attaquer[atake]aanvallen
Les soldats ont attaqué le château.
De soldaten hebben het kasteel aangevallen.
un individu[œ̃ ɛ̃dividy]individu
Chaque individu est unique.
Elk individu is uniek.
la pensée[la pɑ̃se]gedachte, denken
La pensée est un processus complexe.
Het denken is een complex proces.
la scène[la sen]scène
La scène était magnifique.
De scène was prachtig.
identifier[idɑ̃tifje]identificeren
Il a identifié le suspect.
Hij heeft de verdachte geïdentificeerd.
la quantité[la kɑ̃tite]hoeveelheid
La quantité de nourriture est suffisante.
De hoeveelheid eten is voldoende.
argumenter[aʁɡymɑ̃te]argumenteren
Ils ont argumenté pendant des heures.
Ze hebben urenlang geargumenteerd.
reconnaître[ʁəkɔnɛtʁ]herkennen
J'ai reconnu son visage.
Ik herkende zijn gezicht.
un degré[dɛɡʁe]graad, mate
Le degré de difficulté de cet examen était élevé.
De moeilijkheidsgraad van dit examen was hoog.
simple[sɛ̃pl]eenvoudig
C'est une tâche simple.
Het is een eenvoudige taak.
une capacité[kapasite]vermogen, capaciteit
Il a la capacité de parler plusieurs langues.
Hij heeft het vermogen om meerdere talen te spreken.
une maladie[maladi]ziekte
Il souffre d'une maladie grave.
Hij lijdt aan een ernstige ziekte.
une région[reʒjɔ̃]regio
La région est connue pour ses paysages magnifiques.
De regio staat bekend om zijn prachtige landschappen.
une formation[fɔʁmasjɔ̃]opleiding
Il a reçu une formation en informatique.
Hij heeft een opleiding in informatica gevolgd.
à l'extérieur[a lɛkstɛʁjœʁ]buiten
Il attend à l'extérieur.
Hij wacht buiten.
échouer[eʃwe]mislukken, zakken
Il a échoué à l'examen.
Hij is voor het examen gezakt.
un avantage[avɑ̃taʒ]voordeel
Ce projet présente de nombreux avantages.
Dit project heeft veel voordelen.
un caractère[kaʁaktɛʁ]karakter
Il a un caractère fort.
Hij heeft een sterk karakter.
une armée[arme]leger
L'armée a remporté la bataille.
Het leger heeft de slag gewonnen.
présent[pʁeze]aanwezig
Il est présent à la réunion.
Hij is aanwezig op de vergadering.
un crime[kʁim]misdaad
Il a commis un crime grave.
Hij heeft een ernstige misdaad gepleegd.
une photographie[fotoɡʁafi]foto
Il a pris une photographie de la vue.
Hij heeft een foto van het uitzicht gemaakt.
en avant[ɑ̃ navɑ̃]vooruit
Il a fait un pas en avant.
Hij deed een stap vooruit.
une scène[sen]podium
Il est monté sur scène pour chanter.
Hij ging het podium op om te zingen.
une sorte[sɔʁt]soort
Il y a une sorte de mystère dans cette affaire.
Er hangt een soort mysterie rond deze zaak.
une connaissance[kɔnɛsɑ̃s]kennis
Il a une grande connaissance de l'histoire.
Hij heeft veel kennis van geschiedenis.
une stratégie[strateʒi]strategie
Il a élaboré une stratégie pour réussir.
Hij heeft een strategie ontwikkeld om te slagen.
un fusil[fyzi]geweer
Il a pointé son fusil sur la cible.
Hij richtte zijn geweer op het doelwit.
un environnement[ɑ̃viʁɔnmɑ̃]milieu
Il est important de protéger l'environnement.
Het is belangrijk om het milieu te beschermen.
un avocat[avoka]advocaat
Il a embauché un avocat pour le défendre.
Hij heeft een advocaat ingehuurd om hem te verdedigen.
un responsable[ʁesɔ̃sabl]verantwoordelijke, manager
Le responsable a annoncé les résultats.
De verantwoordelijke maakte de resultaten bekend.
enlever[ɑ̃lve]weghalen, uittrekken
Il a enlevé ses chaussures.
Hij heeft zijn schoenen uitgetrokken.
un professeur[pʁɔfɛsœʁ]leraar, professor
Le professeur a donné un cours sur l'histoire.
De leraar gaf een les over geschiedenis.
un réseau[rezo]netwerk
Il a développé un réseau de contacts.
Hij heeft een netwerk van contacten opgebouwd.
un rocher[ʁɔʃe]rots
Il a grimpé sur le rocher.
Hij klom op de rots.
une chaise[yn ʃɛz]stoel
Je me suis assis sur une chaise.
Ik ging op een stoel zitten.
un expert[ɛ̃ ɛksˈpɛʁ]expert, deskundige
C'est un expert en informatique.
Hij is een expert in informatica.
éviter[evite]vermijden
J'essaie d'éviter les embouteillages.
Ik probeer files te vermijden.
un souvenir[œ̃ suˈvniʁ]herinnering
J'ai de bons souvenirs de mon enfance.
Ik heb goede herinneringen aan mijn jeugd.
répondre[ʁeˈpɔ̃dʁ]antwoorden
Je vais répondre à votre question.
Ik zal op je vraag antwoorden.
physique[fiˈzik]lichamelijk, fysiek
Il a subi des blessures physiques.
Hij heeft lichamelijk letsel opgelopen.
contenir[kɔ̃təˈniʁ]bevatten
Ce sac contient tous mes livres.
Deze tas bevat al mijn boeken.
la paix[la pɛ]vrede
Je recherche la paix intérieure.
Ik zoek innerlijke vrede.
une structure[yn stʁykˈtyʁ]structuur
La structure de cet immeuble est très solide.
De structuur van dit gebouw is erg stevig.
la direction[la diʁɛkˈsjɔ̃]richting
Quelle est la direction de la gare ?
In welke richting ligt het station?
un roi[œ̃ ʁwa]koning
Le roi est le chef de l'État.
De koning is het staatshoofd.
une cellule[yn sɛˈly]cel
Les cellules sont les unités de base de tous les êtres vivants.
Cellen zijn de basiseenheden van alle levende wezens.
particulier[paʁtikylje]bijzonder, specifiek
J'ai un problème particulier.
Ik heb een specifiek probleem.
un employé[œ̃ ɑ̃plwaje]werknemer
C'est un employé de cette entreprise.
Hij is werknemer van dit bedrijf.
appliquer[aplike]toepassen, aanbrengen
J'ai appliqué du rouge à lèvres.
Ik heb lippenstift aangebracht.
secouer[səkue]schudden
J'ai secoué la bouteille.
Ik heb de fles geschud.
découvrir[dekuvʁiʁ]ontdekken
J'ai découvert un nouveau restaurant.
Ik heb een nieuw restaurant ontdekt.
gérer[ʒeˈʁe]beheren, leiden
Il gère une grande entreprise.
Hij leidt een groot bedrijf.
la douleur[la dulœʁ]pijn
Je ressens une douleur au bras.
Ik voel pijn in mijn arm.
une unité[yn ynite]eenheid
Le degré Celsius est une unité de température.
De graad Celsius is een eenheid van temperatuur.
affecter[afekte]beïnvloeden
Le changement climatique affecte l'environnement.
Klimaatverandering beïnvloedt het milieu.
un peu[œ̃ pø]een beetje
J'ai un peu faim.
Ik heb een beetje honger.
à l'intérieur[a lɛ̃teʁjœʁ]binnen, binnenin
Il y a un chat à l'intérieur de la maison.
Er zit een kat binnen in het huis.
s'inquiéter[sɛ̃kijete]zich zorgen maken
Je m'inquiète pour mon examen.
Ik maak me zorgen over mijn examen.
effectuer[efeˈktɥe]uitvoeren
J'effectue mon travail avec soin.
Ik voer mijn werk zorgvuldig uit.
nécessaire[neseseʁ]noodzakelijk, nodig
C'est nécessaire pour le projet.
Het is nodig voor het project.
une conférence[yn kɔ̃.fe.ʁɑ̃s]conferentie
La conférence était très intéressante.
De conferentie was erg interessant.
spécifique[spe.si.fik]specifiek
J'ai besoin d'informations spécifiques.
Ik heb specifieke informatie nodig.
un hall[œ̃ al]hal
Le hall d'entrée est grand et lumineux.
De entreehal is groot en licht.
un poisson[œ̃ pwa.sɔ̃]vis
J'aime beaucoup manger du poisson.
Ik eet heel graag vis.
mentionner[mɑ̃.sjɔ.ne]noemen, vermelden
Il a mentionné son nom dans son discours.
Hij noemde zijn naam in zijn toespraak.
des ennuis[de zɑ̃.nwi]problemen, moeilijkheden
J'ai eu des ennuis avec ma voiture.
Ik had problemen met mijn auto.
le milieu[lə mi.lje]midden
Il s'est assis au milieu de la classe.
Hij ging in het midden van de klas zitten.
le poids[lə pwa]gewicht
Le poids de ce sac est trop élevé.
Het gewicht van deze tas is te groot.
un adulte[œ̃ a.dɥlt]volwassene
Il est devenu un adulte responsable.
Hij is een verantwoordelijke volwassene geworden.
un rêve[œ̃ ʁɛv]droom
J'ai fait un rêve étrange la nuit dernière.
Ik had afgelopen nacht een vreemde droom.
la peur[la pœʁ]angst
La peur l'a paralysé.
De angst verlamde hem.
l'obscurité[lɔb.sky.ʁite]duisternis
J'ai peur de l'obscurité.
Ik ben bang voor het donker.
une méthode[yn me.tɔd]methode
Il utilise une nouvelle méthode d'apprentissage.
Hij gebruikt een nieuwe leermethode.
lourd[luʁ]zwaar
Ce livre est très lourd.
Dit boek is erg zwaar.
un soldat[œ̃ sɔl.da]soldaat
Le soldat a été blessé au combat.
De soldaat raakte gewond in de strijd.
l'épaule[le.po.l]schouder
Il a ressenti une douleur à l'épaule.
Hij voelde pijn in zijn schouder.
une colline[yn kɔ.lin]heuvel
Nous avons grimpé la colline.
We zijn de heuvel op geklommen.
exister[ɛɡ.zis.te]bestaan
Le bonheur existe.
Geluk bestaat.
la mer[la mɛʁ]zee
J'aime nager dans la mer.
Ik zwem graag in de zee.
un modèle[œ̃ mɔ.dɛl]model
J'aime le modèle de cette robe.
Ik vind het model van deze jurk mooi.
le propriétaire[lə pʁɔ.pʁi.je.tɛʁ]eigenaar
Le propriétaire de la maison est parti en vacances.
De eigenaar van het huis is op vakantie gegaan.
une discussion[yn dis.ky.sjɔ̃]discussie
Nous avons eu une discussion animée.
We hadden een levendige discussie.
la peau[la po]huid
La peau est l'organe le plus grand du corps.
De huid is het grootste orgaan van het lichaam.
la chaleur[la ʃa.lœʁ]hitte, warmte
La chaleur est intense aujourd'hui.
De hitte is vandaag hevig.
remarquer[ʁə.mar.ke]opmerken, merken
J'ai remarqué un changement dans son comportement.
Ik merkte een verandering in zijn gedrag op.
battre[batʁ]slaan, kloppen
Son cœur battait fort.
Zijn hart klopte hevig.
un doigt[œ̃ dwa]vinger
Il a montré la porte du doigt.
Hij wees met zijn vinger naar de deur.
un lac[œ̃ lak]meer
Le lac est entouré de montagnes.
Het meer is omringd door bergen.
une tâche[yn taʃ]taak
J'ai beaucoup de tâches à faire aujourd'hui.
Ik heb vandaag veel taken te doen.
un article[œ̃ aʁtikl]artikel
Cet article est en solde.
Dit artikel is in de uitverkoop.
un sourire[œ̃ suʁiʁ]glimlach
Elle m'a offert un sourire chaleureux.
Ze schonk me een warme glimlach.
du gaz[dy gaz]gas
Il y a une odeur de gaz dans la cuisine.
Er hangt een gaslucht in de keuken.
une piste[yn pist]baan
Les athlètes courent sur la piste.
De atleten rennen op de baan.
un public[œ̃ pyblik]publiek
Le public a applaudi à la fin du spectacle.
Het publiek applaudisseerde aan het einde van de voorstelling.
une dame[yn dam]dame
La dame à côté de moi est très gentille.
De dame naast me is erg aardig.
empêcher[ɑ̃peʃe]verhinderen, voorkomen
Rien ne peut empêcher le temps de passer.
Niets kan verhinderen dat de tijd verstrijkt.
aucun[o.kœ̃]geen, geen enkel
Il n'y a aucun problème.
Er is geen enkel probleem.
un coach[œ̃ kɔatʃ]coach
Mon coach m'aide à progresser.
Mijn coach helpt me vooruitgang te boeken.
un discours[œ̃ diskur]toespraak
Le président a fait un discours important.
De president hield een belangrijke toespraak.