klaslokaal

    La salle de classe est grande.Het klaslokaal is groot.

  44. le déjeuner[lə deʒøne]lunch

    Je prends le déjeuner à midi.Ik eet om twaalf uur mijn lunch.

  45. le sens[lə sɑ̃s]zin, betekenis

    Quel est le sens de la vie ?Wat is de zin van het leven?

  46. répéter[ʁe.pete]herhalen

    Peux-tu répéter, s'il te plaît ?Kun je dat herhalen, alsjeblieft?

  47. préféré[pʁefe.ʁe]favoriet

    C'est mon plat préféré.Dat is mijn lievelingsgerecht.

  48. le temps[lə tɑ̃]weer

    Quel temps fait-il aujourd'hui ?Wat voor weer is het vandaag?

  49. la lecture[la lɛktyʁ]lezen

    J'aime la lecture.Ik hou van lezen.

  50. marié[ma.ʁje]getrouwd

    Ils sont mariés depuis dix ans.Ze zijn al tien jaar getrouwd.

  51. du sel[dy sɛl]zout

    Ajoutez du sel à la soupe.Voeg zout toe aan de soep.

  52. un fermier[œ̃ fɛʁmje]boer

    Le fermier cultive des céréales.De boer verbouwt graan.

  53. un conseil[œ̃ kɔ̃.sɛj]advies

    J'ai besoin d'un conseil.Ik heb advies nodig.

  54. le théâtre[teatʁ]theater

    Ils sont allés au théâtre hier soir.Ze zijn gisteravond naar het theater gegaan.

  55. le gras[ɡʁa]vet

    Il y a trop de gras dans ce plat.Er zit te veel vet in dit gerecht.

  56. le sucre[sykʁ]suiker

    J'aime ajouter du sucre dans mon café.Ik doe graag suiker in mijn koffie.

  57. mille[mil]duizend

    Il y a plus de mille personnes dans cette salle.Er zijn meer dan duizend mensen in deze zaal.

  58. jaune[ʒon]geel

    Le soleil est jaune.De zon is geel.

  59. la bibliothèque[bibljɔtek]bibliotheek

    J'aime aller à la bibliothèque pour lire des livres.Ik ga graag naar de bibliotheek om boeken te lezen.

  60. brun[bʁœ̃]bruin

    Ses yeux sont bruns.Zijn ogen zijn bruin.

  61. en colère[ɑ̃ kɔlɛʁ]boos

    Il est en colère contre moi.Hij is boos op mij.

  62. le fruit[fʁɥi]fruit

    J'aime manger des fruits.Ik eet graag fruit.

  63. la danse[dɑ̃s]dans

    Elle adore la danse.Ze houdt enorm van dans.

  64. la circulation[sɪʁkylasjɔ̃]verkeer

    La circulation est très dense aujourd'hui.Het verkeer is vandaag erg druk.

  65. l'aéroport[aɛʁopoʁ]luchthaven

    J'ai pris l'avion à l'aéroport Charles-de-Gaulle.Ik ben vanaf luchthaven Charles de Gaulle gevlogen.

  66. malade[malaːd]ziek

    Je suis malade aujourd'hui.Ik ben vandaag ziek.

  67. le repas[ʁəpa]maaltijd

    J'ai mangé un délicieux repas.Ik heb een heerlijke maaltijd gegeten.

  68. le visiteur[vizitœʁ]bezoeker

    Le visiteur est arrivé en retard.De bezoeker kwam te laat.

  69. le nez[ne]neus

    Il a un nez long.Hij heeft een lange neus.

  70. lent[lɑ̃]langzaam

    Le train est très lent.De trein is erg langzaam.

  71. la bouteille[butɛj]fles

    J'ai bu une bouteille d'eau.Ik heb een fles water gedronken.

  72. la peinture[pɛ̃tyʁ]verf

    J'ai acheté de la peinture bleue.Ik heb blauwe verf gekocht.

  73. le chat[ʃa]kat

    Le chat est sur le canapé.De kat ligt op de bank.

  74. correct[kɔʁɛkt]juist

    La réponse est correcte.Het antwoord is juist.

  75. se réveiller[sə ʁeveje]wakker worden

    Je me réveille tôt le matin.Ik word ’s ochtends vroeg wakker.

  76. la chemise[ʃəmiz]overhemd

    Il porte une chemise blanche.Hij draagt een wit overhemd.

  77. drôle[dʁol]grappig

    C'est une histoire drôle.Het is een grappig verhaal.

  78. la viande[vjɑ̃d]vlees

    Je mange de la viande.Ik eet vlees.

  79. la neige[nɛʒ]sneeuw

    Il y a de la neige dehors.Er ligt sneeuw buiten.

  80. le basket-ball[basketbɔl]basketbal

    J'aime jouer au basket-ball.Ik speel graag basketbal.

  81. une dent[yn dɑ̃]tand

    J'ai mal à une dent.Ik heb pijn aan een tand.

  82. une chambre[yn ʃɑ̃bʁ]slaapkamer

    Ma chambre est petite.Mijn slaapkamer is klein.

  83. l'océan[lo.se.ɑ̃]oceaan

    J'aime nager dans l'océan.Ik zwem graag in de oceaan.

  84. le plaisir[lə ple.ziʁ]plezier

    C'est un plaisir de te voir.Het is een plezier je te zien.

  85. la bière[la bjɛʁ]bier

    Je voudrais une bière, s'il vous plaît.Ik wil graag een bier, alstublieft.

  86. intelligent[ɛ̃.te.li.ʒɑ̃]intelligent

    Elle est très intelligente.Ze is heel intelligent.

  87. occupé[ɔ.ky.pe]druk

    Je suis très occupé en ce moment.Ik heb het momenteel erg druk.

  88. l'infirmière[lɛ̃.fiʁ.mjɛʁ]verpleegster

    L'infirmière a soigné le patient.De verpleegster heeft voor de patiënt gezorgd.

  89. pas cher[pa ʃɛʁ]goedkoop

    Ce livre n'est pas cher.Dit boek is niet duur.

  90. la pomme[la pɔm]appel

    J'aime manger des pommes.Ik eet graag appels.

  91. l'allumette[la.lɥ.mɛt]lucifer

    J'ai besoin d'une allumette.Ik heb een lucifer nodig.

  92. le plat[lə pla]gerecht

    Le chef a préparé un plat délicieux.De chef-kok heeft een heerlijk gerecht bereid.

  93. le légume[lə le.ɡym]groente

    J'aime manger des légumes.Ik eet graag groenten.

  94. le chapeau[lə ʃa.po]hoed

    Il porte un chapeau.Hij draagt een hoed.

  95. l'oncle[lɔ̃kl]oom

    Mon oncle est venu me voir.Mijn oom is bij me op bezoek gekomen.

  96. la phrase[la fʁaz]zin

    Écrivez une phrase.Schrijf een zin.

  97. le poivre[lə pwavʁ]peper

    Voulez-vous du poivre ?Wil je peper?

  98. la crème[la kʁɛm]room

    J'aime la crème glacée.Ik houd van roomijs.

  99. le lait[lə lɛ]melk

    Je bois du lait tous les matins.Ik drink elke ochtend melk.

  100. vingt[vɛ̃]twintig

    J'ai vingt ans.Ik ben twintig jaar.

601–700gris, le riz, le pain, salut, triste, laver, la description, le fromage …
  1. gris[ɡʁi]grijs

    La voiture est grise.De auto is grijs.

  2. le riz[lə ʁi]rijst

    Je mange du riz.Ik eet rijst.

  3. le pain[lə pɛ̃]brood

    Je mange du pain avec du fromage.Ik eet brood met kaas.

  4. salut[sa.ly]hoi

    Salut, comment vas-tu ?Hoi, hoe gaat het met je?

  5. triste[tʁist]verdrietig

    Je suis triste.Ik ben verdrietig.

  6. laver[la.ve]wassen

    Je lave mes vêtements.Ik was mijn kleren.

  7. la description[la de.skʁip.sjɔ̃]beschrijving

    Donnez une description du produit.Geef een beschrijving van het product.

  8. le fromage[lə fʁɔ.maʒ]kaas

    J'aime le fromage.Ik houd van kaas.

  9. le régime[lə ʁe.ʒim]dieet

    Je suis au régime.Ik ben op dieet.

  10. le thé[lə te]thee

    Je bois du thé.Ik drink thee.

  11. le manteau[lə mɑ̃.to]jas

    J'ai besoin d'un manteau.Ik heb een jas nodig.

  12. le contraire[kɔ̃.trɛʁ]tegenovergestelde

    Le contraire de noir est blanc.Het tegenovergestelde van zwart is wit.

  13. la pomme de terre[pɔm də tɛʁ]aardappel

    J'aime les pommes de terre frites.Ik houd van gebakken aardappelen.

  14. la veste[vɛst]jasje

    Elle porte une veste en cuir.Ze draagt een leren jasje.

  15. le jus[ʒy]sap

    J'ai bu un jus d'orange.Ik heb een sinaasappelsap gedronken.

  16. le petit-déjeuner[pə.ti de.ʒø.ne]ontbijt

    Je prends toujours un petit-déjeuner le matin.Ik ontbijt ’s ochtends altijd.

  17. la salle de bain[sal də bɛ̃]badkamer

    La salle de bain est à droite.De badkamer is rechts.

  18. bonjour[bɔ̃.ʒuʁ]hallo

    Bonjour, comment allez-vous ?Hallo, hoe gaat het met je?

  19. le touriste[tu.ʁist]toerist

    Il y a beaucoup de touristes à Paris.Er zijn veel toeristen in Parijs.

  20. la botte[bɔt]laars

    Je porte des bottes pour aller marcher.Ik draag laarzen om te gaan wandelen.

  21. l'anniversaire[a.ni.vɛʁ.sɛʁ]verjaardag

    C'est quand, ton anniversaire ?Wanneer is je verjaardag?

  22. cinquième[sɛ̃.kjɛm]vijfde

    C'est le cinquième étage.Dit is de vijfde verdieping.

  23. rose[ʁoz]roze

    Elle porte une robe rose.Ze draagt een roze jurk.

  24. la grand-mère[ɡʁɑ̃.mɛʁ]oma

    Ma grand-mère est très gentille.Mijn oma is erg lief.

  25. le beurre[bœʁ]boter

    J'aime le beurre sur le pain.Ik houd van boter op brood.

  26. la tomate[tɔ.mat]tomaat

    La tomate est un légume.De tomaat is een groente.

  27. le concert[kɔ̃.sɛʁ]concert

    J'ai assisté à un concert de rock.Ik ben naar een rockconcert geweest.

  28. la routine[ʁu.tin]routine

    J'ai une routine matinale.Ik heb een ochtendroutine.

  29. les vacances[va.kɑ̃s]vakantie

    Je pars en vacances la semaine prochaine.Ik ga volgende week op vakantie.

  30. le gâteau[ɡa.to]taart

    J'ai mangé un gâteau au chocolat.Ik heb een chocoladetaart gegeten.

  31. le festival[fɛs.ti.val]festival

    Il y a un festival de musique ce week-end.Dit weekend is er een muziekfestival.

  32. l'horloge[ɔʁ.lɔʒ]klok

    L'horloge sonne à 7 heures du matin.De klok slaat om 7 uur ’s ochtends.

  33. la tante[tɑ̃t]tante

    Ma tante est venue nous voir.Mijn tante is bij ons op bezoek gekomen.

  34. l'oignon[ɔ.njɔ̃]ui

    J'ai ajouté un oignon à la soupe.Ik heb een ui aan de soep toegevoegd.

  35. le chocolat[ʃɔ.kɔ.la]chocolade

    J'adore le chocolat noir.Ik ben dol op pure chocolade.

  36. les courses[kuʁs]boodschappen

    Je vais faire les courses demain.Ik ga morgen boodschappen doen.

  37. amical[a.mi.kal]vriendelijk

    Ils sont très amicaux.Ze zijn erg vriendelijk.

  38. le pantalon[pɑ̃.ta.lɔ̃]broek

    J'ai acheté un nouveau pantalon.Ik heb een nieuwe broek gekocht.

  39. le cousin[ku.zɛ̃]neef

    Mon cousin habite à Paris.Mijn neef woont in Parijs.

  40. un graphique[ɡʁa.fik]grafiek

    J'ai créé un graphique pour illustrer les données.Ik heb een grafiek gemaakt om de gegevens te illustreren.

  41. un dialogue[dja.lɔɡ]dialoog

    Le dialogue entre les deux personnages est très intéressant.De dialoog tussen de twee personages is erg interessant.

  42. trente[tʁɑ̃t]dertig

    Elle a trente ans.Ze is dertig jaar.

  43. sale[sal]vuil

    Mes mains sont sales.Mijn handen zijn vuil.

  44. un adolescent[adɔ.lɛ.sɑ̃]tiener

    Les adolescents aiment souvent la musique.Tieners houden vaak van muziek.

  45. se détendre[sə de.tɑ̃dʁ]ontspannen

    J'aime me détendre en lisant un livre.Ik ontspan graag met een boek.

  46. nager[na.ʒe]zwemmen

    J'aime nager dans la mer.Ik zwem graag in zee.

  47. une salade[sa.lad]salade

    J'ai mangé une salade pour le déjeuner.Ik heb als lunch een salade gegeten.

  48. un chanteur[ʃɑ̃.tœʁ]zanger

    Le chanteur a une belle voix.De zanger heeft een mooie stem.

  49. un grand-père[ɡʁɑ̃.pɛʁ]opa

    Mon grand-père est très gentil.Mijn opa is erg lief.

  50. un vélo[ve.lo]fiets

    J'ai fait du vélo au parc.Ik heb in het park gefietst.

  51. quinze[kɛ̃z]vijftien

    Il a quinze ans.Hij is vijftien jaar.

  52. une soupe[sup]soep

    J'ai préparé une soupe de légumes.Ik heb groentesoep gemaakt.

  53. cinquante[sɛ̃.kɑ̃t]vijftig

    Elle a cinquante ans.Ze is vijftig jaar.

  54. une vache[vaʃ]koe

    La vache a donné du lait.De koe heeft melk gegeven.

  55. un centre commercial[sɑ̃tʁ kɔ.mɛʁ.sjal]winkelcentrum

    Je suis allé au centre commercial pour faire des courses.Ik ben naar het winkelcentrum gegaan om te winkelen.

  56. le tennis[tɛ.nis]tennis

    J'aime jouer au tennis.Ik speel graag tennis.

  57. un mètre[mɛtʁ]meter

    La table mesure deux mètres de long.De tafel is twee meter lang.

  58. un lion[ljɔ̃]leeuw

    Le lion rugit fort.De leeuw brult luid.

  59. affamé[a.fa.me]uitgehongerd

    J'ai faim, je suis affamé.Ik heb honger, ik ben uitgehongerd.

  60. une orange[ɔ.ʁɑ̃ʒ]sinaasappel

    J'ai mangé une orange pour le petit déjeuner.Ik heb bij het ontbijt een sinaasappel gegeten.

  61. une petite amie[pə.tit a.mi]vriendin

    Ma petite amie s'appelle Marie.Mijn vriendin heet Marie.

  62. un menu[mœ.ny]menukaart

    J'ai regardé le menu avant de commander.Ik heb de menukaart bekeken voordat ik bestelde.

  63. douze[duz]twaalf

    Il est douze heures.Het is twaalf uur.

  64. une douche[duʃ]douche

    J'ai pris une douche ce matin.Ik heb vanochtend gedoucht.

  65. une souris[su.ʁi]muis

    La souris est sur le tapis.De muis zit op het tapijt.

  66. une actrice[ak.tʁis]actrice

    L'actrice a joué dans beaucoup de films.De actrice heeft in veel films gespeeld.

  67. cuisiner[kɥi.zi.ne]koken

    J'aime cuisiner des plats italiens.Ik kook graag Italiaanse gerechten.

  68. un piano[pja.no]piano

    Elle joue très bien du piano.Ze speelt heel goed piano.

  69. cher[ʃɛʁ]duur

    Ce sac est très cher.Deze tas is erg duur.

  70. minuit[mi.nɥi]middernacht

    Il était minuit quand j'ai entendu un bruit.Het was middernacht toen ik een geluid hoorde.

  71. un cochon[kɔ.ʃɔ̃]varken

    Le cochon grognait.Het varken knorde.

  72. un serpent[sɛʁ.pɑ̃]slang

    Le serpent glissait dans l'herbe.De slang gleed door het gras.

  73. la marche[maʁʃ]wandeling

    J'aime faire une marche dans le parc.Ik maak graag een wandeling in het park.

  74. un jean[ʒɑ̃]spijkerbroek

    J'ai acheté un nouveau jean.Ik heb een nieuwe spijkerbroek gekocht.

  75. un t-shirt[te.ʃɛʁt]T-shirt

    Il porte un t-shirt blanc.Hij draagt een wit T-shirt.

  76. un petit ami[pə.ti.t‿a.mi]vriendje

    Elle a un petit ami.Ze heeft een vriendje.

  77. un stylo[sti.lo]pen

    J'ai besoin d'un stylo pour écrire.Ik heb een pen nodig om te schrijven.

  78. un sandwich[sɑ̃.dwiʃ]broodje, sandwich

    J'ai mangé un sandwich pour déjeuner.Ik heb een broodje gegeten als lunch.

  79. un danseur[dɑ̃.sœʁ]danser

    C'est une très bonne danseuse.Ze is een heel goede danseres.

  80. une jupe[ʒyp]rok

    Elle porte une jupe bleue.Ze draagt een blauwe rok.

  81. quarante[ka.ʁɑ̃t]veertig

    J'ai quarante ans.Ik ben veertig jaar.

  82. un bain[bɛ̃]bad

    J'ai pris un bain chaud.Ik heb een warm bad genomen.

  83. une guitare[ɡi.taʁ]gitaar

    Il joue de la guitare.Hij speelt gitaar.

  84. violet[vjɔ.lɛ]paars

    Elle a les yeux violets.Ze heeft paarse ogen.

  85. un gymnase[ʒim.naz]sportschool

    Je vais au gymnase trois fois par semaine.Ik ga drie keer per week naar de sportschool.

  86. des toilettes[tɔ.lɛt]toilet

    Où sont les toilettes ?Waar is het toilet?

  87. la poste[pɔst]post, postkantoor

    Je vais à la poste ce matin.Ik ga vanochtend naar het postkantoor.

  88. un mouton[mu.tɔ̃]schaap

    Il y a des moutons dans le champ.Er staan schapen in de wei.

  89. épeler[e.pə.le]spellen

    Peux-tu épeler ton nom ?Kun je je naam spellen?

  90. onze[ɔ̃z]elf

    Il est onze heures.Het is elf uur.

  91. un examen[ɛɡ.za.mɛ̃]examen

    J'ai un examen demain.Ik heb morgen een examen.

  92. à l'étage[a.le.taʒ]boven

    Ma chambre est à l'étage.Mijn kamer is boven.

  93. la natation[na.ta.sjɔ̃]zwemmen

    J'aime la natation.Ik hou van zwemmen.

  94. un éléphant[e.le.fɑ̃]olifant

    J'ai vu un éléphant au zoo.Ik heb een olifant gezien in de dierentuin.

  95. un crayon[krɛ.jɔ̃]potlood

    J'ai besoin d'un crayon pour dessiner.Ik heb een potlood nodig om te tekenen.

  96. un policier[pɔ.li.sje]politieagent

    J'ai vu un policier hier.Ik heb gisteren een politieagent gezien.

  97. un supermarché[sy.pɛʁ.maʁ.ʃe]supermarkt

    J'ai fait mes courses au supermarché.Ik heb mijn boodschappen gedaan in de supermarkt.

  98. une carotte[ka.ʁɔt]wortel

    J'ai mangé une carotte.Ik heb een wortel gegeten.

  99. une banane[ba.nan]banaan

    J'ai mangé une banane.Ik heb een banaan gegeten.

  100. un pull[œ̃ pyl]trui

    J'ai mis un pull car il fait froid.Ik heb een trui aangetrokken omdat het koud is.

701–800les devoirs, ennuyeux, quatre-vingts, soixante, un passe-temps, un paragraphe, au revoir, à bientôt …
  1. les devoirs[le d(ə)vwaʁ]huiswerk

    J'ai beaucoup de devoirs à faire.Ik heb veel huiswerk te maken.

  2. ennuyeux[ɑ̃nɥijø]saai

    Ce film est tellement ennuyeux.Deze film is zo saai.

  3. quatre-vingts[katʁəvɛ̃]tachtig

    Il y a quatre-vingts personnes dans la salle.Er zijn tachtig mensen in de zaal.

  4. soixante[swa.sɑ̃t]zestig

    J'ai soixante ans.Ik ben zestig jaar.

  5. un passe-temps[œ̃ pas.tɑ̃]hobby

    Mon passe-temps préféré est la lecture.Mijn favoriete hobby is lezen.

  6. un paragraphe[œ̃ pa.ʁa.ɡʁaf]alinea

    Ce paragraphe est trop long.Deze alinea is te lang.

  7. au revoir[o ʁə.vwaʁ]dag, tot ziens

    Au revoir, à demain !Dag, tot morgen!

  8. à bientôt[a bjɛ̃.to]tot gauw

    À bientôt, et bon voyage !Tot gauw, en goede reis!

  9. un dictionnaire[œ̃ diksjɔ.nɛʁ]woordenboek

    J'utilise un dictionnaire pour apprendre de nouveaux mots.Ik gebruik een woordenboek om nieuwe woorden te leren.

  10. un blog[œ̃ blɔɡ]blog

    J'ai un blog sur la cuisine.Ik heb een blog over koken.

  11. un DVD[œ̃ de.ve.de]dvd

    J'ai regardé un DVD hier soir.Ik heb gisteravond een dvd gekeken.

  12. samedi[sam.di]zaterdag

    On va au cinéma samedi.We gaan zaterdag naar de bioscoop.

  13. février[fe.vʁije]februari

    Février est le deuxième mois de l'année.Februari is de tweede maand van het jaar.

  14. octobre[ɔk.tɔbʁ]oktober

    Octobre est un mois d'automne.Oktober is een herfstmaand.

  15. délicieux[de.lisjø]heerlijk

    Ce gâteau est délicieux.Deze taart is heerlijk.

  16. septembre[sɛp.tɑ̃bʁ]september

    Septembre est le neuvième mois de l'année.September is de negende maand van het jaar.

  17. soif[swaf]dorst

    J'ai soif.Ik heb dorst.

  18. juillet[ʒɥijɛ]juli

    Juillet est le septième mois de l'année.Juli is de zevende maand van het jaar.

  19. avril[avʁil]april

    Avril est le quatrième mois de l'année.April is de vierde maand van het jaar.

  20. un passeport[œ̃ pas.pɔʁ]paspoort

    J'ai besoin d'un passeport pour voyager.Ik heb een paspoort nodig om te reizen.

  21. un grand-parent[œ̃ ɡʁɑ̃.pɑ.ʁɑ̃]grootouder

    J'ai rendu visite à mes grands-parents la semaine dernière.Ik heb vorige week mijn grootouders bezocht.

  22. vendredi[vɑ̃.dʁə.di]vrijdag

    On a cours de français le vendredi.Op vrijdag hebben we Franse les.

  23. la géographie[la ʒeo.ɡʁa.fi]aardrijkskunde

    J'aime la géographie.Ik hou van aardrijkskunde.

  24. dix-huit[diz.ɥit]achttien

    J'ai dix-huit ans.Ik ben achttien jaar.

  25. décembre[de.sɑ̃bʁ]december

    Décembre est le douzième mois de l'année.December is de twaalfde maand van het jaar.

  26. blond[blɔ̃]blond

    Elle a les cheveux blonds.Ze heeft blond haar.

  27. dix-neuf[diz.nœf]negentien

    J'ai dix-neuf ans.Ik ben negentien jaar.

  28. dimanche[di.mɑ̃ʃ]zondag

    On va à la plage dimanche.We gaan zondag naar het strand.

  29. un serveur[œ̃ sɛʁ.vœʁ]ober

    Le serveur nous a apporté le menu.De ober bracht ons de menukaart.

  30. treize[tʁɛz]dertien

    Il y a treize personnes dans la salle.Er zijn dertien mensen in de zaal.

  31. dix-sept[dis.sɛt]zeventien

    J'ai dix-sept ans.Ik ben zeventien jaar.

  32. jeudi[ʒødi]donderdag

    Le cours de français est le jeudi.De Franse les is op donderdag.

  33. novembre[nɔ.vɑ̃bʁ]november

    Il fait froid en novembre.In november is het koud.

  34. un taxi[tɑksi]taxi

    J'ai pris un taxi pour aller à l'aéroport.Ik heb een taxi naar het vliegveld genomen.

  35. soixante-dix[swa.sɑ̃t.dis]zeventig

    Il a soixante-dix ans.Hij is zeventig jaar.

  36. un CD[se.de]cd

    J'ai acheté un CD de musique.Ik heb een muziek-cd gekocht.

  37. janvier[ʒɑ̃.vje]januari

    Le nouvel an est en janvier.Nieuwjaar is in januari.

  38. mercredi[mɛʁ.kʁədi]woensdag

    J'ai rendez-vous chez le médecin mercredi.Ik heb woensdag een afspraak bij de dokter.

  39. l'orthographe[ɔʁ.tɔ.ɡʁaf]spelling

    L'orthographe est importante pour écrire correctement.Spelling is belangrijk om correct te schrijven.

  40. l'euro[ø.ʁo]euro

    Le prix est en euros.De prijs is in euro.

  41. un parapluie[pa.ʁa.pli]paraplu

    J'ai pris un parapluie car il pleut.Ik heb een paraplu meegenomen omdat het regent.

  42. lundi[lœ̃.di]maandag

    Le lundi, je vais au travail.Op maandag ga ik naar mijn werk.

  43. un site web[sit wɛb]website

    J'ai visité un site web intéressant.Ik heb een interessante website bezocht.

  44. mardi[maʁ.di]dinsdag

    Je vais au cinéma mardi.Ik ga dinsdag naar de bioscoop.

  45. quatre-vingt-dix[katʁ.vɛ̃.dis]negentig

    Il a quatre-vingt-dix ans.Hij is negentig jaar.

  46. juin[ʒœ̃]juni

    Il fait beau en juin.In juni is het mooi weer.

  47. quatorze[ka.tɔʁz]veertien

    J'ai quatorze ans.Ik ben veertien jaar.

  48. un courriel[ku.ʁɛl]e-mail

    J'ai reçu un courriel important.Ik heb een belangrijke e-mail ontvangen.

  49. août[u]augustus

    Il fait chaud en août.In augustus is het warm.

  50. une facture[fak.tyʁ]rekening

    J'ai reçu une facture pour le téléphone.Ik heb een rekening voor de telefoon gekregen.

  51. un centime[sɑ̃.tim]cent

    Ce bonbon coûte un centime.Dit snoepje kost één cent.

  52. seize[sɛz]zestien

    Elle a seize ans.Ze is zestien jaar.

  53. retour[ʁətuʁ]terugkeer

    Je suis de retour au bureau.Ik ben terug op kantoor.

  54. dernier[dɛʁnje]laatste

    C'est le dernier jour de l'école.Het is de laatste schooldag.

  55. l'État[le ta]staat

    L'État de New York est très grand.De staat New York is heel groot.

  56. pendant[pɑ̃dɑ̃]tijdens

    Pendant le dîner, il a téléphoné.Tijdens het avondeten belde hij.

  57. le président[lə pʁezi.dɑ̃]president

    Le président a fait un discours.De president hield een toespraak.

  58. sembler[sɑ̃ble]lijken

    Cela semble compliqué.Dat lijkt ingewikkeld.

  59. pourrait[purɛ]zou kunnen

    Il pourrait pleuvoir demain.Het zou morgen kunnen regenen.

  60. le cas[lə ka]geval

    C'est le cas de beaucoup de gens.Dat is bij veel mensen het geval.

  61. le système[lə sisteːm]systeem

    Le système est en panne.Het systeem ligt plat.

  62. pourcentage[puʁsɑ̃taʒ]percentage

    Le pourcentage d'élèves qui ont réussi est élevé.Het percentage leerlingen dat geslaagd is, is hoog.

  63. la question[la kɛstjɔ̃]vraag

    La question est difficile.De vraag is moeilijk.

  64. le nombre[lə nɔ̃bʁ]aantal

    Le nombre de participants est élevé.Het aantal deelnemers is hoog.

  65. le gouvernement[lə guvɛʁnəmɑ̃]regering

    Le gouvernement a annoncé de nouvelles mesures.De regering heeft nieuwe maatregelen aangekondigd.

  66. tenir[təniʁ]vasthouden

    Tenez ce sac pour moi.Houd deze tas voor me vast.

  67. la guerre[la ɡɛʁ]oorlog

    La guerre a eu un impact dévastateur.De oorlog had een verwoestende impact.

  68. national[nasjɔ.nal]nationaal

    C'est une fête nationale.Het is een nationale feestdag.

  69. un livre[œ̃ livʁ]boek

    J'ai lu un bon livre hier.Ik heb gisteren een goed boek gelezen.

  70. le côté[lə kɔ.te]kant

    Le côté droit de la rue est plus animé.De rechterkant van de straat is levendiger.

  71. fournir[fuʁ.niʁ]verstrekken, leveren

    L'hôtel fournit des serviettes.Het hotel zorgt voor handdoeken.

  72. le service[lə sɛʁ.vis]service

    Le service à la clientèle est excellent.De klantenservice is uitstekend.

  73. le pouvoir[lə pu.vwaʁ]macht

    Le pouvoir du peuple est important.De macht van het volk is belangrijk.

  74. la loi[la lwa]wet

    Il a enfreint la loi.Hij heeft de wet overtreden.

  75. continuer[kɔ̃.tinɥe]doorgaan

    Continue ton travail.Ga door met je werk.

  76. le moins[lə mwɛ̃]het minst

    C'est lui qui travaille le moins.Hij is degene die het minst werkt.

  77. la communauté[la kɔ.my.ni.te]gemeenschap

    La communauté locale est très unie.De lokale gemeenschap is erg hecht.

  78. diriger[di.ri.ʒe]leiden

    Elle dirige l'équipe.Zij leidt het team.

  79. l'enfant[l‿ɑ̃.fɑ̃]kind

    L'enfant a besoin d'attention.Het kind heeft aandacht nodig.

  80. public[py.blik]openbaar

    C'est un lieu public.Het is een openbare plek.

  81. social[so.sjal]sociaal

    Les réseaux sociaux sont très populaires.Sociale media zijn erg populair.

  82. permettre[pɛʁ.mɛtʁ]toestaan

    Je vous permets de partir.Ik sta je toe te vertrekken.

  83. le niveau[lə ni.vo]niveau

    Le niveau d'eau est élevé.Het waterniveau is hoog.

  84. sûr[syʁ]zeker

    Je suis sûr de mon choix.Ik ben zeker van mijn keuze.

  85. bas[ba]laag

    Le prix est bas.De prijs is laag.

  86. offrir[ɔ.fʁiʁ]aanbieden, schenken

    Je vous offre un cadeau.Ik geef je een cadeau.

  87. la recherche[la ʁə.ʃɛʁʃ]onderzoek

    La recherche scientifique est importante.Wetenschappelijk onderzoek is belangrijk.

  88. le gars[lə ɡaʁ]kerel

    Ce gars est sympa.Die kerel is aardig.

  89. capable[ka.pabl]in staat

    Je suis capable de le faire.Ik ben in staat het te doen.

  90. le processus[lə pʁɔ.sɛ.sys]proces

    Le processus de fabrication est complexe.Het productieproces is complex.

  91. apparaître[a.pa.ʁɛtʁ]verschijnen

    Un chat est soudainement apparu.Er verscheen plotseling een kat.

  92. considérer[kɔ̃.si.de.ʁe]overwegen

    J'ai considéré toutes les options.Ik heb alle opties overwogen.

  93. l'éducation[le.dy.ka.sjɔ̃]onderwijs

    L'éducation est essentielle.Onderwijs is essentieel.

  94. l'humain[l‿ymɛ̃]mens

    L'humain est un être complexe.De mens is een complex wezen.

  95. s'attendre à[satɑ̃dʁ a]verwachten

    Je m'attends à ce qu'il pleuve.Ik verwacht dat het gaat regenen.

  96. servir[sɛʁviʁ]serveren

    Il sert le café.Hij serveert de koffie.

  97. la mort[la mɔʁ]dood

    La mort est inévitable.De dood is onvermijdelijk.

  98. l'expérience[lekspɛʁjɑ̃s]ervaring

    J'ai une grande expérience dans ce domaine.Ik heb veel ervaring op dit gebied.

  99. tuer[tɥe]doden

    Il a tué un homme.Hij heeft een man gedood.

  100. atteindre[atɛ̃dʁ]bereiken

    J'ai atteint le sommet de la montagne.Ik heb de top van de berg bereikt.

801–900l'effet, suggérer, contrôler, élever, majeur, eux-mêmes, le champ, le rôle …
  1. l'effet[lefe]effect, werking

    L'effet de ce médicament est rapide.Het effect van dit medicijn is snel.

  2. suggérer[syʒeʁe]voorstellen

    Je te suggère d'aller voir un médecin.Ik stel voor dat je naar een dokter gaat.

  3. contrôler[kɔ̃tʁole]beheersen

    Il contrôle la situation.Hij heeft de situatie onder controle.

  4. élever[eleve]opvoeden

    Elle élève son enfant seule.Ze voedt haar kind alleen op.

  5. majeur[maʒœʁ]groot, belangrijk

    C'est un problème majeur.Het is een groot probleem.

  6. eux-mêmes[ø̃ mɛm]zelf

    Ils se sont fait du mal eux-mêmes.Ze hebben zichzelf pijn gedaan.

  7. le champ[lə ʃɑ̃]veld, akker

    Il travaille dans le champ.Hij werkt op het veld.

  8. le rôle[lə ʁɔl]rol

    Elle a un rôle important dans l'entreprise.Zij heeft een belangrijke rol in het bedrijf.

  9. mieux[mjø]beter

    J'ai fait mieux cette fois.Ik heb het deze keer beter gedaan.

  10. le taux[to]percentage

    Le taux de chômage est en baisse.Het werkloosheidspercentage daalt.

  11. le leader[lɛ.dœʁ]leider

    Le leader du parti a prononcé un discours.De partijleider hield een toespraak.

  12. la lumière[ly.mjɛʁ]licht

    La lumière est allumée.Het licht is aan.

  13. tout[tu]heel

    Toute la famille était là.De hele familie was er.

  14. la voix[vwa]stem

    La voix de l'actrice est magnifique.De stem van de actrice is prachtig.

  15. le cœur[kœʁ]hart

    Le cœur de la ville est très animé.Het hart van de stad is erg levendig.

  16. le soin[swɛ̃]zorg

    Prendre soin de soi est important.Voor jezelf zorgen is belangrijk.

  17. l'esprit[ɛs.pʁi]geest

    J'ai l'esprit ailleurs.Ik ben met mijn gedachten ergens anders.

  18. la drogue[dʁɔɡ]drug

    La drogue est illégale.Drugs zijn illegaal.

  19. tirer[ti.ʁe]trekken

    Tirez la porte.Trek aan de deur.

  20. la décision[de.si.zjɔ̃]beslissing

    J'ai pris une décision.Ik heb een beslissing genomen.

  21. développer[de.vlop.e]ontwikkelen

    Il faut développer l'économie.We moeten de economie ontwikkelen.

  22. le point de vue[pwɛ̃ də vy]standpunt, oogpunt

    De mon point de vue, c'est une bonne idée.Vanuit mijn oogpunt is het een goed idee.

  23. la conduite[kɔ̃.dɥit]rijden

    La conduite est dangereuse.Rijden is gevaarlijk.

  24. le département[de.paʁ.tə.mɑ̃]afdeling

    Le département des ventes a atteint ses objectifs.De verkoopafdeling heeft haar doelen bereikt.

  25. la relation[ʁə.la.sjɔ̃]relatie

    J'ai une bonne relation avec mes collègues.Ik heb een goede relatie met mijn collega's.

  26. recevoir[ʁə.sə.vwaʁ]ontvangen, krijgen

    J'ai reçu un cadeau.Ik heb een cadeau gekregen.

  27. la société[so.sje.te]samenleving

    La société évolue constamment.De samenleving ontwikkelt zich voortdurend.

  28. l'église[e.ɡliz]kerk

    L'église est un lieu de culte.De kerk is een gebedshuis.

  29. international[ɛ̃.tɛʁ.na.sjɔ.nal]internationaal

    C'est une entreprise internationale.Het is een internationaal bedrijf.

  30. la position[pɔ.zi.sjɔ̃]standpunt, positie

    Quelle est votre position sur ce sujet ?Wat is je standpunt over dit onderwerp?

  31. le directeur[di.ʁɛk.tœʁ]directeur

    Le directeur a présenté le nouveau projet.De directeur heeft het nieuwe project gepresenteerd.

  32. le dossier[dɔ.sje]dossier, map

    J'ai trouvé le dossier dans l'armoire.Ik heb het dossier in de kast gevonden.

  33. la saison[sa.zɔ̃]seizoen

    La saison des pluies est arrivée.Het regenseizoen is aangebroken.

  34. le soutien[su.tjɛ̃]steun

    Il a besoin de soutien pour son projet.Hij heeft steun nodig voor zijn project.

  35. le couple[kupl]stel

    Ce couple est marié depuis 20 ans.Dit stel is al 20 jaar getrouwd.

  36. produire[pʁɔ.dyiʁ]produceren

    Cette usine produit des voitures.Deze fabriek produceert auto's.

  37. le site[sit]site, website

    Le site web de l'entreprise est très complet.De website van het bedrijf is heel uitgebreid.

  38. frapper[fʁa.pe]slaan

    Il a frappé la balle avec force.Hij sloeg de bal met kracht.

  39. l'industrie[ɛ̃.dy.stʁi]industrie

    L'industrie automobile est en plein essor.De auto-industrie maakt een sterke groei door.

  40. la figure[fi.gyʁ]figuur

    Cette figure géométrique est un triangle.Deze geometrische figuur is een driehoek.

  41. clair[klɛʁ]helder, duidelijk

    Le ciel est clair aujourd'hui.De lucht is vandaag helder.

  42. la couverture[ku.vɛʁ.tyʁ]omslag

    La couverture du livre est très attrayante.De omslag van het boek is heel aantrekkelijk.

  43. récent[ʁe.sɑ̃]recent

    Les événements récents ont changé la situation.De recente gebeurtenissen hebben de situatie veranderd.

  44. les données[do.ne]gegevens

    Les données montrent une augmentation des ventes.De gegevens tonen een stijging van de verkoop.

  45. l'huile[ɥil]olie

    L'huile d'olive est un ingrédient important en cuisine.Olijfolie is een belangrijk ingrediënt in de keuken.

  46. général[ʒe.ne.ʁal]algemeen

    La situation générale est stable.De algemene situatie is stabiel.

  47. attraper[a.tʁa.pe]vangen

    J'ai attrapé le ballon.Ik heb de bal gevangen.

  48. l'étape[e.tap]stap, etappe

    L'étape suivante est de choisir un thème.De volgende stap is een thema kiezen.

  49. l'attention[a.tɑ̃.sjɔ̃]aandacht

    Veuillez accorder votre attention à ce qui suit.Besteed alsjeblieft aandacht aan het volgende.

  50. la technologie[tɛk.nɔ.lɔ.ʒi]technologie

    La technologie évolue rapidement.De technologie ontwikkelt zich snel.

  51. l'organisation[ɔʁ.ɡa.ni.za.sjɔ̃]organisatie

    L'organisation de l'événement a été parfaite.De organisatie van het evenement was perfect.

  52. la source[surs]bron

    La source d'information est fiable.De informatiebron is betrouwbaar.

  53. la cause[koz]oorzaak

    La cause de l'accident est encore inconnue.De oorzaak van het ongeluk is nog onbekend.

  54. la preuve[pʁœv]bewijs

    Il n'y a aucune preuve de sa culpabilité.Er is geen enkel bewijs van zijn schuld.

  55. le siècle[sjekl]eeuw

    Le XXe siècle a été marqué par de grandes guerres.De twintigste eeuw werd getekend door grote oorlogen.

  56. la chance[ʃɑ̃s]geluk, kans

    J'ai eu la chance de gagner à la loterie.Ik had het geluk dat ik de loterij won.

  57. se rendre compte[sə ʁɑ̃dʁ kɔ̃pt]beseffen

    Je me suis rendu compte que j'avais oublié mon téléphone.Ik besefte dat ik mijn telefoon vergeten was.

  58. la condition[la kɔ̃disjɔ̃]conditie, voorwaarde

    Il est en bonne condition physique.Hij is in goede fysieke conditie.

  59. probable[pʁɔbabl]waarschijnlijk

    Il est probable qu'il pleuvra demain.Het gaat morgen waarschijnlijk regenen.

  60. l'occasion[lɔkazjɔ̃]gelegenheid, kans

    J'ai eu l'occasion de voyager en France.Ik heb de kans gehad om naar Frankrijk te reizen.

  61. le choix[lə ʃwa]keuze

    Tu as le choix entre le fromage et le dessert.Je hebt de keuze tussen kaas en een toetje.

  62. unique[ynik]uniek

    C'est une occasion unique.Het is een unieke kans.

  63. le patient[lə pasjɑ̃]patiënt

    Le patient a besoin de repos.De patiënt heeft rust nodig.

  64. le terme[lə tɛʁm]term

    Je ne comprends pas le terme "philosophie".Ik begrijp de term “filosofie” niet.

  65. la matière[la matjɛʁ]materiaal, stof

    Le bois est une matière première.Hout is een grondstof.

  66. l'énergie[lɛnɛʁʒi]energie

    L'énergie solaire est une source d'énergie renouvelable.Zonne-energie is een hernieuwbare energiebron.

  67. la population[la pɔpylasjɔ̃]bevolking

    La population de Paris est très importante.De bevolking van Parijs is erg groot.

  68. impliquer[ɛ̃plikɛ]betrekken, inhouden

    Ce projet implique beaucoup de personnes.Bij dit project zijn veel mensen betrokken.

  69. augmenter[ogmɑ̃te]stijgen, verhogen

    Les prix ont augmenté ces derniers mois.De prijzen zijn de afgelopen maanden gestegen.

  70. le futur[lə fytyʁ]toekomst

    Le futur est incertain.De toekomst is onzeker.

  71. médical[medikal]medisch

    J'ai besoin de soins médicaux.Ik heb medische zorg nodig.

  72. le conseil d'administration[lə kɔ̃sɛj dadministʁasjɔ̃]raad van bestuur

    Le conseil d'administration a approuvé le projet.De raad van bestuur heeft het project goedgekeurd.

  73. l'accord[lakɔʁ]akkoord, overeenkomst

    Ils ont conclu un accord.Ze hebben een akkoord gesloten.

  74. le repos[lə ʁəpo]rust

    J'ai besoin de repos.Ik heb rust nodig.

  75. le combat[lə kɔ̃ba]gevecht, strijd

    Le combat a duré toute la nuit.Het gevecht duurde de hele nacht.

  76. lancer[lɑ̃se]gooien

    Lance la balle, s'il te plaît.Gooi de bal, alsjeblieft.

  77. l'officier[lɔfisje]officier

    L'officier de police a arrêté le suspect.De politieagent arresteerde de verdachte.

  78. le sommet[lə sɔmɛ]top

    Le sommet de la montagne est enneigé.De top van de berg is besneeuwd.

  79. l'auteur[lɔtœʁ]auteur, schrijver

    L'auteur de ce livre est un célèbre écrivain.De auteur van dit boek is een beroemde schrijver.

  80. le but[lə by]doel

    Mon but est de réussir dans la vie.Mijn doel is om te slagen in het leven.

  81. le comportement[lə kɔ̃pɔʁtmɑ̃]gedrag

    Son comportement est inacceptable.Zijn gedrag is onaanvaardbaar.

  82. une goutte[yn ɡut]druppel

    Une goutte d'eau est tombée sur ma main.Er viel een druppel water op mijn hand.

  83. la nature[la natyʁ]natuur

    La nature est belle.De natuur is mooi.

  84. pousser[puse]duwen

    Pousser la porte pour entrer.Duw de deur open om naar binnen te gaan.

  85. se concentrer[sə kɔ̃sɑ̃tʁe]zich concentreren

    Je me concentre sur mes études.Ik concentreer me op mijn studie.

  86. réduire[ʁedyiʁ]verminderen

    Il faut réduire les émissions de CO2.We moeten de CO2-uitstoot verminderen.

  87. un milliard[œ̃ miljaʁ]miljard

    Il a gagné un milliard de dollars.Hij heeft een miljard dollar verdiend.

  88. le sang[lə sɑ̃]bloed

    Le sang coule dans nos veines.Het bloed stroomt door onze aderen.

  89. entrer[ɑ̃tʁe]binnenkomen

    Entrez, s'il vous plaît.Kom binnen, alsjeblieft.

  90. une série[yn seʁi]serie

    J'aime cette série télévisée.Ik vind deze tv-serie leuk.

  91. la course[la kuʁs]race, wedloop

    La course a commencé.De race is begonnen.

  92. mort[mɔʁ]dood

    Le chat est mort.De kat is dood.

  93. agir[aʒiʁ]handelen

    Il a agi rapidement.Hij handelde snel.

  94. sauver[sove]redden

    Il a sauvé la vie d'un enfant.Hij heeft het leven van een kind gered.

  95. le facteur[lə faktœʁ]factor

    L'âge est un facteur important.Leeftijd is een belangrijke factor.

  96. protéger[pʁɔteʒe]beschermen

    Il faut protéger l'environnement.We moeten het milieu beschermen.

  97. la taille[la taj]grootte

    La taille de la boîte est grande.De grootte van de doos is groot.

  98. la qualité[la kalite]kwaliteit

    La qualité du produit est excellente.De kwaliteit van het product is uitstekend.

  99. accepter[aksepte]accepteren

    J'accepte votre invitation.Ik accepteer je uitnodiging.

  100. le signe[lə siɲ]teken

    C'est un bon signe.Dat is een goed teken.

901–1000attaquer, un individu, la pensée, la scène, identifier, la quantité, argumenter, reconnaître …
  1. attaquer[atake]aanvallen

    Les soldats ont attaqué le château.De soldaten hebben het kasteel aangevallen.

  2. un individu[œ̃ ɛ̃dividy]individu

    Chaque individu est unique.Elk individu is uniek.

  3. la pensée[la pɑ̃se]gedachte, denken

    La pensée est un processus complexe.Het denken is een complex proces.

  4. la scène[la sen]scène

    La scène était magnifique.De scène was prachtig.

  5. identifier[idɑ̃tifje]identificeren

    Il a identifié le suspect.Hij heeft de verdachte geïdentificeerd.

  6. la quantité[la kɑ̃tite]hoeveelheid

    La quantité de nourriture est suffisante.De hoeveelheid eten is voldoende.

  7. argumenter[aʁɡymɑ̃te]argumenteren

    Ils ont argumenté pendant des heures.Ze hebben urenlang geargumenteerd.

  8. reconnaître[ʁəkɔnɛtʁ]herkennen

    J'ai reconnu son visage.Ik herkende zijn gezicht.

  9. un degré[dɛɡʁe]graad, mate

    Le degré de difficulté de cet examen était élevé.De moeilijkheidsgraad van dit examen was hoog.

  10. simple[sɛ̃pl]eenvoudig

    C'est une tâche simple.Het is een eenvoudige taak.

  11. une capacité[kapasite]vermogen, capaciteit

    Il a la capacité de parler plusieurs langues.Hij heeft het vermogen om meerdere talen te spreken.

  12. une maladie[maladi]ziekte

    Il souffre d'une maladie grave.Hij lijdt aan een ernstige ziekte.

  13. une région[reʒjɔ̃]regio

    La région est connue pour ses paysages magnifiques.De regio staat bekend om zijn prachtige landschappen.

  14. une formation[fɔʁmasjɔ̃]opleiding

    Il a reçu une formation en informatique.Hij heeft een opleiding in informatica gevolgd.

  15. à l'extérieur[a lɛkstɛʁjœʁ]buiten

    Il attend à l'extérieur.Hij wacht buiten.

  16. échouer[eʃwe]mislukken, zakken

    Il a échoué à l'examen.Hij is voor het examen gezakt.

  17. un avantage[avɑ̃taʒ]voordeel

    Ce projet présente de nombreux avantages.Dit project heeft veel voordelen.

  18. un caractère[kaʁaktɛʁ]karakter

    Il a un caractère fort.Hij heeft een sterk karakter.

  19. une armée[arme]leger

    L'armée a remporté la bataille.Het leger heeft de slag gewonnen.

  20. présent[pʁeze]aanwezig

    Il est présent à la réunion.Hij is aanwezig op de vergadering.

  21. un crime[kʁim]misdaad

    Il a commis un crime grave.Hij heeft een ernstige misdaad gepleegd.

  22. une photographie[fotoɡʁafi]foto

    Il a pris une photographie de la vue.Hij heeft een foto van het uitzicht gemaakt.

  23. en avant[ɑ̃ navɑ̃]vooruit

    Il a fait un pas en avant.Hij deed een stap vooruit.

  24. une scène[sen]podium

    Il est monté sur scène pour chanter.Hij ging het podium op om te zingen.

  25. une sorte[sɔʁt]soort

    Il y a une sorte de mystère dans cette affaire.Er hangt een soort mysterie rond deze zaak.

  26. une connaissance[kɔnɛsɑ̃s]kennis

    Il a une grande connaissance de l'histoire.Hij heeft veel kennis van geschiedenis.

  27. une stratégie[strateʒi]strategie

    Il a élaboré une stratégie pour réussir.Hij heeft een strategie ontwikkeld om te slagen.

  28. un fusil[fyzi]geweer

    Il a pointé son fusil sur la cible.Hij richtte zijn geweer op het doelwit.

  29. un environnement[ɑ̃viʁɔnmɑ̃]milieu

    Il est important de protéger l'environnement.Het is belangrijk om het milieu te beschermen.

  30. un avocat[avoka]advocaat

    Il a embauché un avocat pour le défendre.Hij heeft een advocaat ingehuurd om hem te verdedigen.

  31. un responsable[ʁesɔ̃sabl]verantwoordelijke, manager

    Le responsable a annoncé les résultats.De verantwoordelijke maakte de resultaten bekend.

  32. enlever[ɑ̃lve]weghalen, uittrekken

    Il a enlevé ses chaussures.Hij heeft zijn schoenen uitgetrokken.

  33. un professeur[pʁɔfɛsœʁ]leraar, professor

    Le professeur a donné un cours sur l'histoire.De leraar gaf een les over geschiedenis.

  34. un réseau[rezo]netwerk

    Il a développé un réseau de contacts.Hij heeft een netwerk van contacten opgebouwd.

  35. un rocher[ʁɔʃe]rots

    Il a grimpé sur le rocher.Hij klom op de rots.

  36. une chaise[yn ʃɛz]stoel

    Je me suis assis sur une chaise.Ik ging op een stoel zitten.

  37. un expert[ɛ̃ ɛksˈpɛʁ]expert, deskundige

    C'est un expert en informatique.Hij is een expert in informatica.

  38. éviter[evite]vermijden

    J'essaie d'éviter les embouteillages.Ik probeer files te vermijden.

  39. un souvenir[œ̃ suˈvniʁ]herinnering

    J'ai de bons souvenirs de mon enfance.Ik heb goede herinneringen aan mijn jeugd.

  40. répondre[ʁeˈpɔ̃dʁ]antwoorden

    Je vais répondre à votre question.Ik zal op je vraag antwoorden.

  41. physique[fiˈzik]lichamelijk, fysiek

    Il a subi des blessures physiques.Hij heeft lichamelijk letsel opgelopen.

  42. contenir[kɔ̃təˈniʁ]bevatten

    Ce sac contient tous mes livres.Deze tas bevat al mijn boeken.

  43. la paix[la pɛ]vrede

    Je recherche la paix intérieure.Ik zoek innerlijke vrede.

  44. une structure[yn stʁykˈtyʁ]structuur

    La structure de cet immeuble est très solide.De structuur van dit gebouw is erg stevig.

  45. la direction[la diʁɛkˈsjɔ̃]richting

    Quelle est la direction de la gare ?In welke richting ligt het station?

  46. un roi[œ̃ ʁwa]koning

    Le roi est le chef de l'État.De koning is het staatshoofd.

  47. une cellule[yn sɛˈly]cel

    Les cellules sont les unités de base de tous les êtres vivants.Cellen zijn de basiseenheden van alle levende wezens.

  48. particulier[paʁtikylje]bijzonder, specifiek

    J'ai un problème particulier.Ik heb een specifiek probleem.

  49. un employé[œ̃ ɑ̃plwaje]werknemer

    C'est un employé de cette entreprise.Hij is werknemer van dit bedrijf.

  50. appliquer[aplike]toepassen, aanbrengen

    J'ai appliqué du rouge à lèvres.Ik heb lippenstift aangebracht.

  51. secouer[səkue]schudden

    J'ai secoué la bouteille.Ik heb de fles geschud.

  52. découvrir[dekuvʁiʁ]ontdekken

    J'ai découvert un nouveau restaurant.Ik heb een nieuw restaurant ontdekt.

  53. gérer[ʒeˈʁe]beheren, leiden

    Il gère une grande entreprise.Hij leidt een groot bedrijf.

  54. la douleur[la dulœʁ]pijn

    Je ressens une douleur au bras.Ik voel pijn in mijn arm.

  55. une unité[yn ynite]eenheid

    Le degré Celsius est une unité de température.De graad Celsius is een eenheid van temperatuur.

  56. affecter[afekte]beïnvloeden

    Le changement climatique affecte l'environnement.Klimaatverandering beïnvloedt het milieu.

  57. un peu[œ̃ pø]een beetje

    J'ai un peu faim.Ik heb een beetje honger.

  58. à l'intérieur[a lɛ̃teʁjœʁ]binnen, binnenin

    Il y a un chat à l'intérieur de la maison.Er zit een kat binnen in het huis.

  59. s'inquiéter[sɛ̃kijete]zich zorgen maken

    Je m'inquiète pour mon examen.Ik maak me zorgen over mijn examen.

  60. effectuer[efeˈktɥe]uitvoeren

    J'effectue mon travail avec soin.Ik voer mijn werk zorgvuldig uit.

  61. nécessaire[neseseʁ]noodzakelijk, nodig

    C'est nécessaire pour le projet.Het is nodig voor het project.

  62. une conférence[yn kɔ̃.fe.ʁɑ̃s]conferentie

    La conférence était très intéressante.De conferentie was erg interessant.

  63. spécifique[spe.si.fik]specifiek

    J'ai besoin d'informations spécifiques.Ik heb specifieke informatie nodig.

  64. un hall[œ̃ al]hal

    Le hall d'entrée est grand et lumineux.De entreehal is groot en licht.

  65. un poisson[œ̃ pwa.sɔ̃]vis

    J'aime beaucoup manger du poisson.Ik eet heel graag vis.

  66. mentionner[mɑ̃.sjɔ.ne]noemen, vermelden

    Il a mentionné son nom dans son discours.Hij noemde zijn naam in zijn toespraak.

  67. des ennuis[de zɑ̃.nwi]problemen, moeilijkheden

    J'ai eu des ennuis avec ma voiture.Ik had problemen met mijn auto.

  68. le milieu[lə mi.lje]midden

    Il s'est assis au milieu de la classe.Hij ging in het midden van de klas zitten.

  69. le poids[lə pwa]gewicht

    Le poids de ce sac est trop élevé.Het gewicht van deze tas is te groot.

  70. un adulte[œ̃ a.dɥlt]volwassene

    Il est devenu un adulte responsable.Hij is een verantwoordelijke volwassene geworden.

  71. un rêve[œ̃ ʁɛv]droom

    J'ai fait un rêve étrange la nuit dernière.Ik had afgelopen nacht een vreemde droom.

  72. la peur[la pœʁ]angst

    La peur l'a paralysé.De angst verlamde hem.

  73. l'obscurité[lɔb.sky.ʁite]duisternis

    J'ai peur de l'obscurité.Ik ben bang voor het donker.

  74. une méthode[yn me.tɔd]methode

    Il utilise une nouvelle méthode d'apprentissage.Hij gebruikt een nieuwe leermethode.

  75. lourd[luʁ]zwaar

    Ce livre est très lourd.Dit boek is erg zwaar.

  76. un soldat[œ̃ sɔl.da]soldaat

    Le soldat a été blessé au combat.De soldaat raakte gewond in de strijd.

  77. l'épaule[le.po.l]schouder

    Il a ressenti une douleur à l'épaule.Hij voelde pijn in zijn schouder.

  78. une colline[yn kɔ.lin]heuvel

    Nous avons grimpé la colline.We zijn de heuvel op geklommen.

  79. exister[ɛɡ.zis.te]bestaan

    Le bonheur existe.Geluk bestaat.

  80. la mer[la mɛʁ]zee

    J'aime nager dans la mer.Ik zwem graag in de zee.

  81. un modèle[œ̃ mɔ.dɛl]model

    J'aime le modèle de cette robe.Ik vind het model van deze jurk mooi.

  82. le propriétaire[lə pʁɔ.pʁi.je.tɛʁ]eigenaar

    Le propriétaire de la maison est parti en vacances.De eigenaar van het huis is op vakantie gegaan.

  83. une discussion[yn dis.ky.sjɔ̃]discussie

    Nous avons eu une discussion animée.We hadden een levendige discussie.

  84. la peau[la po]huid

    La peau est l'organe le plus grand du corps.De huid is het grootste orgaan van het lichaam.

  85. la chaleur[la ʃa.lœʁ]hitte, warmte

    La chaleur est intense aujourd'hui.De hitte is vandaag hevig.

  86. remarquer[ʁə.mar.ke]opmerken, merken

    J'ai remarqué un changement dans son comportement.Ik merkte een verandering in zijn gedrag op.

  87. battre[batʁ]slaan, kloppen

    Son cœur battait fort.Zijn hart klopte hevig.

  88. un doigt[œ̃ dwa]vinger

    Il a montré la porte du doigt.Hij wees met zijn vinger naar de deur.

  89. un lac[œ̃ lak]meer

    Le lac est entouré de montagnes.Het meer is omringd door bergen.

  90. une tâche[yn taʃ]taak

    J'ai beaucoup de tâches à faire aujourd'hui.Ik heb vandaag veel taken te doen.

  91. un article[œ̃ aʁtikl]artikel

    Cet article est en solde.Dit artikel is in de uitverkoop.

  92. un sourire[œ̃ suʁiʁ]glimlach

    Elle m'a offert un sourire chaleureux.Ze schonk me een warme glimlach.

  93. du gaz[dy gaz]gas

    Il y a une odeur de gaz dans la cuisine.Er hangt een gaslucht in de keuken.

  94. une piste[yn pist]baan

    Les athlètes courent sur la piste.De atleten rennen op de baan.

  95. un public[œ̃ pyblik]publiek

    Le public a applaudi à la fin du spectacle.Het publiek applaudisseerde aan het einde van de voorstelling.

  96. une dame[yn dam]dame

    La dame à côté de moi est très gentille.De dame naast me is erg aardig.

  97. empêcher[ɑ̃peʃe]verhinderen, voorkomen

    Rien ne peut empêcher le temps de passer.Niets kan verhinderen dat de tijd verstrijkt.

  98. aucun[o.kœ̃]geen, geen enkel

    Il n'y a aucun problème.Er is geen enkel probleem.

  99. un coach[œ̃ kɔatʃ]coach

    Mon coach m'aide à progresser.Mijn coach helpt me vooruitgang te boeken.

  100. un discours[œ̃ diskur]toespraak

    Le président a fait un discours important.De president hield een belangrijke toespraak.

Leer deze woorden met flashcards

Zo leer je de Franse woorden van deze lijst

Lees honderd woorden, verberg de vertalingen en kijk welke je al kent. Zeg ze daarna hardop: in het Frans is een woord dat je kunt lezen nog geen woord dat je kunt verstaan.

De woorden die je niet kent, blijven alleen hangen als je ze opnieuw tegenkomt, in zinnen die iets betekenen. De Franse verhalen voor beginners op Lingard zijn met dit soort woorden geschreven: tik op een woord en je ziet wat het in die zin betekent, bewaar het en het komt terug in korte herhalingen tot je het kent.

In het Frans is de transcriptie belangrijker dan waar ook, want eindletters spreek je meestal niet uit: de p van beaucoup, de t van petit, de s van trois. Lees elk nieuw woord samen met zijn transcriptie.

Vragen over de lijst

Hoeveel woorden heb ik nodig om Frans te spreken?
De duizend meest voorkomende woorden van een taal vormen ongeveer driekwart van een gewone tekst. Deze lijst ligt dicht bij die kern, dus het is de juiste plek om te beginnen. Om een film te volgen of een roman te lezen heb je er nog een paar duizend meer nodig.
Staat deze lijst met Franse woorden op volgorde van frequentie?
Op volgorde van nut voor wie de taal leert. De lijst volgt de verzamelingen ‘Nuttigste woorden’ voor A1 en daarna A2: eerst de meest voorkomende woorden, daarna alledaagse zelfstandige naamwoorden als un vélo en un sandwich. Het is geen kale telling in een corpus van het Frans.
Wat komt er na de eerste duizend Franse woorden?
De rest van A2, dan B1, B2 en C1: in totaal ongeveer 4.300 woorden, in dezelfde verzamelingen in de app. En ga dan lezen: een Frans verhaal op A2 laat je horen hoe deze woorden samen klinken en hoe de korte met het volgende woord samensmelten, zoals in l'ami of j'ai.

Andere talen: De 1000 meest gebruikte Engelse woordenDe 1000 meest gebruikte Spaanse woordenDe 1000 meest gebruikte Duitse woorden