le siècle[lə sjɛkl]eeuw
Nous vivons au XXIe siècle.
We leven in de 21e eeuw.
la société[la sɔsjete]samenleving, maatschappij; bedrijf
La société évolue vite.
De samenleving verandert snel.
la population[la pɔpylasjɔ̃]bevolking
La population de la ville augmente.
De bevolking van de stad neemt toe.
développer[devlɔpe]ontwikkelen
L'entreprise développe de nouveaux produits.
Het bedrijf ontwikkelt nieuwe producten.
produire[pʁɔdɥiʁ]produceren
Cette usine produit des voitures.
Deze fabriek produceert auto's.
l'industrie[lɛ̃dystʁi]industrie
L'industrie automobile est très importante en France.
De auto-industrie is erg belangrijk in Frankrijk.
la technologie[la tɛknɔlɔʒi]technologie
La technologie évolue rapidement.
De technologie ontwikkelt zich snel.
l'organisation[lɔʁɡanizasjɔ̃]organisatie
L'organisation de la fête était parfaite.
De organisatie van het feest was perfect.
répondre[ʁepɔ̃dʁ]antwoorden, reageren
Je vais répondre à votre question.
Ik zal op je vraag antwoorden.
simple[sɛ̃pl]eenvoudig, simpel
C'est une tâche simple.
Het is een eenvoudige taak.
à l'extérieur[a lɛkstɛʁjœʁ]buiten
Il m'attend à l'extérieur.
Hij wacht buiten op me.
à l'intérieur[a lɛ̃teʁjœʁ]binnen
Il fait bon à l'intérieur.
Het is lekker binnen.
un peu[œ̃ pø]een beetje
J'ai un peu faim.
Ik heb een beetje honger.
particulier[paʁtikylje]bijzonder, specifiek; particulier
J'ai un problème particulier.
Ik heb een specifiek probleem.
en avant[ɑ̃n‿avɑ̃]vooruit, naar voren
Il a fait un pas en avant.
Hij deed een stap vooruit.
la photographie[la fɔtɔɡʁafi]foto
Il a pris une photographie de la mer.
Hij heeft een foto van de zee genomen.
la taille[la taj]maat; lengte
Quelle taille faites-vous ?
Welke maat hebt u?
la qualité[la kalite]kwaliteit
La qualité du produit est excellente.
De kwaliteit van het product is uitstekend.
la quantité[la kɑ̃tite]hoeveelheid
La quantité de nourriture est suffisante.
De hoeveelheid eten is voldoende.
la sorte[la sɔʁt]soort
Quelle sorte de musique aimes-tu ?
Van wat voor soort muziek houd je?
la direction[la diʁɛksjɔ̃]richting
Nous allons dans la mauvaise direction.
We gaan in de verkeerde richting.
le degré[lə dəɡʁe]graad
Il fait combien de degrés aujourd'hui ?
Hoeveel graden is het vandaag?
le signe[lə siɲ]teken
C'est un bon signe.
Dat is een goed teken.
l'avis[lavi]mening
Quel est ton avis ?
Wat is jouw mening?
la pensée[la pɑ̃se]gedachte
Mes pensées étaient ailleurs.
Mijn gedachten waren ergens anders.
le souvenir[lə suvniʁ]herinnering
J'ai de bons souvenirs de mon enfance.
Ik heb goede herinneringen aan mijn jeugd.
la mémoire[la memwaʁ]geheugen
J'ai une bonne mémoire.
Ik heb een goed geheugen.
la connaissance[la kɔnɛsɑ̃s]kennis; kennis (persoon)
Il a une grande connaissance de l'histoire.
Hij heeft veel kennis van geschiedenis.
la capacité[la kapasite]vermogen, capaciteit
Il a la capacité de parler plusieurs langues.
Hij heeft het vermogen om meerdere talen te spreken.
l'avantage[lavɑ̃taʒ]voordeel
Ce petit appartement a beaucoup d'avantages.
Dit kleine appartement heeft veel voordelen.
le caractère[lə kaʁaktɛʁ]karakter
Ma sœur a un caractère fort.
Mijn zus heeft een sterk karakter.
le personnage[lə pɛʁsɔnaʒ]personage
Le personnage principal du livre est un détective.
Het hoofdpersonage van het boek is een detective.
la maladie[la maladi]ziekte
La grippe est une maladie.
Griep is een ziekte.
la douleur[la dulœʁ]pijn
J'ai une douleur au bras.
Ik heb pijn in mijn arm.
le sang[lə sɑ̃]bloed
Le sang est rouge.
Bloed is rood.
sauver[sove]redden
Il a sauvé un enfant du feu.
Hij heeft een kind uit het vuur gered.
protéger[pʁɔteʒe]beschermen
Il faut protéger la nature.
We moeten de natuur beschermen.
éviter[evite]vermijden
J'essaie d'éviter les embouteillages.
Ik probeer files te vermijden.
enlever[ɑ̃lve]weghalen, uittrekken
Il a enlevé ses chaussures.
Hij heeft zijn schoenen uitgetrokken.
contenir[kɔ̃təniʁ]bevatten
Ce sac contient tous mes livres.
Deze tas bevat al mijn boeken.
découvrir[dekuvʁiʁ]ontdekken
J'ai découvert un nouveau restaurant.
Ik heb een nieuw restaurant ontdekt.
reconnaître[ʁəkɔnɛtʁ]herkennen
J'ai reconnu son visage.
Ik herkende zijn gezicht.
accepter[aksɛpte]accepteren, aannemen
J'accepte votre invitation.
Ik neem je uitnodiging aan.
pousser[puse]duwen
Poussez la porte pour entrer.
Duw tegen de deur om binnen te komen.
secouer[səkwe]schudden
J'ai secoué la bouteille.
Ik heb de fles geschud.
monter[mɔ̃te]omhooggaan, stijgen, klimmen
Les prix montent chaque année.
De prijzen stijgen elk jaar.
entrer[ɑ̃tʁe]binnenkomen, binnengaan
Entrez, s'il vous plaît.
Kom binnen, alsjeblieft.
se disputer[sə dispyte]ruziemaken
Les enfants se disputent tout le temps.
De kinderen maken de hele tijd ruzie.
s'inquiéter[sɛ̃kjete]zich zorgen maken
Ne t'inquiète pas, tout va bien.
Maak je geen zorgen, alles is goed.
se concentrer[sə kɔ̃sɑ̃tʁe]zich concentreren
Je me concentre sur mes études.
Ik concentreer me op mijn studie.
échouer[eʃwe]mislukken, zakken
Il a échoué à l'examen.
Hij is voor het examen gezakt.
affecter[afɛkte]beïnvloeden
La météo affecte mon humeur.
Het weer beïnvloedt mijn humeur.
réduire[ʁedɥiʁ]verminderen
Je veux réduire le sucre.
Ik wil minder suiker gebruiken.
appliquer[aplike]toepassen, aanbrengen
Il faut appliquer la crème sur la peau.
Je moet de crème op de huid aanbrengen.
gérer[ʒeʁe]beheren, leiden
Il gère une petite entreprise.
Hij leidt een klein bedrijf.
agir[aʒiʁ]handelen
Il faut agir vite.
We moeten snel handelen.
nécessaire[nesesɛʁ]noodzakelijk, nodig
Le passeport est nécessaire pour le voyage.
Het paspoort is nodig voor de reis.
physique[fizik]lichamelijk, fysiek
Le sport est bon pour la forme physique.
Sport is goed voor de lichamelijke conditie.
la fois[la fwa]keer, maal
C'est la première fois que je viens ici.
Het is de eerste keer dat ik hier kom.
la série[la seʁi]serie
J'aime beaucoup cette série.
Ik vind deze serie erg leuk.
la scène[la sɛn]scène; toneel, podium
Les acteurs montent sur scène.
De acteurs komen het toneel op.
la course[la kuʁs]race, wedloop; boodschap
Il a gagné la course.
Hij heeft de race gewonnen.
la formation[la fɔʁmasjɔ̃]opleiding
Elle suit une formation de cuisinière.
Ze volgt een opleiding tot kok.
le rocher[lə ʁɔʃe]rots
Il a grimpé sur le rocher.
Hij klom op de rots.
la goutte[la ɡut]druppel
Une goutte d'eau est tombée sur ma main.
Er viel een druppel water op mijn hand.
la nature[la natyʁ]natuur
Le week-end, on aime être dans la nature.
In het weekend zijn we graag in de natuur.
l'environnement[lɑ̃viʁɔnmɑ̃]milieu, omgeving
Il est important de protéger l'environnement.
Het is belangrijk om het milieu te beschermen.
la région[la ʁeʒjɔ̃]regio, streek
Cette région est connue pour son vin.
Deze regio staat bekend om zijn wijn.
le milliard[lə miljaʁ]miljard
Le pays a plus d'un milliard d'habitants.
Het land heeft meer dan een miljard inwoners.
la paix[la pɛ]vrede
Tout le monde veut la paix.
Iedereen wil vrede.
le roi[lə ʁwa]koning
Le roi habite dans un château.
De koning woont in een kasteel.
l'armée[laʁme]leger
Il a passé deux ans dans l'armée.
Hij heeft twee jaar in het leger gezeten.
l'arme[laʁm]wapen
Il a une arme à la main.
Hij heeft een wapen in zijn hand.
attaquer[atake]aanvallen
Le chien a attaqué le chat.
De hond heeft de kat aangevallen.
le crime[lə kʁim]misdaad, misdrijf
Il a commis un crime grave.
Hij heeft een ernstige misdaad gepleegd.
l'avocat[lavɔka]advocaat
Il a besoin d'un bon avocat.
Hij heeft een goede advocaat nodig.
l'employé[lɑ̃plwaje]werknemer
L'entreprise a vingt employés.
Het bedrijf heeft twintig werknemers.
le responsable[lə ʁɛspɔ̃sabl]verantwoordelijke, manager
Le responsable a annoncé les résultats.
De verantwoordelijke maakte de resultaten bekend.
l'expert[lɛkspɛʁ]expert, deskundige
C'est un expert en informatique.
Hij is een expert in informatica.
le réseau[lə ʁezo]netwerk
Il n'y a pas de réseau ici.
Er is hier geen bereik.
le rêve[lə ʁɛv]droom
J'ai fait un rêve bizarre cette nuit.
Ik heb vannacht een rare droom gehad.
la peur[la pœʁ]angst
Mon frère a peur des chiens.
Mijn broer is bang voor honden.
l'obscurité[lɔpskyʁite]duisternis, donker
Les enfants ont peur de l'obscurité.
De kinderen zijn bang in het donker.
lourd[luʁ]zwaar
Cette valise est trop lourde.
Deze koffer is te zwaar.
profond[pʁɔfɔ̃]diep
L'eau est très profonde ici.
Het water is hier erg diep.
large[laʁʒ]breed
Cette rue est très large.
Deze straat is erg breed.
normal[nɔʁmal]normaal
C'est normal de faire des erreurs au début.
Het is normaal om in het begin fouten te maken.
indépendant[ɛ̃depɑ̃dɑ̃]onafhankelijk, zelfstandig
Ma fille veut être indépendante.
Mijn dochter wil zelfstandig zijn.
spécifique[spesifik]specifiek
Vous avez une question spécifique ?
Heb je een specifieke vraag?
toucher[tuʃe]aanraken
S'il te plaît, ne touche pas le tableau.
Raak het schilderij alsjeblieft niet aan.
remarquer[ʁəmaʁke]opmerken, merken
Je n'ai pas remarqué l'erreur.
Ik heb de fout niet opgemerkt.
mentionner[mɑ̃sjɔne]noemen, vermelden
Il n'a pas mentionné son projet.
Hij heeft zijn plan niet genoemd.
cacher[kaʃe]verbergen, verstoppen
Il a caché le cadeau sous le lit.
Hij heeft het cadeau onder het bed verstopt.
blesser[blese]verwonden, bezeren
Je me suis blessé au pied en jouant au foot.
Ik heb mijn voet bezeerd bij het voetballen.
faire mal[fɛʁ mal]pijn doen
Aïe, ça me fait mal !
Au, dat doet pijn!
battre[batʁ]slaan, kloppen; verslaan
Mon cœur bat plus vite.
Mijn hart klopt sneller.
remplacer[ʁɑ̃plase]vervangen
Nous devons remplacer la vieille lampe.
We moeten de oude lamp vervangen.
refuser[ʁəfyze]weigeren, afslaan
Elle a refusé l'offre de travail.
Ze heeft het baanaanbod afgeslagen.
empêcher[ɑ̃peʃe]verhinderen, beletten
Le bruit m'empêche de dormir.
Het lawaai belet me te slapen.
exprimer[ɛkspʁime]uiten, uitdrukken
C'est difficile d'exprimer ses sentiments dans une autre langue.
Het is moeilijk om je gevoelens in een andere taal te uiten.