Lingard
Alle Spaanse boeken
Spaans · A1–A2

De 1000 meest gebruikte Spaanse woorden

De eerste 1000 Spaanse woorden voor wie de taal leert, op volgorde: elk met uitspraak, Nederlandse vertaling en een voorbeeldzin. Lees de lijst en kom de woorden daarna tegen in verhalen.

Gratis beginnen

De Spaanse woorden die je als eerste leert

Met duizend woorden spreek je nog niet vloeiend, maar het is wel het grootste deel van wat je in een café hoort en in een eenvoudig verhaal leest. De duizend op deze pagina zijn de woorden die je als eerste tegenkomt, te beginnen met ser, tener en hacer. Ze komen uit de verzamelingen ‘Nuttigste woorden’ van Lingard voor de niveaus A1 en A2, in de volgorde waarin de app ze aanbiedt, en bij elk woord staan de uitspraak, de vertaling en een zin die laat zien hoe je het gebruikt.

Twee van de eerste vijfentwintig woorden betekenen allebei ‘zijn’: ser zegt wat iets is, estar zegt hoe of waar het is. Een vertaling kan dat verschil niet laten zien en een zin wel, en daarom staat er hier bij elk woord een. Zelfstandige naamwoorden staan er met hun lidwoord, zoals el tiempo, la gente en el día: leer die twee samen, want el día eindigt op een a en is toch mannelijk.

De lijst, honderd woorden per keer

1–100ser, en, tener, él, yo, ese, tú, usted …
  1. ser[ser]zijn

    Yo soy estudiante.Ik ben student.

  2. en[en]in, op

    El libro está en la mesa.Het boek ligt op de tafel.

  3. tener[teˈner]hebben

    Tengo un perro.Ik heb een hond.

  4. él[el]hij

    Él es mi amigo.Hij is mijn vriend.

  5. yo[jo]ik

    Yo hablo español.Ik spreek Spaans.

  6. ese[ˈese]dat, die

    Ese es mi coche.Dat is mijn auto.

  7. tú[tu]jij

    Tú eres muy amable.Jij bent heel aardig.

  8. usted[usˈteð]u

    ¿Usted habla inglés?Spreekt u Engels?

  9. hacer[aˈser]doen

    Hago mis deberes.Ik maak mijn huiswerk.

  10. decir[deˈθir]zeggen

    Digo la verdad.Ik zeg de waarheid.

  11. ellos[ˈeʎos]zij

    Ellos son mis padres.Zij zijn mijn ouders.

  12. este[ˈeste]dit, deze

    Este es mi libro.Dit is mijn boek.

  13. pero[ˈpero]maar

    Quiero ir, pero no puedo.Ik wil gaan, maar ik kan niet.

  14. a[a]naar

    Voy a casa.Ik ga naar huis.

  15. nosotros[noˈsoˈtros]wij

    Nosotros somos amigos.Wij zijn vrienden.

  16. no[no]niet

    No lo sé.Ik weet het niet.

  17. ella[ˈeʎa]zij

    Ella es mi hermana.Zij is mijn zus.

  18. como[ˈkomo]zoals

    Lo hizo como yo.Hij deed het zoals ik.

  19. ir[ir]gaan

    Voy a la escuela.Ik ga naar school.

  20. querer[keˈreɾ]willen

    Quiero comer.Ik wil eten.

  21. poder[poˈdeɾ]kunnen

    Puedo hablar inglés.Ik kan Engels spreken.

  22. obtener[opteˈneɾ]krijgen, verkrijgen

    Obtuve un nuevo trabajo.Ik heb een nieuwe baan gekregen.

  23. estar[esˈtaɾ]zijn

    Estoy en casa.Ik ben thuis.

  24. la[la]haar, het

    La llamo por teléfono.Ik bel haar op.

  25. preparar[pɾepaˈɾaɾ]klaarmaken, bereiden

    Preparo la cena.Ik maak het avondeten klaar.

  26. saber[saˈbeɾ]weten

    Sé hablar español.Ik kan Spaans spreken.

  27. allí[aˈji]daar

    Está allí.Het is daar.

  28. uno[ˈuno]één

    Tengo un perro.Ik heb één hond.

  29. arriba[aˈriβa]omhoog, boven

    Mira hacia arriba.Kijk omhoog.

  30. el tiempo[ˈtjempo]tijd

    No tengo tiempo.Ik heb geen tijd.

  31. el año[el ˈaɲo]jaar

    El año nuevo comienza en enero.Het nieuwe jaar begint in januari.

  32. así[aˈsi]dus, zo

    Así que, ¿qué piensas?Dus, wat denk jij?

  33. pensar[penˈsar]denken

    Estoy pensando en ti.Ik denk aan jou.

  34. ver[βer]zien

    Puedo ver tu casa desde aquí.Ik kan je huis van hieruit zien.

  35. los[los]ze, hen

    Los espero en la puerta.Ik wacht op ze bij de deur.

  36. la gente[la ˈxente]mensen

    La gente está feliz.De mensen zijn blij.

  37. tomar[toˈmar]nemen, pakken

    Toma este libro.Neem dit boek.

  38. mí[ˈmi]mij

    Dámelo a mí.Geef het aan mij.

  39. fuera[ˈfweɾa]buiten

    Sal fuera.Ga naar buiten.

  40. lo[lo]hem, het

    Lo veo todos los días.Ik zie hem elke dag.

  41. venir[beˈnir]komen

    Ven aquí.Kom hier.

  42. ahora[aˈoɾa]nu

    Ahora estoy ocupado.Ik ben nu bezig.

  43. gustar[ɡusˈtar]leuk vinden

    Me gusta el chocolate.Ik hou van chocolade.

  44. otro[ˈo.tɾo]ander

    Tengo otro libro.Ik heb een ander boek.

  45. entonces[enˈtonθes]dan, toen

    Primero comí, entonces dormí.Eerst at ik, toen sliep ik.

  46. su[su]zijn

    Su color es rojo.Zijn kleur is rood.

  47. dos[ˈdos]twee

    Tengo dos hermanos.Ik heb twee broers.

  48. más[ˈmas]meer

    Quiero más leche.Ik wil meer melk.

  49. necesitar[neθesiˈtaɾ]nodig hebben

    Necesito ayuda.Ik heb hulp nodig.

  50. la manera[la maˈneɾa]manier

    Hay muchas maneras de hacerlo.Er zijn veel manieren om het te doen.

  51. sí[si]ja

    Sí, por favor.Ja, graag.

  52. mirar[miˈɾar]kijken

    Mira eso.Kijk daar eens naar.

  53. primero[pɾiˈmeɾo]eerst

    Primero debes estudiar.Eerst moet je studeren.

  54. nuevo[ˈnweβo]nieuw

    Tengo un coche nuevo.Ik heb een nieuwe auto.

  55. el día[el ˈdi.a]dag

    El día está soleado.Het is een zonnige dag.

  56. usar[uˈsar]gebruiken

    Usa tu imaginación.Gebruik je fantasie.

  57. el hombre[el ˈom.bɾe]man

    El hombre es alto.De man is lang.

  58. aquí[aˈki]hier

    Estoy aquí.Ik ben hier.

  59. encontrar[enkonˈtɾar]vinden

    Encuentra la llave.Vind de sleutel.

  60. dar[dar]geven

    Dame un beso.Geef me een kus.

  61. la cosa[laˈko.sa]ding

    Esa cosa es muy rara.Dat ding is heel vreemd.

  62. bien[ˈbjen]goed

    Estoy bien, gracias.Het gaat goed, dank je.

  63. contar[konˈtaɾ]vertellen, tellen

    Cuéntame una historia.Vertel me een verhaal.

  64. incluso[inˈklu.so]zelfs

    Incluso los niños pueden entenderlo.Zelfs kinderen kunnen het begrijpen.

  65. atrás[aˈtras]terug, achteruit

    Vuelve atrás.Ga terug.

  66. bueno[ˈbwe.no]goed

    Eso es muy bueno.Dat is heel goed.

  67. la mujer[la muˈxɛɾ]vrouw

    La mujer es alta.De vrouw is lang.

  68. la vida[la ˈβiða]leven

    La vida es hermosa.Het leven is mooi.

  69. el niño[el ˈniɲo]kind

    El niño juega en el parque.Het kind speelt in het park.

  70. abajo[aˈβa.xo]beneden, naar beneden

    El perro está abajo.De hond is beneden.

  71. el trabajo[el tɾaˈβa.xo]werk

    El trabajo es importante.Werk is belangrijk.

  72. después[desˈpwez]daarna, na

    Después de la cena, vimos una película.Na het eten keken we een film.

  73. llamar[jaˈmar]bellen, roepen

    Llamé a mi madre ayer.Ik heb gisteren mijn moeder gebeld.

  74. el mundo[el ˈmun.do]wereld

    El mundo es grande.De wereld is groot.

  75. sobre[soˈβɾe]over, boven

    El avión voló sobre las nubes.Het vliegtuig vloog boven de wolken.

  76. todavía[toðaˈβi.a]nog, nog steeds

    Todavía estoy esperando.Ik ben nog steeds aan het wachten.

  77. intentar[intenˈtar]proberen

    Intento aprender español.Ik probeer Spaans te leren.

  78. la escuela[la esˈkwe.la]school

    Voy a la escuela todos los días.Ik ga elke dag naar school.

  79. preguntar[pɾe.ɡunˈtar]vragen

    Le pregunté dónde estaba.Ik vroeg hem waar hij was.

  80. tres[tɾes]drie

    Tengo tres hermanos.Ik heb drie broers en zussen.

  81. sentir[senˈtir]voelen

    Siento mucho tu pérdida.Het spijt me zeer voor je verlies.

  82. convertirse[konβerˈtir.se]worden

    Ella se convirtió en doctora.Zij is arts geworden.

  83. alto[ˈalto]hoog

    El edificio es muy alto.Het gebouw is erg hoog.

  84. algo[ˈal.go]iets

    Quiero algo de comer.Ik wil iets te eten.

  85. mucho[ˈmu.tʃo]veel

    Tengo mucho trabajo.Ik heb veel werk.

  86. propio[ˈpɾo.pjo]eigen

    Tengo mi propio coche.Ik heb mijn eigen auto.

  87. la familia[la faˈmi.lja]familie, gezin

    Mi familia es grande.Mijn familie is groot.

  88. la casa[la ˈka.sa]huis

    La casa es grande y bonita.Het huis is groot en mooi.

  89. dejar[deˈxar]laten, achterlaten

    Dejé mi libro en casa.Ik heb mijn boek thuis laten liggen.

  90. poner[poˈner]zetten, leggen

    Puse el libro en la mesa.Ik legde het boek op tafel.

  91. viejo[ˈβje.xo]oud

    Mi abuelo es viejo.Mijn opa is oud.

  92. significar[siɡni.fiˈkar]betekenen

    ¿Qué significa esta palabra?Wat betekent dit woord?

  93. ¿Por qué?[poɾˈke]waarom

    No sé por qué no vino.Ik weet niet waarom hij niet kwam.

  94. mantener[manteˈner]houden, behouden

    Mantén la calma.Blijf kalm.

  95. mismo[ˈmismo]dezelfde

    Es el mismo coche.Het is dezelfde auto.

  96. grandioso[ɡranˈdjozo]geweldig

    Tuviste una idea grandiosa.Je had een geweldig idee.

  97. comenzar[komeˈnsar]beginnen

    Vamos a comenzar la clase.Laten we de les beginnen.

  98. grande[ˈɡrande]groot

    Tengo un perro grande.Ik heb een grote hond.

  99. grupo[ˈɡɾupo]groep

    Hay un grupo de personas en la sala.Er is een groep mensen in de zaal.

  100. país[paˈis]land

    Viajé a muchos países.Ik ben naar veel landen gereisd.

101–200hablar, problema, girar, estudiante, mano, ayudar, empezar, parte …
  1. hablar[aˈβlar]praten

    Quiero hablar contigo.Ik wil met je praten.

  2. problema[pɾoˈβlema]probleem

    Tengo un problema con mi coche.Ik heb een probleem met mijn auto.

  3. girar[xiˈɾar]draaien, afslaan

    Gira a la derecha.Sla rechtsaf.

  4. estudiante[estuˈdjante]student

    Soy estudiante de español.Ik ben student Spaans.

  5. mano[ˈmano]hand

    Dame la mano.Geef me je hand.

  6. ayudar[ajuˈðar]helpen

    Puedo ayudarte.Ik kan je helpen.

  7. empezar[empeˈsar]beginnen, starten

    Vamos a empezar ahora.Laten we nu beginnen.

  8. parte[ˈparte]deel

    Esta parte del libro es interesante.Dit deel van het boek is interessant.

  9. mostrar[moˈstrar]laten zien, tonen

    Muéstrame tu foto.Laat me je foto zien.

  10. lugar[luˈɣar]plaats, plek

    Este es un buen lugar para comer.Dit is een goede plek om te eten.

  11. ciudad[θjuˈðað]stad

    Vivo en una ciudad grande.Ik woon in een grote stad.

  12. pocos[ˈpokos]weinig

    Hay pocos coches en la calle.Er zijn weinig auto’s op straat.

  13. semana[seˈmana]week

    Te veo la próxima semana.Tot volgende week.

  14. compañía[kompaˈniːa]bedrijf

    Trabajo en una compañía grande.Ik werk bij een groot bedrijf.

  15. oír[oˈiɾ]horen

    Oigo música.Ik hoor muziek.

  16. pregunta[pɾeˈɡunta]vraag

    Tengo una pregunta.Ik heb een vraag.

  17. derecho[deˈreʧo]recht

    Tienes derecho a opinar.Je hebt het recht om je mening te geven.

  18. programa[pɾoˈɡrama]programma

    Tengo que instalar un programa nuevo.Ik moet een nieuw programma installeren.

  19. correr[koˈrrer]rennen, hardlopen

    Me gusta correr por la mañana.Ik ren graag ’s ochtends.

  20. número[ˈnumeɾo]nummer

    Mi número de teléfono es...Mijn telefoonnummer is...

  21. pequeño[peˈkeɲo]klein

    Tengo un coche pequeño.Ik heb een kleine auto.

  22. jugar[xuˈɣar]spelen

    Me gusta jugar al fútbol.Ik speel graag voetbal.

  23. el movimiento[moβiˈmjento]beweging

    El movimiento del tren era suave.De beweging van de trein was soepel.

  24. la noche[ˈnotʃe]nacht

    Pasé toda la noche leyendo.Ik heb de hele nacht gelezen.

  25. creer[kreˈer]geloven, denken

    Creo que está lloviendo.Ik denk dat het regent.

  26. hoy[oj]vandaag

    Hoy hace buen tiempo.Vandaag is het mooi weer.

  27. el punto[ˈpunto]punt

    El punto principal es que debemos trabajar juntos.Het belangrijkste punt is dat we moeten samenwerken.

  28. vivir[biˈβir]wonen, leven

    Vivo en Nueva York.Ik woon in New York.

  29. suceder[suseˈðer]gebeuren

    ¿Qué sucedió ayer?Wat is er gisteren gebeurd?

  30. traer[traˈer]brengen, meenemen

    Trae tu libro a clase.Neem je boek mee naar de les.

  31. enorme[eˈnorme]enorm

    La ciudad es enorme.De stad is enorm.

  32. deber[deˈβer]moeten

    Debes estudiar para el examen.Je moet studeren voor het examen.

  33. el hogar[oˈɡar]thuis

    Me gusta estar en mi hogar.Ik ben graag thuis.

  34. la habitación[aβiˈtaˈsjon]kamer

    Mi habitación es pequeña.Mijn kamer is klein.

  35. el hecho[ˈetʃo]feit

    Es un hecho que la Tierra gira alrededor del sol.Het is een feit dat de aarde om de zon draait.

  36. el área[ˈarea]gebied

    Esta área es muy concurrida.Dit gebied is erg druk.

  37. escribir[eskriˈβir]schrijven

    Escribo una carta a mi amigo.Ik schrijf een brief aan mijn vriend.

  38. el dinero[diˈnero]geld

    Necesito dinero para comprar comida.Ik heb geld nodig om eten te kopen.

  39. la historia[isˈtɔɾja]verhaal

    Me encanta leer historias.Ik lees heel graag verhalen.

  40. el agua[ˈaɡwa]water

    Necesito beber agua.Ik moet water drinken.

  41. la madre[ˈmaðre]moeder

    Mi madre es muy amable.Mijn moeder is erg aardig.

  42. joven[ˈxoβen]jong

    Soy joven.Ik ben jong.

  43. la inclusión[la inˈkluˈsjon]inclusie

    La inclusión es importante en la sociedad.Inclusie is belangrijk in de samenleving.

  44. cinco[ˈθiŋko]vijf

    Tengo cinco hermanos.Ik heb vijf broers en zussen.

  45. el centro[el ˈsen.tɾo]centrum

    El centro de la ciudad está lleno de tiendas.Het stadscentrum zit vol winkels.

  46. la universidad[la uniβersiˈðað]universiteit

    Estudio en la universidad.Ik studeer aan de universiteit.

  47. real[reˈal]echt

    Es un problema real.Het is een echt probleem.

  48. blanco[ˈβlaŋko]wit

    El coche es blanco.De auto is wit.

  49. el cambio[el ˈkam.βjo]verandering

    El cambio climático es un problema global.Klimaatverandering is een wereldwijd probleem.

  50. la información[la in.for.maˈθjon]informatie

    Necesito más información sobre este tema.Ik heb meer informatie over dit onderwerp nodig.

  51. nada[ˈnaða]niets

    No tengo nada que decir.Ik heb niets te zeggen.

  52. mejor[meˈxor]best

    Este es el mejor restaurante de la ciudad.Dit is het beste restaurant van de stad.

  53. la idea[la iˈðe.a]idee

    Tengo una buena idea.Ik heb een goed idee.

  54. el cuerpo[el ˈkweɾ.po]lichaam

    El cuerpo necesita ejercicio.Het lichaam heeft beweging nodig.

  55. aprender[a.prenˈdeɾ]leren

    Quiero aprender español.Ik wil Spaans leren.

  56. el minuto[el miˈnu.to]minuut

    Espérame un minuto.Wacht een minuut op me.

  57. la mesa[la ˈme.sa]tafel

    La mesa está llena de comida.De tafel staat vol met eten.

  58. entender[en.tenˈdeɾ]begrijpen

    No entiendo lo que dices.Ik begrijp niet wat je zegt.

  59. el equipo[el eˈki.po]team, ploeg

    El equipo ganó el partido.Het team heeft de wedstrijd gewonnen.

  60. seguir[seˈɡiɾ]volgen

    Sigue las instrucciones.Volg de instructies.

  61. detener[de.teˈneɾ]stoppen, tegenhouden

    Detente ahí.Stop daar.

  62. la cara[la ˈka.ra]gezicht

    Tiene una cara amable.Hij heeft een vriendelijk gezicht.

  63. los padres[los ˈpaðɾes]ouders

    Los padres son importantes para los niños.Ouders zijn belangrijk voor kinderen.

  64. crear[kɾeˈaɾ]creëren, maken

    Quiero crear una empresa.Ik wil een bedrijf oprichten.

  65. la oficina[la o.fiˈθi.na]kantoor

    Trabajo en la oficina.Ik werk op kantoor.

  66. leer[leˈeɾ]lezen

    Leo un libro.Ik lees een boek.

  67. pasar[paˈsaɾ]doorbrengen

    Paso mucho tiempo con mi familia.Ik breng veel tijd door met mijn familie.

  68. la persona[la perˈso.na]persoon

    La persona es muy amable.De persoon is erg vriendelijk.

  69. la puerta[la ˈpweɾ.ta]deur

    La puerta está abierta.De deur staat open.

  70. seguro[seˈɣuɾo]zeker

    Seguro, no hay problema.Zeker, geen probleem.

  71. añadir[aɲaˈðir]toevoegen

    Añade un poco de sal.Voeg een beetje zout toe.

  72. la calle[la ˈkaʎe]straat

    Vivo en la calle principal.Ik woon in de hoofdstraat.

  73. la fiesta[la ˈfjesta]feest

    Vamos a una fiesta el sábado.We gaan zaterdag naar een feest.

  74. crecer[kreˈθer]groeien

    Los niños crecen rápido.Kinderen worden snel groot.

  75. la razón[la raˈθon]reden

    ¿Cuál es la razón para esto?Wat is de reden hiervoor?

  76. la mañana[la maˈɲana]ochtend

    Buenos días. ¡Qué hermosa mañana!Goedemorgen. Wat een prachtige ochtend!

  77. abrir[aˈβrir]openen, opendoen

    Abre la puerta, por favor.Doe de deur open, alsjeblieft.

  78. caminar[ka miˈnar]wandelen, lopen

    Me gusta caminar en el parque.Ik wandel graag in het park.

  79. las noticias[las noˈtiθjas]nieuws

    Escuché las noticias en la radio.Ik heb het nieuws op de radio gehoord.

  80. la salud[la saˈluð]gezondheid

    Es importante cuidar la salud.Het is belangrijk om voor je gezondheid te zorgen.

  81. temprano[temˈprano]vroeg

    Me despierto temprano todos los días.Ik word elke dag vroeg wakker.

  82. el aire[el ˈaɪɾe]lucht

    El aire fresco es bueno para ti.Frisse lucht is goed voor je.

  83. el arte[el ˈarte]kunst

    Me encanta el arte.Ik hou van kunst.

  84. el resultado[el re sulˈtado]resultaat, uitslag

    El resultado del examen fue bueno.De uitslag van het examen was goed.

  85. el momento[el moˈmento]moment

    En este momento, estoy feliz.Op dit moment ben ik gelukkig.

  86. recordar[re korˈdar]herinneren, onthouden

    Recuerda apagar las luces.Denk eraan het licht uit te doen.

  87. suficiente[su fiˈθjente]genoeg, voldoende

    Tengo suficiente comida.Ik heb genoeg eten.

  88. la niña[la ˈniɲa]meisje

    La niña es muy linda.Het meisje is erg schattig.

  89. ganar[ɡaˈnar]winnen

    Espero ganar el juego.Ik hoop het spel te winnen.

  90. la comida[la koˈmiða]eten

    La comida está deliciosa.Het eten is heerlijk.

  91. el segundo[el seˈɡundo]seconde

    Espera un segundo.Wacht een seconde.

  92. el mes[el mes]maand

    El mes de febrero es mi mes favorito.Februari is mijn favoriete maand.

  93. el libro[el ˈli.βɾo]boek

    Estoy leyendo un libro interesante.Ik lees een interessant boek.

  94. el ojo[el ˈo.xo]oog

    Tengo los ojos marrones.Ik heb bruine ogen.

  95. el estudio[el esˈtu.ðjo]studie

    El estudio de idiomas es muy útil.De studie van talen is heel nuttig.

  96. la palabra[la paˈla.βɾa]woord

    No entiendo esa palabra.Ik begrijp dat woord niet.

  97. el negocio[el neˈɣo.sjo]bedrijf, zaak

    Su negocio está prosperando.Zijn bedrijf floreert.

  98. la cabeza[la kaˈβe.sa]hoofd

    Me duele la cabeza.Mijn hoofd doet pijn.

  99. lejos[ˈle.xos]ver

    Su casa está lejos de aquí.Zijn huis is ver hiervandaan.

  100. largo[ˈlar.ɣo]lang

    El viaje fue largo.De reis was lang.

201–300negro, el millón, poco, sentarse, el amigo, el padre, la hora, la línea …
  1. negro[ˈne.ɣɾo]zwart

    El gato es negro.De kat is zwart.

  2. el millón[el miˈljon]miljoen

    Ganó un millón de dólares.Hij verdiende een miljoen dollar.

  3. poco[ˈpo.ko]weinig

    Tengo poco tiempo.Ik heb weinig tijd.

  4. sentarse[senˈtar.se]gaan zitten

    Sentémonos aquí.Laten we hier gaan zitten.

  5. el amigo[el aˈmi.ɣo]vriend

    Soy amigo de Juan.Ik ben een vriend van Juan.

  6. el padre[el ˈpa.ðɾe]vader

    Mi padre es ingeniero.Mijn vader is ingenieur.

  7. la hora[la ˈo.ɾa]uur

    Tengo una hora para llegar.Ik heb een uur om er te komen.

  8. la línea[la ˈli.ne.a]lijn

    Hay una línea en el mapa.Er staat een lijn op de kaart.

  9. el fin[el fin]einde

    Es el fin de la historia.Dit is het einde van het verhaal.

  10. estar de pie[esˈtar de ˈpje]staan

    Estoy de pie en la esquina.Ik sta op de hoek.

  11. el juego[el ˈxwe.ɣo]spel

    Es un juego muy divertido.Het is een heel leuk spel.

  12. perder[perˈder]verliezen

    Perdí mi teléfono.Ik ben mijn telefoon kwijtgeraakt.

  13. malo[ˈma.lo]slecht

    El clima es malo hoy.Het weer is slecht vandaag.

  14. el miembro[el ˈmjem.βɾo]lid

    Soy miembro del club de lectura.Ik ben lid van de leesclub.

  15. conocer[ko.noˈθer]leren kennen, ontmoeten

    Me gustaría conocerte.Ik zou je graag leren kennen.

  16. pagar[paˈɣar]betalen

    Tengo que pagar la renta.Ik moet de huur betalen.

  17. el coche[el ˈko.tʃe]auto

    Tengo un coche nuevo.Ik heb een nieuwe auto.

  18. el nombre[el ˈnom.βɾe]naam

    ¿Cuál es tu nombre?Wat is je naam?

  19. la edad[la eˈdad]leeftijd

    Tengo 25 años de edad.Ik ben 25 jaar oud.

  20. el amor[el aˈmor]liefde

    El amor es un sentimiento hermoso.Liefde is een mooi gevoel.

  21. comprar[komˈprar]kopen

    Voy a comprar un libro.Ik ga een boek kopen.

  22. esperar[espeˈrar]wachten

    Esperaré aquí por ti.Ik zal hier op je wachten.

  23. morir[moˈrir]sterven, doodgaan

    Todos morimos algún día.We gaan allemaal ooit dood.

  24. enviar[enviˈar]sturen, versturen

    Te enviaré un mensaje.Ik stuur je een bericht.

  25. el profesor[el profeˈsor]leraar

    El profesor explica la lección.De leraar legt de les uit.

  26. el mercado[el merˈkado]markt

    Voy al mercado a comprar frutas.Ik ga naar de markt om fruit te kopen.

  27. quedarse[keˈdar.se]blijven

    Me quedaré aquí por una semana.Ik blijf hier een week.

  28. construir[konstruˈir]bouwen

    Vamos a construir una casa.We gaan een huis bouwen.

  29. caer[kaˈer]vallen

    Las hojas caen en otoño.De bladeren vallen in de herfst.

  30. ¡Oh![o]oh

    ¡Oh, qué bonito!Oh, wat mooi!

  31. el plan[el plan]plan

    Tengo un plan para el fin de semana.Ik heb een plan voor het weekend.

  32. el interés[el inˈteres]interesse

    Tengo mucho interés en la historia.Ik heb veel interesse in geschiedenis.

  33. alguien[alˈɡjen]iemand

    Alguien está tocando a la puerta.Er klopt iemand op de deur.

  34. cortar[korˈtar]snijden

    Corta el pan por la mitad.Snijd het brood doormidden.

  35. detrás[deˈtras]achter

    Está detrás de la mesa.Hij is achter de tafel.

  36. seis[sejs]zes

    Tengo seis hermanos.Ik heb zes broers en zussen.

  37. local[loˈkal]plaatselijk, lokaal

    El restaurante local es muy bueno.Het plaatselijke restaurant is erg goed.

  38. la clase[la ˈkla.se]les, klas

    Tengo clase de español.Ik heb Spaanse les.

  39. tarde[ˈtar.de]laat

    Llegué tarde a la reunión.Ik kwam te laat op de vergadering.

  40. la foto[la ˈfo.to]foto

    Tomé una foto de mi familia.Ik heb een foto van mijn familie gemaakt.

  41. vender[benˈder]verkopen

    Vendemos libros usados.We verkopen tweedehands boeken.

  42. decidir[deθiˈðir]beslissen

    Tengo que decidir qué comer.Ik moet beslissen wat ik ga eten.

  43. posible[poˈsi.ble]mogelijk

    Es posible que llueva mañana.Het is mogelijk dat het morgen regent.

  44. fuerte[ˈfwer.te]sterk

    Es una mujer fuerte.Ze is een sterke vrouw.

  45. la música[la ˈmu.si.ka]muziek

    Me encanta la música clásica.Ik ben dol op klassieke muziek.

  46. el informe[el inˈfor.me]verslag, rapport

    Escribí un informe sobre el proyecto.Ik heb een verslag over het project geschreven.

  47. el color[koˈloɾ]kleur

    El color de mi coche es rojo.De kleur van mijn auto is rood.

  48. la policía[poliˈθi.a]politie

    La policía detuvo al sospechoso.De politie heeft de verdachte gearresteerd.

  49. la esposa[esˈpo.sa]vrouw, echtgenote

    Mi esposa es muy amable.Mijn vrouw is erg aardig.

  50. volver[bolˈβeɾ]terugkomen, teruggaan

    Voy a volver a casa mañana.Ik ga morgen terug naar huis.

  51. explicar[ekspliˈkaɾ]uitleggen

    Por favor, explícame cómo funciona.Leg me alsjeblieft uit hoe het werkt.

  52. llevar[ʎeˈβaɾ]dragen, meenemen

    Llevo un libro en mi mochila.Ik heb een boek in mijn rugzak.

  53. libre[ˈli.βɾe]vrij

    Soy libre de hacer lo que quiera.Ik ben vrij om te doen wat ik wil.

  54. conducir[konduˈθiɾ]rijden, autorijden

    Conducir es mi pasatiempo favorito.Autorijden is mijn favoriete hobby.

  55. el hijo[ˈi.xo]zoon

    El hijo de mi amiga es muy inteligente.De zoon van mijn vriendin is erg intelligent.

  56. el brazo[ˈβɾa.θo]arm

    Me duele el brazo.Mijn arm doet pijn.

  57. verdadero[βeɾðaˈde.ɾo]waar, echt

    Es una historia verdadera.Het is een waargebeurd verhaal.

  58. el precio[ˈpre.θjo]prijs

    El precio de este libro es muy alto.De prijs van dit boek is erg hoog.

  59. romper[ˈɾom.peɾ]breken, kapotmaken

    Se me rompió el teléfono.Mijn telefoon is kapotgegaan.

  60. la acción[akˈθjon]actie

    La acción es necesaria para el cambio.Actie is nodig voor verandering.

  61. gracias[ˈgra.θjas]bedankt, dank je

    ¡Gracias por tu ayuda!Bedankt voor je hulp!

  62. el pueblo[pweβˈlo]dorp

    El pueblo donde vivo es muy tranquilo.Het dorp waar ik woon is erg rustig.

  63. el edificio[eðiˈfi.θjo]gebouw

    El edificio más alto de la ciudad es un rascacielos.Het hoogste gebouw van de stad is een wolkenkrabber.

  64. la diferencia[difeˈɾen.θja]verschil

    Hay una gran diferencia entre ellos.Er is een groot verschil tussen hen.

  65. lleno[ˈlje.no]vol

    El vaso está lleno de agua.Het glas is vol water.

  66. unirse[uˈniɾ.se]lid worden, zich aansluiten

    Me uní al club de lectura.Ik ben lid geworden van de leesclub.

  67. el camino[kaˈmi.no]weg

    El camino es largo y peligroso.De weg is lang en gevaarlijk.

  68. el modelo[moˈde.lo]model

    El modelo de este coche es muy moderno.Het model van deze auto is erg modern.

  69. el acuerdo[aˈkweɾ.do]akkoord, overeenkomst

    Estoy de acuerdo contigo.Ik ben het met je eens.

  70. el formulario[forˈmu.la.ɾjo]formulier

    Por favor, rellena el formulario.Vul alsjeblieft het formulier in.

  71. especial[espeˈθjal]speciaal, bijzonder

    Este día es muy especial para mí.Deze dag is heel speciaal voor mij.

  72. duro[ˈdu.ɾo]hard, zwaar

    El trabajo es muy duro.Het werk is erg zwaar.

  73. el papel[paˈpel]papier

    Escribe en el papel.Schrijf op het papier.

  74. vestir[besˈtiɾ]dragen, aankleden

    Viste una camisa roja.Hij draagt een rood overhemd.

  75. el evento[eˈβen.to]evenement

    Asistimos al evento.We hebben het evenement bijgewoond.

  76. el espacio[esˈpaθjo]ruimte, plaats

    Hay mucho espacio en el jardín.Er is veel ruimte in de tuin.

  77. el jugador[xʊˈɣaðoɾ]speler

    El jugador estrella anotó el gol de la victoria.De sterspeler scoorde het winnende doelpunt.

  78. el proyecto[pɾoˈʝekto]project

    Estamos trabajando en un nuevo proyecto.We werken aan een nieuw project.

  79. la situación[situaˈθjon]situatie

    La situación económica es difícil.De economische situatie is moeilijk.

  80. la mitad[miˈtað]helft

    Comí la mitad del pastel.Ik heb de helft van de taart opgegeten.

  81. la actividad[aktiβiˈðað]activiteit

    Hay muchas actividades para niños en el parque.Er zijn veel activiteiten voor kinderen in het park.

  82. comer[koˈmeɾ]eten

    Me encanta comer pizza.Ik eet heel graag pizza.

  83. el costo[ˈkosto]kosten

    El costo del viaje es muy alto.De kosten van de reis zijn erg hoog.

  84. fácil[ˈfaθil]makkelijk

    Este examen es fácil.Dit examen is makkelijk.

  85. la imagen[iˈmaxen]afbeelding, beeld

    La imagen está borrosa.De afbeelding is wazig.

  86. describir[deskriˈβiɾ]beschrijven

    ¿Puedes describirme el lugar?Kun je me de plek beschrijven?

  87. enseñar[enseˈɲaɾ]lesgeven, onderwijzen

    Ella enseña inglés.Ze geeft Engelse les.

  88. la pared[paˈɾeð]muur, wand

    Hay un cuadro en la pared.Er hangt een schilderij aan de muur.

  89. el doctor[dokˈtoɾ]dokter

    Fui al doctor porque me sentía mal.Ik ging naar de dokter omdat ik me niet goed voelde.

  90. el producto[pɾoˈdukto]product

    Este producto es nuevo.Dit product is nieuw.

  91. practicar[pɾakˈtikaɾ]oefenen

    Practico el piano todos los días.Ik oefen elke dag op de piano.

  92. el teléfono[teˈlefono]telefoon

    Me llamó por teléfono.Hij heeft me opgebeld.

  93. la pieza[ˈpjeθa]stuk, onderdeel

    Me falta una pieza del rompecabezas.Ik mis een stukje van de puzzel.

  94. la prueba[ˈpɾweβa]toets, test

    Tengo una prueba de matemáticas mañana.Ik heb morgen een wiskundetoets.

  95. personal[peɾsoˈnal]persoonlijk

    Tengo una computadora personal.Ik heb een persoonlijke computer.

  96. la estrella[esˈtɾeʎa]ster

    Hay una estrella brillante en el cielo.Er staat een heldere ster aan de hemel.

  97. la tierra[ˈtjera]land, grond

    Caminamos por la tierra.We liepen over het land.

  98. tercero[teɾˈθeɾo]derde

    Él llegó en tercer lugar.Hij eindigde als derde.

  99. la computadora[kompuˈtaðoɾa]computer

    Uso la computadora para trabajar.Ik gebruik de computer om te werken.

  100. la película[peˈliku.la]film

    Vi una película en el cine.Ik heb een film in de bioscoop gezien.

301–400el trabajador, el tipo, el norte, el bebé, dibujar, el árbol, elegir, rojo …
  1. el trabajador[tɾabaˈxaðoɾ]arbeider, werknemer

    El trabajador construyó la casa.De arbeider heeft het huis gebouwd.

  2. el tipo[ˈtipo]soort, type

    Hay muchos tipos de frutas.Er zijn veel soorten fruit.

  3. el norte[ˈnoɾte]noorden

    El norte está en esa dirección.Het noorden is die kant op.

  4. el bebé[beˈbe]baby

    El bebé está durmiendo.De baby slaapt.

  5. dibujar[diβuˈxaɾ]tekenen

    Me gusta dibujar.Ik teken graag.

  6. el árbol[aɾ.bol]boom

    El árbol es muy alto.De boom is erg hoog.

  7. elegir[ele.ˈxiɾ]kiezen

    Elige el color que más te guste.Kies de kleur die je het mooist vindt.

  8. rojo[ˈro.xo]rood

    La manzana es roja.De appel is rood.

  9. la ventana[la βenˈtanta]raam

    La ventana está abierta.Het raam staat open.

  10. el parque[el ˈparke]park

    Me gusta pasear por el parque.Ik wandel graag door het park.

  11. el período[el peˈriodo]periode

    Este período de tiempo es muy importante.Deze tijdsperiode is heel belangrijk.

  12. la cultura[la kulˈtuɾa]cultuur

    La cultura española es muy rica.De Spaanse cultuur is heel rijk.

  13. el pelo[el ˈpelo]haar

    Tengo el pelo largo.Ik heb lang haar.

  14. escuchar[eskuˈtʃaɾ]luisteren

    Escucha con atención.Luister aandachtig.

  15. el hermano[el erˈmano]broer

    Mi hermano es mayor que yo.Mijn broer is ouder dan ik.

  16. el verano[el beˈrano]zomer

    El verano es mi estación favorita.De zomer is mijn favoriete seizoen.

  17. la ciencia[la ˈθjenθja]wetenschap

    La ciencia es muy importante para el progreso.Wetenschap is heel belangrijk voor vooruitgang.

  18. la carta[la ˈkarta]brief

    Escribí una carta a mi amigo.Ik schreef een brief aan mijn vriend.

  19. corto[ˈkorto]kort

    El pantalón es demasiado corto.De broek is te kort.

  20. la regla[la ˈreɣla]regel

    Hay que seguir las reglas.Je moet je aan de regels houden.

  21. el piso[el ˈpiso]vloer

    El piso está muy frío.De vloer is heel koud.

  22. la milla[la ˈmiʎa]mijl

    Corrí una milla esta mañana.Ik heb vanochtend een mijl gerend.

  23. el curso[el ˈkurso]cursus

    Estoy tomando un curso de español.Ik volg een cursus Spaans.

  24. la planta[la ˈplanta]plant

    Tengo una planta en mi casa.Ik heb een plant in huis.

  25. el fuego[el ˈfweɣo]vuur

    Hay un fuego en la chimenea.Er brandt een vuur in de open haard.

  26. cerrar[θeˈrraɾ]sluiten

    Cierra la puerta por favor.Doe de deur dicht, alsjeblieft.

  27. la hija[la ˈiha]dochter

    Mi hija es muy inteligente.Mijn dochter is heel intelligent.

  28. el marido[el maˈrido]echtgenoot

    Mi marido es muy divertido.Mijn man is heel grappig.

  29. incorrecto[inkoˈrekto]onjuist

    La respuesta es incorrecta.Het antwoord is onjuist.

  30. el futuro[el fuˈtuɾo]toekomst

    El futuro es incierto.De toekomst is onzeker.

  31. el sur[el ˈsuɾ]zuiden

    Vivo en el sur del país.Ik woon in het zuiden van het land.

  32. el hospital[el ospitaˈl]ziekenhuis

    Fui al hospital para una revisión.Ik ging naar het ziekenhuis voor een controle.

  33. el tema[el ˈtema]onderwerp

    El tema de la conversación es muy interesante.Het onderwerp van het gesprek is heel interessant.

  34. el orden[el ˈorðen]orde

    Ponga las cosas en orden.Breng de dingen op orde.

  35. el oeste[el oˈeste]westen

    El sol se pone en el oeste.De zon gaat onder in het westen.

  36. la cama[la ˈkama]bed

    Voy a acostarme en la cama.Ik ga in bed liggen.

  37. pronto[ˈpɾonto]gauw

    Llegaré pronto.Ik ben er gauw.

  38. llenar[ljeˈnaɾ]vullen

    Llena el vaso de agua.Vul het glas met water.

  39. el pasado[el paˈsaðo]verleden

    El pasado fue difícil.Het verleden was moeilijk.

  40. la tienda[la ˈtjenda]winkel

    Voy a la tienda a comprar comida.Ik ga naar de winkel om eten te kopen.

  41. el banco[el ˈbaŋko]bank

    Fui al banco a retirar dinero.Ik ging naar de bank om geld op te nemen.

  42. el sonido[el soˈniðo]geluid

    El sonido de la música era agradable.Het geluid van de muziek was aangenaam.

  43. la nota[la ˈnota]briefje

    Escribí una nota para mi amigo.Ik schreef een briefje voor mijn vriend.

  44. cerca[ˈθerka]dichtbij

    La tienda está cerca de mi casa.De winkel is dicht bij mijn huis.

  45. común[koˈmun]veelvoorkomend

    Ese es un problema común.Dat is een veelvoorkomend probleem.

  46. la página[la ˈpaxi.na]pagina

    Lee la página 10 del libro.Lees pagina 10 van het boek.

  47. pobre[ˈpo.βre]arm

    Esa familia es muy pobre.Die familie is heel arm.

  48. compartir[kom.parˈtir]delen

    Comparto mi comida con mi amigo.Ik deel mijn eten met mijn vriend.

  49. natural[na.tuˈral]natuurlijk

    El agua es un recurso natural.Water is een natuurlijke hulpbron.

  50. caliente[kaˈljente]heet

    El café está caliente.De koffie is heet.

  51. el idioma[el iˈðjo.ma]taal

    Habla tres idiomas.Hij spreekt drie talen.

  52. el río[el ˈri.o]rivier

    El río es muy ancho.De rivier is heel breed.

  53. el artículo[el arˈti.ku.lo]artikel

    Leí un artículo interesante sobre el cambio climático.Ik las een interessant artikel over klimaatverandering.

  54. el este[el ˈeste]oosten

    El sol sale por el este.De zon komt op in het oosten.

  55. el animal[el a.niˈmal]dier

    El gato es un animal doméstico.De kat is een huisdier.

  56. el deporte[el deˈporte]sport

    Me gusta practicar deporte.Ik doe graag aan sport.

  57. mentir[menˈtir]liegen

    No me mientas.Lieg niet tegen me.

  58. feliz[feˈliθ]gelukkig

    Estoy feliz de verte.Ik ben blij je te zien.

  59. ocho[ˈo.tʃo]acht

    Tengo ocho años.Ik ben acht jaar oud.

  60. la lista[la ˈlista]lijst

    Hice una lista de compras.Ik heb een boodschappenlijst gemaakt.

  61. listo[ˈlisto]klaar

    Estoy listo para ir.Ik ben klaar om te gaan.

  62. la carrera[la kaˈre.ra]carrière

    Quiero tener una carrera exitosa.Ik wil een succesvolle carrière hebben.

  63. la respuesta[la resˈpwesta]antwoord

    ¿Cuál es la respuesta correcta?Wat is het juiste antwoord?

  64. el perro[el ˈpero]hond

    Mi perro es muy juguetón.Mijn hond is heel speels.

  65. la televisión[la teleβiˈsjon]televisie

    Veo la televisión por la noche.Ik kijk ’s avonds televisie.

  66. la reunión[la re.uˈnjon]vergadering

    Tuvimos una reunión importante.We hadden een belangrijke vergadering.

  67. el éxito[el ekˈsi.to]succes

    El éxito no llega de la noche a la mañana.Succes komt niet van de ene op de andere dag.

  68. la izquierda[la iˈskjerða]links

    Gira a la izquierda en la próxima esquina.Sla bij de volgende hoek linksaf.

  69. el dólar[el ˈdolaɾ]dollar

    El precio es de cinco dólares.De prijs is vijf dollar.

  70. la caja[la ˈkaxa]doos

    Ponga los regalos en la caja.Leg de cadeaus in de doos.

  71. bonito[boˈnito]mooi

    Es un vestido bonito.Het is een mooie jurk.

  72. el sentimiento[el senˈtimjenˈto]gevoel

    Tengo un sentimiento de felicidad.Ik heb een gevoel van geluk.

  73. el mensaje[el menˈsahe]bericht

    Recibí un mensaje de mi amigo.Ik kreeg een bericht van mijn vriend.

  74. llegar[ljeˈɣar]aankomen

    Llegaré a las cinco.Ik kom om vijf uur aan.

  75. afuera[aˈfweɾa]buiten

    Está haciendo frío afuera.Het is koud buiten.

  76. el presente[el preˈsente]heden

    Hay que vivir el presente.Je moet in het heden leven.

  77. la taza[la ˈtasa]kopje

    Quiero una taza de café.Ik wil een kopje koffie.

  78. la isla[la ˈisla]eiland

    Visitamos una isla en el Caribe.We bezochten een eiland in het Caribisch gebied.

  79. comprobar[komproˈβar]controleren

    Comprueba tu correo electrónico.Controleer je e-mail.

  80. la fotografía[la fotoˈɡrafia]foto

    Tomó una fotografía de la puesta de sol.Hij maakte een foto van de zonsondergang.

  81. el vaso[el ˈβaso]glas

    Ponga el agua en un vaso.Doe het water in een glas.

  82. la estación[la estaˈθjon]station

    Esperé el tren en la estación.Ik wachtte op het station op de trein.

  83. comparar[kompaˈɾar]vergelijken

    Compare los precios antes de comprar.Vergelijk de prijzen voordat je iets koopt.

  84. azul[aˈθul]blauw

    El cielo está azul.De lucht is blauw.

  85. el ejemplo[el eˈhemplo]voorbeeld

    Dame un ejemplo.Geef me een voorbeeld.

  86. la montaña[la monˈtaɲa]berg

    Subimos a la montaña.We beklommen de berg.

  87. adivinar[aðiβiˈnar]raden

    Adivina qué estoy pensando.Raad eens wat ik denk.

  88. la hermana[la erˈmana]zus

    Mi hermana es mayor que yo.Mijn zus is ouder dan ik.

  89. reír[reˈir]lachen

    Me reí mucho con tu chiste.Ik moest erg lachen om je grap.

  90. el diseño[el diˈseɲo]ontwerp

    El diseño de la casa es muy moderno.Het ontwerp van het huis is heel modern.

  91. el sol[el sol]zon

    El sol brilla en el cielo.De zon schijnt aan de hemel.

  92. el artista[el arˈtista]kunstenaar

    Es un artista famoso.Hij is een beroemde kunstenaar.

  93. el club[el klub]club

    Fuimos al club a bailar.We gingen naar de club om te dansen.

  94. la sección[la sekˈθjon]sectie

    Lea la sección de deportes.Lees het sportkatern.

  95. la habilidad[la abiˈliˈðað]vaardigheid

    Tiene una gran habilidad para el dibujo.Hij heeft een groot talent voor tekenen.

  96. vale[ˈba.le]oké

    Vale, podemos ir.Oké, we kunnen gaan.

  97. olvidar[ol.biˈðar]vergeten

    Olvidé mi teléfono.Ik ben mijn telefoon vergeten.

  98. la pierna[la pjeɾˈna]been

    Me duele la pierna.Mijn been doet pijn.

  99. principal[pɾin.θiˈpal]belangrijkste

    El principal problema es la falta de tiempo.Het belangrijkste probleem is gebrek aan tijd.

  100. disfrutar[dis.fruˈtar]genieten

    Disfruto de la música.Ik geniet van de muziek.

401–500discutir, final, frío, encima, canción, radio, agradable, primavera …
  1. discutir[dis.kuˈtir]bespreken, discussiëren

    Discutimos sobre el clima.We discussiëren over het weer.

  2. final[fiˈnal]laatste, definitief

    Este es el examen final.Dit is het eindexamen.

  3. frío[ˈfri.o]koud

    El agua está fría.Het water is koud.

  4. encima[enˈsi.ma]boven, bovenop

    El pájaro está encima del árbol.De vogel zit boven in de boom.

  5. canción[kanˈsjon]lied, liedje

    Me gusta esta canción.Ik vind dit liedje leuk.

  6. radio[ˈra.ðjo]radio

    Escucho la radio.Ik luister naar de radio.

  7. agradable[a.ɡraˈða.ble]aangenaam, fijn

    El tiempo es agradable.Het weer is aangenaam.

  8. primavera[pri.maˈve.ra]lente

    La primavera es mi estación favorita.De lente is mijn favoriete seizoen.

  9. tarjeta[tarˈxe.ta]kaart

    Te envío una tarjeta de cumpleaños.Ik stuur je een verjaardagskaart.

  10. visitar[vi.siˈtar]bezoeken

    Voy a visitar a mi abuela.Ik ga mijn oma bezoeken.

  11. imaginar[i.ma.xiˈnar]zich voorstellen

    Imagínate una casa en la playa.Stel je een huis aan het strand voor.

  12. terminar[ter.miˈnar]afmaken, beëindigen

    Terminé la tarea.Ik heb het huiswerk afgemaakt.

  13. declaración[de.kla.raˈθjon]verklaring

    Hizo una declaración a la prensa.Hij legde een verklaring af tegenover de pers.

  14. popular[po.puˈlar]populair

    Esa canción es muy popular.Dat liedje is erg populair.

  15. verde[ˈβer.de]groen

    La hierba es verde.Het gras is groen.

  16. esta noche[es.ta ˈno.tʃe]vanavond

    Cenaremos juntos esta noche.We eten vanavond samen.

  17. volar[voˈlar]vliegen

    El avión vuela alto.Het vliegtuig vliegt hoog.

  18. pelota[peˈlo.ta]bal

    Jugué a la pelota con mis amigos.Ik speelde met mijn vrienden met de bal.

  19. silla[ˈsi.ʎa]stoel

    Siéntate en la silla.Ga op de stoel zitten.

  20. tú mismo[tu ˈmis.mo]zelf, jezelf

    Hazlo tú mismo.Doe het zelf.

  21. la tarde[la ˈtar.de]middag, avond

    Nos vemos esta tarde.Tot vanavond.

  22. museo[muˈseo]museum

    Visitamos el museo de arte.We bezochten het kunstmuseum.

  23. pez[peθ]vis

    Hay un pez en el tanque.Er zit een vis in het aquarium.

  24. viaje[bjaˈxe]reis

    Voy a hacer un viaje a México.Ik ga een reis naar Mexico maken.

  25. entrevista[en.treˈβis.ta]interview, gesprek

    Tuve una entrevista de trabajo.Ik had een sollicitatiegesprek.

  26. estilo[esˈti.lo]stijl

    Me gusta su estilo.Ik vind haar stijl mooi.

  27. diez[ˈdjez]tien

    Tengo diez dedos.Ik heb tien vingers.

  28. adulto[aˈdul.to]volwassene

    Es un adulto responsable.Hij is een verantwoordelijke volwassene.

  29. la oscuridad[la oskuɾiˈðað]duisternis

    La oscuridad me da miedo.De duisternis maakt me bang.

  30. la revista[la reˈβista]tijdschrift

    Leo la revista todos los domingos.Ik lees het tijdschrift elke zondag.

  31. el escritor[el eskriˈtoɾ]schrijver

    El escritor publicó su último libro.De schrijver heeft zijn nieuwste boek gepubliceerd.

  32. la cámara[la ˈkamaɾa]camera

    Tomé fotos con mi cámara.Ik heb foto’s gemaakt met mijn camera.

  33. mejorar[mehoˈɾaɾ]verbeteren

    Quiero mejorar mi español.Ik wil mijn Spaans verbeteren.

  34. el bar[el baɾ]bar, café

    Fuimos a tomar una copa en el bar.We gingen iets drinken in de bar.

  35. el hotel[el oˈtel]hotel

    Me quedé en un hotel cerca del aeropuerto.Ik verbleef in een hotel bij het vliegveld.

  36. el detalle[el deˈtaʎe]detail

    Me encanta el detalle en este cuadro.Ik ben dol op de details in dit schilderij.

  37. la máquina[la ˈmaki.na]machine, apparaat

    La máquina de café está rota.Het koffiezetapparaat is kapot.

  38. la bolsa[la ˈbol.sa]tas, zak

    Llevo mi almuerzo en una bolsa.Ik neem mijn lunch mee in een tas.

  39. la dirección[la diɾekˈθjon]adres

    Dame tu dirección de correo electrónico.Geef me je e-mailadres.

  40. moderno[moˈðer.no]modern

    Su casa es muy moderna.Zijn huis is erg modern.

  41. cantar[kanˈtaɾ]zingen

    Me gusta cantar en la ducha.Ik zing graag onder de douche.

  42. el patio[el ˈpa.tjo]binnenplaats, speelplaats

    Jugamos al fútbol en el patio.We voetballen op de binnenplaats.

  43. la cocina[la koˈθi.na]keuken

    Cociné la cena en la cocina.Ik kookte het avondeten in de keuken.

  44. la boca[la ˈbo.ka]mond

    Cerré la boca.Ik deed mijn mond dicht.

  45. la capital[la ka.piˈtal]hoofdstad

    Madrid es la capital de España.Madrid is de hoofdstad van Spanje.

  46. positivo[po.siˈti.βo]positief

    Tengo una actitud positiva.Ik heb een positieve houding.

  47. rico[ˈri.ko]rijk

    Es una persona muy rica.Het is een heel rijk persoon.

  48. la cena[la ˈθe.na]avondeten

    La cena es a las ocho.Het avondeten is om acht uur.

  49. viajar[bjaˈxaɾ]reizen

    Me encanta viajar por el mundo.Ik hou ervan om de wereld rond te reizen.

  50. nacer[naˈθeɾ]geboren worden

    Nací en Nueva York.Ik ben in New York geboren.

  51. el frente[el ˈfɾen.te]voorkant

    El frente de la casa es blanco.De voorkant van het huis is wit.

  52. el compañero[el kompaˈɲe.ɾo]collega, klasgenoot

    Mi compañero es muy divertido.Mijn collega is erg grappig.

  53. el científico[el θjenˈti.fi.ko]wetenschapper

    El científico hizo un nuevo descubrimiento.De wetenschapper deed een nieuwe ontdekking.

  54. la llave[la ˈʎa.βe]sleutel

    Perdí la llave de mi casa.Ik ben mijn huissleutel kwijt.

  55. el periódico[el peɾjoˈði.ko]krant

    Leo el periódico todos los días.Ik lees elke dag de krant.

  56. el jardín[el ˈxar.ðin]tuin

    Me gusta pasear por el jardín.Ik wandel graag door de tuin.

  57. la opinión[la oˈpinjon]mening

    Tengo una opinión diferente sobre este tema.Ik heb een andere mening over dit onderwerp.

  58. el cliente[el kliˈente]klant

    El cliente siempre tiene la razón.De klant heeft altijd gelijk.

  59. el restaurante[el resteˈɾante]restaurant

    Fuimos a un restaurante italiano anoche.We gingen gisteravond naar een Italiaans restaurant.

  60. el barrio[el ˈbarjo]buurt, wijk

    Vivo en un barrio tranquilo.Ik woon in een rustige buurt.

  61. nadie[ˈnaðje]niemand

    Nadie sabe la respuesta.Niemand weet het antwoord.

  62. el papá[el paˈpa]papa

    Mi papá es muy divertido.Mijn papa is erg grappig.

  63. el vídeo[el ˈβideo]video

    Vi un vídeo muy interesante en YouTube.Ik zag een heel interessante video op YouTube.

  64. el avión[el aˈvjon]vliegtuig

    Viajé en avión a España.Ik ben met het vliegtuig naar Spanje gereisd.

  65. el pájaro[el ˈpaxaɾo]vogel

    El pájaro canta en el árbol.De vogel zingt in de boom.

  66. el texto[el ˈteksto]tekst

    Lee el texto en voz alta.Lees de tekst hardop voor.

  67. nueve[ˈnweβe]negen

    Tengo nueve años.Ik ben negen jaar oud.

  68. el sueño[el ˈsweɲo]slaap, droom

    Tengo mucho sueño.Ik heb erg veel slaap.

  69. el objeto[el oxˈxeto]voorwerp

    Ese objeto es muy bonito.Dat voorwerp is heel mooi.

  70. por favor[por faˈβor]alsjeblieft

    Por favor, dame un vaso de agua.Alsjeblieft, geef me een glas water.

  71. el mediodía[el me.ðjoˈði.a]middaguur, twaalf uur 's middags

    Comemos al mediodía.We eten om twaalf uur 's middags.

  72. cien[ˈθjen]honderd

    Hay cien personas en la sala.Er zijn honderd mensen in de zaal.

  73. perfecto[perˈfekto]perfect

    El clima es perfecto hoy.Het weer is vandaag perfect.

  74. la conversación[la konβerˈsaˈθjon]gesprek

    Tuvimos una conversación interesante.We hadden een interessant gesprek.

  75. el principio[el prinˈθipjo]begin

    Al principio no me gustaba.In het begin vond ik het niet leuk.

  76. la playa[la ˈplja]strand

    Fuimos a la playa el fin de semana.We gingen in het weekend naar het strand.

  77. el fin de semana[el fin de seˈmana]weekend

    Quiero ir de compras el fin de semana.Ik wil in het weekend gaan winkelen.

  78. la cita[la ˈθita]afspraakje, afspraak

    Tengo una cita con mi novio.Ik heb een afspraakje met mijn vriend.

  79. lo siento[lo ˈsjento]sorry, het spijt me

    Lo siento, no te escuché.Sorry, ik hoorde je niet.

  80. presentar[prezenˈtar]voorstellen

    Me gustaría presentarte a mi amigo.Ik wil je graag aan mijn vriend voorstellen.

  81. completo[komˈpleto]compleet, volledig

    El trabajo está completo.Het werk is klaar.

  82. el conductor[el kondukˈtor]chauffeur, bestuurder

    El conductor es muy amable.De chauffeur is erg vriendelijk.

  83. el camión[el kaˈmjon]vrachtwagen

    El camión lleva muchos productos.De vrachtwagen vervoert veel producten.

  84. la bebida[la beˈβiða]drankje

    Me gusta tomar una bebida fría.Ik drink graag een koud drankje.

  85. el hielo[el ˈjelo]ijs

    Quiero hielo en mi bebida.Ik wil ijs in mijn drankje.

  86. el invierno[el inˈβjerno]winter

    El invierno es mi estación favorita.De winter is mijn favoriete seizoen.

  87. el caballo[kaˈβaʎo]paard

    El caballo es grande y fuerte.Het paard is groot en sterk.

  88. el apartamento[apaɾˈtaˈmento]appartement

    Tengo un apartamento pequeño en la ciudad.Ik heb een klein appartement in de stad.

  89. la granja[ˈɡɾaŋxa]boerderij

    Mi abuelo vive en una granja.Mijn opa woont op een boerderij.

  90. el vuelo[ˈβwelo]vlucht

    El vuelo salió a tiempo.De vlucht vertrok op tijd.

  91. el barco[ˈbaɾko]boot, schip

    El barco está en el puerto.De boot ligt in de haven.

  92. la libra[ˈliβɾa]pond

    El precio de la carne es por libra.De prijs van het vlees is per pond.

  93. mañana[maˈɲana]morgen

    Mañana voy al cine.Morgen ga ik naar de bioscoop.

  94. rápido[ˈrapiðo]snel

    El corredor es muy rápido.De hardloper is erg snel.

  95. lector[lekˈtor]lezer

    El lector está disfrutando del libro.De lezer geniet van het boek.

  96. pintura[pinˈtuɾa]schilderij

    La pintura es muy hermosa.Het schilderij is erg mooi.

  97. título[ˈtitulo]titel

    El título del libro es interesante.De titel van het boek is interessant.

  98. tienda[ˈtjenda]winkel

    Voy a la tienda a comprar un libro.Ik ga naar de winkel om een boek te kopen.

  99. paseo[paˈseo]wandeling, tochtje

    Daré un paseo en bicicleta por el parque.Ik ga een fietstochtje maken door het park.

  100. lección[lekˈsjon]les

    Aprendí una lección importante hoy.Ik heb vandaag een belangrijke les geleerd.

501–600banda, oreja, béisbol, pie, café, cuarto, huevo, error …
  1. banda[ˈbanda]band

    La banda toca música rock.De band speelt rockmuziek.

  2. oreja[oˈrexa]oor

    Me duele la oreja.Mijn oor doet pijn.

  3. béisbol[ˈbejsbol]honkbal

    Me gusta jugar al béisbol.Ik speel graag honkbal.

  4. pie[pje]voet

    Me duele el pie.Mijn voet doet pijn.

  5. café[kaˈfe]koffie

    Quiero un café, por favor.Ik wil een koffie, alsjeblieft.

  6. cuarto[ˈkwarto]kwart

    Tengo un cuarto de dólar.Ik heb een kwart dollar.

  7. huevo[ˈweβo]ei

    Quiero un huevo frito.Ik wil een gebakken ei.

  8. error[eˈror]fout

    Cometí un error.Ik heb een fout gemaakt.

  9. tranquilo[tranˈkilo]rustig

    El ambiente está tranquilo.De sfeer is rustig.

  10. zapato[saˈpato]schoen

    Tengo un nuevo par de zapatos.Ik heb een nieuw paar schoenen.

  11. ropa[ˈropa]kleren

    Voy a comprar ropa nueva.Ik ga nieuwe kleren kopen.

  12. vecino[beˈθino]buurman

    Mi vecino es muy amable.Mijn buurman is erg aardig.

  13. vestido[besˈtido]jurk

    El vestido es muy bonito.De jurk is erg mooi.

  14. internet[inˈternet]internet

    Estoy conectado a internet.Ik ben verbonden met internet.

  15. autobús[autoˈbus]bus

    Voy a tomar el autobús.Ik ga de bus nemen.

  16. cocinar[koθiˈnar]koken

    Me gusta cocinar.Ik kook graag.

  17. fresco[ˈfresko]fris, koel

    El aire está fresco.De lucht is fris.

  18. negativo[neɣaˈtivo]negatief

    La respuesta es negativa.Het antwoord is negatief.

  19. ayer[aˈjer]gisteren

    Fui al cine ayer.Ik ben gisteren naar de bioscoop gegaan.

  20. par[par]paar

    Tengo un par de zapatos nuevos.Ik heb een paar nieuwe schoenen.

  21. saludable[saˈluðable]gezond

    Comer frutas es saludable.Fruit eten is gezond.

  22. tren[tren]trein

    Voy a viajar en tren.Ik ga met de trein reizen.

  23. el vino[el ˈbi.no]wijn

    Me gusta beber vino tinto.Ik drink graag rode wijn.

  24. la flor[la ˈfloɾ]bloem

    Hay una flor hermosa en el jardín.Er staat een mooie bloem in de tuin.

  25. limpiar[limˈpjar]schoonmaken

    Tengo que limpiar mi habitación.Ik moet mijn kamer schoonmaken.

  26. el actor[el akˈtoɾ]acteur

    El actor es muy famoso.De acteur is erg beroemd.

  27. odiar[oˈðjar]haten

    Odio las mentiras.Ik haat leugens.

  28. el ejercicio[el eˈxer.θi.θjo]oefening, beweging

    Hago ejercicio todos los días.Ik sport elke dag.

  29. la escritura[la es.kriˈtu.ɾa]schrijven

    La escritura es un arte.Schrijven is een kunst.

  30. la lluvia[la ˈʝuβja]regen

    La lluvia es muy fuerte hoy.De regen is vandaag erg hevig.

  31. el fútbol[el ˈfut.bol]voetbal

    Me gusta jugar al fútbol.Ik voetbal graag.

  32. ¡Bienvenido![bjen.beˈni.do]welkom

    ¡Bienvenido a mi casa!Welkom in mijn huis!

  33. la piscina[la pisˈθi.na]zwembad

    Me gusta nadar en la piscina.Ik zwem graag in het zwembad.

  34. extra[ˈek.stra]extra

    Quiero un poco de salsa extra.Ik wil wat extra saus.

  35. escalar[es.kaˈlaɾ]klimmen

    Me gusta escalar montañas.Ik beklim graag bergen.

  36. el pollo[el ˈpo.ʝo]kip

    Me gusta comer pollo.Ik eet graag kip.

  37. el mapa[el ˈma.pa]kaart

    Necesito un mapa para llegar allí.Ik heb een kaart nodig om daar te komen.

  38. el boleto[el boˈle.to]kaartje

    Tengo que comprar un boleto para el cine.Ik moet een kaartje voor de bioscoop kopen.

  39. el aula[el ˈaw.la]klaslokaal

    El aula está llena de estudiantes.Het klaslokaal zit vol met leerlingen.

  40. el almuerzo[el alˈmwen.θo]lunch

    Me gusta comer el almuerzo en el trabajo.Ik lunch graag op het werk.

  41. el significado[el siɡ.ni.fiˈka.ðo]betekenis

    ¿Cuál es el significado de esta palabra?Wat is de betekenis van dit woord?

  42. repetir[re.peˈtiɾ]herhalen

    Por favor, repite eso.Herhaal dat alsjeblieft.

  43. favorito[fa.boˈri.to]favoriet

    El azul es mi color favorito.Blauw is mijn favoriete kleur.

  44. el clima[el ˈkli.ma]weer

    El clima está muy agradable hoy.Het weer is heel aangenaam vandaag.

  45. la lectura[la lekˈtu.ɾa]lezen

    Me gusta la lectura.Ik hou van lezen.

  46. casado[kaˈsa.ðo]getrouwd

    Estoy casado.Ik ben getrouwd.

  47. la sal[la sal]zout

    Ponga un poco de sal en la comida.Doe wat zout in het eten.

  48. el agricultor[el a.ɡri.kulˈtoɾ]boer

    El agricultor cultiva maíz.De boer verbouwt maïs.

  49. el consejo[el konˈse.ho]advies, raad

    Necesito un consejo sobre esto.Ik heb hier advies over nodig.

  50. el escritorio[el eskriˈtoɾjo]bureau

    Tengo que terminar mi tarea en el escritorio.Ik moet mijn huiswerk aan het bureau afmaken.

  51. el teatro[el teˈatro]theater

    Fuimos al teatro a ver una obra.We gingen naar het theater om een toneelstuk te zien.

  52. gordo[ˈɡoɾdo]dik

    El gato es gordo.De kat is dik.

  53. el azúcar[el aˈsukaɾ]suiker

    No puedo comer mucho azúcar.Ik kan niet veel suiker eten.

  54. mil[mil]duizend

    Hay más de mil personas en el estadio.Er zijn meer dan duizend mensen in het stadion.

  55. amarillo[amaˈɾiʎo]geel

    El sol es amarillo.De zon is geel.

  56. la biblioteca[la biblioˈteka]bibliotheek

    Me gusta leer en la biblioteca.Ik lees graag in de bibliotheek.

  57. marrón[maˈron]bruin

    Mi perro es marrón.Mijn hond is bruin.

  58. enojado[enoˈxaðo]boos

    Estoy enojado porque no pude ir al cine.Ik ben boos omdat ik niet naar de bioscoop kon.

  59. la fruta[la ˈfruta]fruit

    La fruta es saludable.Fruit is gezond.

  60. el baile[el ˈbajle]dans

    El baile empieza a las ocho.De dans begint om acht uur.

  61. el tráfico[el ˈtrafiko]verkeer

    El tráfico está terrible hoy.Het verkeer is vreselijk vandaag.

  62. preferir[prefeˈɾiɾ]verkiezen

    Prefiero el café al té.Ik heb liever koffie dan thee.

  63. el aeropuerto[el aeɾoˈpweɾto]vliegveld

    Voy a ir al aeropuerto mañana.Ik ga morgen naar het vliegveld.

  64. enfermo[enˈfermo]ziek

    Estoy enfermo y no puedo ir al trabajo.Ik ben ziek en kan niet naar mijn werk.

  65. el visitante[el visiˈtante]bezoeker

    Tenemos un visitante hoy.We hebben vandaag een bezoeker.

  66. la nariz[la naˈriθ]neus

    Me duele la nariz.Mijn neus doet pijn.

  67. lento[ˈlento]langzaam

    El tráfico es lento.Het verkeer is langzaam.

  68. la botella[la boˈteʎa]fles

    Tengo una botella de agua.Ik heb een fles water.

  69. la pintura[la pinˈtuɾa]verf

    Necesito pintura azul para la pared.Ik heb blauwe verf nodig voor de muur.

  70. el gato[el ˈɡato]kat

    El gato está durmiendo.De kat slaapt.

  71. correcto[koˈrekto]juist, correct

    Tu respuesta es correcta.Je antwoord is juist.

  72. despertarse[desperˈtarse]wakker worden

    Me despierto temprano todos los días.Ik word elke dag vroeg wakker.

  73. la camisa[la kaˈmiʃa]overhemd

    Me gusta mi nueva camisa.Ik vind mijn nieuwe overhemd mooi.

  74. gracioso[ɡraˈsjoso]grappig

    La película es muy graciosa.De film is erg grappig.

  75. la carne[la ˈkarne]vlees

    Comí carne para cenar.Ik at vlees als avondeten.

  76. la nieve[la ˈnjebe]sneeuw

    Hay mucha nieve en invierno.In de winter ligt er veel sneeuw.

  77. el baloncesto[el baloˈnθes]basketbal

    Me gusta jugar al baloncesto.Ik speel graag basketbal.

  78. el diente[el ˈdjente]tand

    Me duele un diente.Mijn tand doet pijn.

  79. el dormitorio[dormiˈtoɾjo]slaapkamer

    Mi dormitorio es pequeño.Mijn slaapkamer is klein.

  80. el océano[oˈseano]oceaan

    El océano es azul y hermoso.De oceaan is blauw en mooi.

  81. la diversión[di.βerˈsjon]plezier

    Pasamos un día de diversión en la playa.We hebben een dag vol plezier op het strand gehad.

  82. la cerveza[θerˈβeθa]bier

    Me gusta tomar cerveza con mis amigos.Ik drink graag bier met mijn vrienden.

  83. inteligente[inteliˈxente]slim

    Mi hermana es muy inteligente.Mijn zus is erg slim.

  84. ocupado[okuˈpado]druk

    Estoy muy ocupado hoy.Ik heb het vandaag erg druk.

  85. la enfermera[enferˈmera]verpleegster

    La enfermera me cuidó muy bien.De verpleegster heeft heel goed voor me gezorgd.

  86. barato[baˈrato]goedkoop

    Encontré un hotel barato en la ciudad.Ik heb een goedkoop hotel in de stad gevonden.

  87. la manzana[manˈsana]appel

    Comí una manzana para el desayuno.Ik heb een appel gegeten als ontbijt.

  88. el fósforo[ˈfozforo]lucifer

    Necesito un fósforo para encender el fuego.Ik heb een lucifer nodig om het vuur aan te steken.

  89. el plato[ˈplato]gerecht

    Hay muchos platos deliciosos en este restaurante.Er zijn veel heerlijke gerechten in dit restaurant.

  90. la verdura[beˈɾdura]groente

    Las verduras son importantes para una dieta saludable.Groenten zijn belangrijk voor een gezond dieet.

  91. el sombrero[somˈbrero]hoed

    Llevo un sombrero para protegerme del sol.Ik draag een hoed om me tegen de zon te beschermen.

  92. el tío[ˈtio]oom

    Mi tío es muy divertido.Mijn oom is erg grappig.

  93. la oración[o.raˈθjon]zin

    Escribí una oración corta para el ensayo.Ik heb een korte zin voor het opstel geschreven.

  94. la pimienta[piˈmjenta]peper

    Añadí un poco de pimienta a la sopa.Ik heb wat peper aan de soep toegevoegd.

  95. la crema[ˈkrema]room

    Me gusta poner crema en mi café.Ik doe graag room in mijn koffie.

  96. la leche[ˈletʃe]melk

    Bebo un vaso de leche cada mañana.Ik drink elke ochtend een glas melk.

  97. veinte[ˈβente]twintig

    Tengo veinte años.Ik ben twintig jaar oud.

  98. gris[gris]grijs

    El cielo está gris hoy.De lucht is vandaag grijs.

  99. el arroz[aˈros]rijst

    El arroz es un alimento básico en muchos países.Rijst is in veel landen een basisvoedsel.

  100. el pan[pan]brood

    Comí un trozo de pan con mantequilla.Ik heb een stuk brood met boter gegeten.

601–700¡Hola!, triste, lavar, la descripción, el queso, la dieta, el té, el abrigo …
  1. ¡Hola![ˈola]hoi

    ¡Hola! ¿Cómo estás?Hoi! Hoe gaat het?

  2. triste[ˈtɾiste]verdrietig

    Estoy triste porque se acabaron mis vacaciones.Ik ben verdrietig omdat mijn vakantie voorbij is.

  3. lavar[laˈβar]wassen

    Tengo que lavar la ropa.Ik moet de kleren wassen.

  4. la descripción[des.kripˈθjon]beschrijving

    La descripción del libro era muy atractiva.De beschrijving van het boek was erg aantrekkelijk.

  5. el queso[ˈkezo]kaas

    Me gusta el queso en mi pizza.Ik hou van kaas op mijn pizza.

  6. la dieta[ˈdjeta]dieet

    Estoy siguiendo una dieta saludable.Ik volg een gezond dieet.

  7. el té[te]thee

    Tomé una taza de té caliente.Ik heb een kop hete thee gedronken.

  8. el abrigo[aˈβriɡo]jas

    Necesito un abrigo para el invierno.Ik heb een jas nodig voor de winter.

  9. el opuesto[oˈpwesto]tegenovergestelde

    El blanco es el opuesto al negro.Wit is het tegenovergestelde van zwart.

  10. la patata[paˈtata]aardappel

    Me gusta comer patatas fritas.Ik eet graag friet.

  11. la chaqueta[tʃaˈketa]jack

    Necesito una chaqueta para el frío.Ik heb een jack nodig voor de kou.

  12. el jugo[ˈxuɣo]sap

    Bebe jugo de naranja para el desayuno.Drink sinaasappelsap bij het ontbijt.

  13. el desayuno[deˈsaˈju.no]ontbijt

    El desayuno es mi comida favorita.Het ontbijt is mijn favoriete maaltijd.

  14. el baño[ˈbaɲo]badkamer

    Necesito ir al baño.Ik moet naar de wc.

  15. buenos días[ˈbwe.nos ˈði.as]goedemorgen

    ¡Buenos días a todos!Goedemorgen allemaal!

  16. el turista[tuˈrista]toerist

    Hay muchos turistas en la ciudad.Er zijn veel toeristen in de stad.

  17. la bota[ˈbota]laars

    Necesito unas botas para el invierno.Ik heb laarzen nodig voor de winter.

  18. el cumpleaños[kum.pleˈaɲos]verjaardag

    Mi cumpleaños es en julio.Mijn verjaardag is in juli.

  19. quinto[ˈkinto]vijfde

    Este es el quinto libro de la serie.Dit is het vijfde boek van de serie.

  20. falso[ˈfalso]onjuist, vals

    Esa información es falsa.Die informatie is onjuist.

  21. rosa[ˈro.sa]roze

    El cielo es rosa al atardecer.De lucht is roze bij zonsondergang.

  22. la abuela[aˈbwe.la]grootmoeder, oma

    Mi abuela es muy cariñosa.Mijn oma is erg lief.

  23. la mantequilla[man.teˈki.ʝa]boter

    Me gusta la mantequilla en el pan.Ik hou van boter op brood.

  24. el tomate[toˈma.te]tomaat

    La salsa de tomate es deliciosa.Tomatensaus is heerlijk.

  25. el concierto[konˈθjer.to]concert

    Fuimos a un concierto de rock el sábado.We zijn zaterdag naar een rockconcert geweest.

  26. la rutina[ruˈti.na]routine

    Tengo una rutina diaria.Ik heb een dagelijkse routine.

  27. las vacaciones[ba.kaˈθjo.nes]vakantie

    Estoy esperando mis vacaciones de verano.Ik kijk uit naar mijn zomervakantie.

  28. el pastel[pasˈtel]taart

    El pastel de chocolate es mi favorito.Chocoladetaart is mijn favoriet.

  29. la frase[ˈfra.se]uitdrukking, zin

    Esa frase es muy común.Die uitdrukking is heel gebruikelijk.

  30. el festival[fes.tiˈβal]festival

    Hay un festival de música en la ciudad.Er is een muziekfestival in de stad.

  31. el reloj[reˈlox]klok

    El reloj marca las tres en punto.De klok wijst precies drie uur aan.

  32. la tía[ˈti.a]tante

    Mi tía es muy divertida.Mijn tante is erg grappig.

  33. la cebolla[seˈβo.ʝa]ui

    La cebolla es un ingrediente común en la cocina.Ui is een veelgebruikt ingrediënt in de keuken.

  34. el chocolate[tʃo.koˈla.te]chocolade

    Me encanta el chocolate.Ik ben dol op chocolade.

  35. las compras[ˈkom.pras]winkelen

    Voy de compras el fin de semana.Ik ga dit weekend winkelen.

  36. amigable[a.miˈɣa.ble]vriendelijk

    Es una persona muy amigable.Hij is een heel vriendelijk persoon.

  37. los pantalones[pan.taˈlo.nes]broek

    Necesito comprar unos pantalones nuevos.Ik moet een nieuwe broek kopen.

  38. el primo[ˈpri.mo]neef

    Mi primo vive en otra ciudad.Mijn neef woont in een andere stad.

  39. el gráfico[el ˈɡɾafiko]grafiek

    Este gráfico muestra las ventas del mes pasado.Deze grafiek toont de verkoop van vorige maand.

  40. un diálogo[un djaˈloɡo]dialoog

    El diálogo entre los personajes fue muy interesante.De dialoog tussen de personages was erg interessant.

  41. treinta[ˈtɾeɪnta]dertig

    Tengo treinta años.Ik ben dertig jaar oud.

  42. sucio[ˈsuθjo]vies

    Mis manos están sucias.Mijn handen zijn vies.

  43. un adolescente[un adoleˈθente]tiener

    Un adolescente está en la etapa de la vida entre la infancia y la adultez.Een tiener bevindt zich in de levensfase tussen kindertijd en volwassenheid.

  44. relajarse[re.laˈxar.se]ontspannen

    Me gusta relajarme escuchando música.Ik ontspan graag door naar muziek te luisteren.

  45. nadar[naˈdar]zwemmen

    Me encanta nadar en el mar.Ik zwem heel graag in de zee.

  46. una ensalada[ˈunɑ en.saˈla.ða]salade

    Pedí una ensalada para la cena.Ik heb een salade besteld als avondeten.

  47. un cantante[un kanˈtɑnte]zanger

    Mi cantante favorita es Beyoncé.Mijn favoriete zangeres is Beyoncé.

  48. un abuelo[un aˈβwelo]grootvader, opa

    Mi abuelo es muy divertido.Mijn opa is erg grappig.

  49. una bicicleta[ˈunɑ bi.siˈkle.tɑ]fiets

    Voy a la escuela en bicicleta.Ik ga met de fiets naar school.

  50. quince[ˈkin.se]vijftien

    Tengo quince años.Ik ben vijftien jaar oud.

  51. una sopa[ˈunɑ ˈso.pɑ]soep

    La sopa de verduras está deliciosa.De groentesoep is heerlijk.

  52. cincuenta[θinˈkwenta]vijftig

    Cuesta cincuenta dólares.Het kost vijftig dollar.

  53. una vaca[ˈunɑ ˈβɑ.kɑ]koe

    La vaca está en el campo.De koe staat in de wei.

  54. el centro comercial[el ˈθentro komeɾˈθjal]winkelcentrum

    Voy al centro comercial a comprar ropa.Ik ga naar het winkelcentrum om kleren te kopen.

  55. el tenis[el ˈte.nis]tennis

    Me gusta jugar tenis.Ik speel graag tennis.

  56. un metro[un ˈme.tɾo]meter

    La mesa mide dos metros de largo.De tafel is twee meter lang.

  57. un león[un leˈon]leeuw

    El león es un animal salvaje.De leeuw is een wild dier.

  58. hambriento[amˈbɾjento]hongerig

    Estoy muy hambriento.Ik ben erg hongerig.

  59. una naranja[ˈunɑ naˈran.xa]sinaasappel

    Me gusta el jugo de naranja.Ik hou van sinaasappelsap.

  60. una novia[ˈunɑ ˈno.βja]vriendin

    Mi novia es muy amable.Mijn vriendin is erg aardig.

  61. un menú[un meˈnu]menu

    El menú del restaurante tiene muchas opciones.Het menu van het restaurant heeft veel keuze.

  62. doce[ˈdo.se]twaalf

    Son las doce de la noche.Het is twaalf uur ’s nachts.

  63. una ducha[ˈunɑ ˈdu.tʃɑ]douche

    Me voy a tomar una ducha.Ik ga een douche nemen.

  64. un ratón[un raˈton]muis

    Vi un ratón en la cocina.Ik zag een muis in de keuken.

  65. una actriz[ˈunɑ akˈtɾis]actrice

    Mi actriz favorita es Meryl Streep.Mijn favoriete actrice is Meryl Streep.

  66. un piano[un ˈpja.no]piano

    Mi hermana toca el piano.Mijn zus speelt piano.

  67. querido[keˈɾido]lief, dierbaar

    Querido amigo, te escribo para...Beste vriend, ik schrijf je om...

  68. la medianoche[la meðjaˈnotʃe]middernacht

    La medianoche es el momento más oscuro del día.Middernacht is het donkerste moment van de dag.

  69. el cerdo[el ˈθerðo]varken

    El cerdo es un animal de granja.Het varken is een boerderijdier.

  70. la serpiente[la serˈpjente]slang

    La serpiente es un reptil que puede ser peligroso.De slang is een reptiel dat gevaarlijk kan zijn.

  71. la marcha[ˈmar.tʃa]mars

    La marcha por la paz fue un éxito.De mars voor vrede was een succes.

  72. los vaqueros[baˈxeɾos]spijkerbroek

    Llevo los vaqueros nuevos.Ik draag mijn nieuwe spijkerbroek.

  73. la camiseta[ka.miˈseta]T-shirt

    Me gusta la camiseta que llevas puesta.Ik vind het T-shirt dat je aanhebt leuk.

  74. el novio[ˈno.βjo]vriend

    Mi novio es muy divertido.Mijn vriend is heel grappig.

  75. la pluma[ˈplu.ma]pen

    Necesito una pluma para escribir.Ik heb een pen nodig om te schrijven.

  76. el sándwich[ˈsan.tʃitʃ]sandwich

    Me he hecho un sándwich para comer.Ik heb voor mezelf een sandwich gemaakt om te eten.

  77. el bailarín[bai.laˈɾin]danser

    El bailarín es muy talentoso.De danser is heel getalenteerd.

  78. la falda[ˈfal.da]rok

    Le queda muy bien la falda.De rok staat haar heel goed.

  79. el café[kaˈfe]koffie

    Voy a tomar un café.Ik ga een koffie drinken.

  80. cuarenta[kwaˈɾen.ta]veertig

    Tengo cuarenta años.Ik ben veertig jaar oud.

  81. la guitarra[giˈta.ra]gitaar

    Toca la guitarra muy bien.Hij speelt heel goed gitaar.

  82. morado[moˈɾa.ðo]paars

    Las flores son moradas.De bloemen zijn paars.

  83. el gimnasio[xiˈmna.sjo]sportschool

    Voy al gimnasio todos los días.Ik ga elke dag naar de sportschool.

  84. el inodoro[iˈno.ɾo.ðo]wc-pot

    El inodoro está roto.De wc-pot is kapot.

  85. el correo[koˈre.o]post

    He enviado el correo.Ik heb de post verstuurd.

  86. la oveja[oˈβe.xa]schaap

    La oveja es blanca.Het schaap is wit.

  87. deletrear[de.le.tɾeˈaɾ]spellen

    ¿Puedes deletrear esa palabra, por favor?Kun je dat woord spellen, alsjeblieft?

  88. once[ˈon.se]elf

    Son las once de la mañana.Het is elf uur ’s ochtends.

  89. el examen[ekˈsa.men]examen

    Tengo un examen mañana.Ik heb morgen een examen.

  90. la natación[na.taˈθjon]zwemmen

    Me gusta la natación.Ik hou van zwemmen.

  91. la bicicleta[bi.siˈkle.ta]fiets

    Voy a la escuela en bicicleta.Ik ga op de fiets naar school.

  92. el elefante[e.leˈfan.te]olifant

    El elefante es muy grande.De olifant is heel groot.

  93. el lápiz[ˈla.pis]potlood

    Necesito un lápiz para escribir.Ik heb een potlood nodig om te schrijven.

  94. el policía[po.liˈθi.a]politieagent

    El policía me detuvo.De politieagent hield me aan.

  95. el supermercado[su.per.mer.kaˈdo]supermarkt

    Voy al supermercado a comprar comida.Ik ga naar de supermarkt om eten te kopen.

  96. la zanahoria[θa.naˈɾi.a]wortel

    Me gusta la zanahoria.Ik hou van wortels.

  97. el plátano[plaˈta.no]banaan

    El plátano es amarillo.De banaan is geel.

  98. un suéter[un ˈswe.ter]trui

    Me gusta llevar un suéter en el otoño.Ik draag in de herfst graag een trui.

  99. la tarea[la taˈɾe.a]huiswerk

    Tengo mucha tarea para mañana.Ik heb veel huiswerk voor morgen.

  100. aburrido[a.buˈri.ðo]saai

    La película fue muy aburrida.De film was heel saai.

701–800ochenta, sesenta, un pasatiempo, un párrafo, adiós, hasta luego, un diccionario, un blog …
  1. ochenta[oˈtʃen.ta]tachtig

    Tengo ochenta años.Ik ben tachtig jaar oud.

  2. sesenta[seˈsen.ta]zestig

    Hay sesenta minutos en una hora.Een uur heeft zestig minuten.

  3. un pasatiempo[un pa.saˈtjem.po]hobby

    Mi pasatiempo favorito es leer.Mijn favoriete hobby is lezen.

  4. un párrafo[un ˈpa.rra.fo]alinea

    Escribe un párrafo sobre tu día.Schrijf een alinea over je dag.

  5. adiós[aˈðjos]doei

    Adiós, te veo mañana.Doei, tot morgen.

  6. hasta luego[ˈas.ta ˈlwe.ɣo]tot straks, tot later

    Hasta luego, me voy a casa.Tot straks, ik ga naar huis.

  7. un diccionario[un dik.sjoˈna.ɾjo]woordenboek

    Necesito un diccionario para traducir esta palabra.Ik heb een woordenboek nodig om dit woord te vertalen.

  8. un blog[un ˈbloɡ]blog

    Leo un blog sobre viajes.Ik lees een blog over reizen.

  9. un DVD[un deˈbe.ˈde]dvd

    Vi una película en DVD anoche.Ik heb gisteravond een film op dvd gekeken.

  10. el sábado[el ˈsa.ba.ðo]zaterdag

    El sábado es mi día favorito de la semana.Zaterdag is mijn favoriete dag van de week.

  11. febrero[feˈβre.ro]februari

    Mi cumpleaños es en febrero.Mijn verjaardag is in februari.

  12. octubre[okˈtu.βɾe]oktober

    Halloween es en octubre.Halloween is in oktober.

  13. delicioso[de.liˈsjo.so]heerlijk

    Esta comida está deliciosa.Dit eten is heerlijk.

  14. septiembre[sepˈtjem.βɾe]september

    El verano termina en septiembre.De zomer eindigt in september.

  15. sediento[seˈðjen.to]dorstig

    Estoy muy sediento.Ik ben erg dorstig.

  16. julio[ˈhu.ljo]juli

    Hace mucho calor en julio.In juli is het erg warm.

  17. abril[aˈβɾil]april

    Abril tiene treinta días.April heeft dertig dagen.

  18. un pasaporte[un pa.saˈpor.te]paspoort

    Necesito un pasaporte para viajar.Ik heb een paspoort nodig om te reizen.

  19. el viernes[el ˈβjer.nes]vrijdag

    El viernes es mi día favorito de la semana.Vrijdag is mijn favoriete dag van de week.

  20. la geografía[la xe.oˈɡra.fi.a]aardrijkskunde

    Estudio geografía en la escuela.Ik leer aardrijkskunde op school.

  21. dieciocho[dje.tʃiˈo.tʃo]achttien

    Tengo dieciocho años.Ik ben achttien jaar oud.

  22. diciembre[diˈsjem.βɾe]december

    La Navidad es en diciembre.Kerstmis is in december.

  23. rubio[ˈru.βjo]blond

    Ella tiene el pelo rubio.Zij heeft blond haar.

  24. diecinueve[dje.tʃiˈnwe.βe]negentien

    Tengo diecinueve años.Ik ben negentien jaar oud.

  25. el domingo[el doˈmin.ɡo]zondag

    El domingo es un día para descansar.Zondag is een dag om uit te rusten.

  26. un camarero[un ka.maˈre.ro]ober

    El camarero nos trajo la comida.De ober bracht ons het eten.

  27. trece[ˈtɾe.se]dertien

    Tengo trece años.Ik ben dertien jaar oud.

  28. diecisiete[ðje.siˈsje.te]zeventien

    Ella tiene diecisiete años.Zij is zeventien jaar oud.

  29. jueves[ˈxwe.βes]donderdag

    El jueves voy al cine.Donderdag ga ik naar de bioscoop.

  30. noviembre[noˈβjem.bre]november

    Mi cumpleaños es en noviembre.Mijn verjaardag is in november.

  31. taxi[ˈtak.si]taxi

    Tomé un taxi para ir al aeropuerto.Ik nam een taxi naar het vliegveld.

  32. setenta[seˈten.ta]zeventig

    Tiene setenta años.Hij is zeventig jaar oud.

  33. un CD[un ˈseˈde]cd

    Compré un CD de música.Ik heb een muziek-cd gekocht.

  34. enero[eˈne.ro]januari

    El año nuevo comienza en enero.Het nieuwe jaar begint in januari.

  35. miércoles[ˈmjer.ko.les]woensdag

    El miércoles tengo clase de español.Woensdag heb ik Spaanse les.

  36. ortografía[or.to.ɡraˈfi.a]spelling

    La ortografía es importante.Spelling is belangrijk.

  37. el euro[el ˈew.ro]euro

    Pagué con euros.Ik heb met euro’s betaald.

  38. un paraguas[un paˈra.ɡwas]paraplu

    Lleva un paraguas porque está lloviendo.Neem een paraplu mee, want het regent.

  39. lunes[ˈlu.nes]maandag

    El lunes voy al trabajo.Maandag ga ik naar mijn werk.

  40. un sitio web[un ˈsi.tjo ˈweb]website

    Visité un sitio web interesante.Ik heb een interessante website bezocht.

  41. martes[ˈmar.tes]dinsdag

    El martes tengo una reunión.Dinsdag heb ik een vergadering.

  42. noventa[noˈβen.ta]negentig

    Tiene noventa años.Hij is negentig jaar oud.

  43. junio[ˈxu.njo]juni

    Las vacaciones de verano comienzan en junio.De zomervakantie begint in juni.

  44. catorce[kaˈtor.se]veertien

    Tengo catorce años.Ik ben veertien jaar oud.

  45. un correo electrónico[un koˈre.o e.lekˈtro.ni.ko]e-mail

    Te envié un correo electrónico.Ik heb je een e-mail gestuurd.

  46. agosto[aˈɡos.to]augustus

    Hace mucho calor en agosto.In augustus is het erg warm.

  47. una factura[u.na fakˈtu.ra]rekening

    Pagué la factura de la luz.Ik heb de elektriciteitsrekening betaald.

  48. un centavo[un senˈta.βo]cent

    Tengo un centavo en mi bolsillo.Ik heb een cent in mijn zak.

  49. dieciséis[ðje.siˈsejs]zestien

    Tiene dieciséis años.Hij is zestien jaar oud.

  50. salir[saˈliɾ]weggaan, naar buiten gaan

    Salgo de casa a las ocho.Ik ga om acht uur van huis.

  51. último[ˈul.ti.mo]laatste

    Es el último día del mes.Het is de laatste dag van de maand.

  52. el estado[el esˈta.ðo]staat

    El estado de California es famoso por sus playas.De staat Californië is beroemd om zijn stranden.

  53. mientras[mjenˈtras]terwijl

    Mientras trabajaba, escuchaba música.Terwijl hij werkte, luisterde hij naar muziek.

  54. el presidente[el pre.siˈðen.te]president

    El presidente del país dio un discurso.De president van het land hield een toespraak.

  55. parecer[pa.reˈser]lijken

    Parece que va a llover.Het lijkt erop dat het gaat regenen.

  56. pedir[peˈðiɾ]vragen om

    Le pedí ayuda a mi hermano.Ik vroeg mijn broer om hulp.

  57. el caso[el ˈka.so]geval

    En este caso, la decisión es clara.In dit geval is de beslissing duidelijk.

  58. el sistema[el sisˈte.ma]systeem

    El sistema operativo está actualizado.Het besturingssysteem is bijgewerkt.

  59. por ciento[por ˈθjen.to]procent

    El precio subió un diez por ciento.De prijs is met tien procent gestegen.

  60. la pregunta[la preˈɣun.ta]vraag

    Tengo una pregunta para ti.Ik heb een vraag voor je.

  61. el número[el ˈnu.me.ro]nummer

    El número de teléfono es 123-456-7890.Het telefoonnummer is 123-456-7890.

  62. el gobierno[el ɡoˈβjer.no]regering

    El gobierno está trabajando en nuevas leyes.De regering werkt aan nieuwe wetten.

  63. la guerra[la ˈɡe.rra]oorlog

    La guerra terminó hace muchos años.De oorlog is vele jaren geleden geëindigd.

  64. nacional[nat͡sjoˈnal]nationaal

    El himno nacional es un símbolo de orgullo.Het volkslied is een symbool van trots.

  65. el lado[el ˈlaðo]kant

    El lado izquierdo de la carretera es para peatones.De linkerkant van de weg is voor voetgangers.

  66. proporcionar[pɾopoɾθiˈnaɾ]verstrekken

    El gobierno proporciona servicios básicos a la población.De overheid verstrekt basisvoorzieningen aan de bevolking.

  67. el servicio[el serˈβiθjo]dienst

    El servicio al cliente es esencial para cualquier negocio.Klantenservice is essentieel voor elk bedrijf.

  68. el poder[el poˈðeɾ]macht

    El presidente tiene mucho poder.De president heeft veel macht.

  69. la ley[la lej]wet

    La ley es fundamental para una sociedad justa.De wet is essentieel voor een rechtvaardige samenleving.

  70. continuar[kontiˈnwaɾ]doorgaan

    Voy a continuar trabajando hasta que termine el proyecto.Ik ga door met werken tot ik het project af heb.

  71. menos[ˈmenos]minder, minst

    Al menos no llueve hoy.Het regent vandaag tenminste niet.

  72. la comunidad[la komuˈniðað]gemeenschap

    La comunidad se unió para ayudar a los afectados por el incendio.De gemeenschap sloeg de handen ineen om de getroffenen van de brand te helpen.

  73. liderar[liðeˈɾaɾ]leiden

    Ella lidera el equipo con gran entusiasmo.Ze leidt het team met veel enthousiasme.

  74. público[ˈpuβliko]openbaar

    El transporte público es una opción económica.Het openbaar vervoer is een voordelige optie.

  75. social[soˈθjal]sociaal

    Las redes sociales son una parte importante de la vida moderna.Sociale media zijn een belangrijk onderdeel van het moderne leven.

  76. permitir[peɾmiˈtiɾ]toestaan

    No está permitido fumar en este edificio.Roken is niet toegestaan in dit gebouw.

  77. el nivel[el niˈβel]niveau

    El nivel de inglés de este estudiante es avanzado.Het niveau Engels van deze student is gevorderd.

  78. bajo[ˈbaho]laag

    El precio del gas está bajo este mes.De gasprijs is deze maand laag.

  79. ofrecer[ofreˈθeɾ]aanbieden

    La tienda ofrece una variedad de productos.De winkel biedt allerlei producten aan.

  80. la investigación[la inβesˈtiɣaθjon]onderzoek

    La investigación científica es crucial para el progreso.Wetenschappelijk onderzoek is cruciaal voor vooruitgang.

  81. capaz[kaˈpas]in staat

    Soy capaz de hablar tres idiomas.Ik ben in staat drie talen te spreken.

  82. el proceso[el pɾoˈθeso]proces

    El proceso de solicitud de visa es largo y complicado.Het aanvraagproces voor een visum is lang en ingewikkeld.

  83. aparecer[apaɾeˈθeɾ]verschijnen

    El sol apareció por detrás de las nubes.De zon verscheen achter de wolken.

  84. considerar[konsiðeˈɾaɾ]overwegen

    Estoy considerando mudarme a otro país.Ik overweeg om naar een ander land te verhuizen.

  85. la educación[la eðuˈkaθjon]onderwijs

    La educación es la clave para el éxito.Onderwijs is de sleutel tot succes.

  86. el humano[el uˈmano]mens

    El ser humano es una especie inteligente.De mens is een intelligente soort.

  87. servir[serˈβir]serveren

    Sirvo café a mis invitados.Ik serveer koffie aan mijn gasten.

  88. el sentido[senˈtiðo]gevoel, zin

    No tengo sentido del humor.Ik heb geen gevoel voor humor.

  89. la muerte[ˈmwɛrte]dood

    La muerte es una parte natural de la vida.De dood is een natuurlijk onderdeel van het leven.

  90. la experiencia[ekspɛˈrjensja]ervaring

    Tengo mucha experiencia en este trabajo.Ik heb veel ervaring in dit werk.

  91. matar[maˈtar]doden

    Mató al animal en defensa propia.Hij doodde het dier uit zelfverdediging.

  92. alcanzar[alˈkanθar]bereiken

    Alcancé la cima de la montaña.Ik bereikte de top van de berg.

  93. el efecto[eˈfekto]effect

    El efecto del medicamento fue inmediato.Het effect van het medicijn was onmiddellijk.

  94. sugerir[suxeˈɾir]voorstellen

    Te sugiero que visites el museo.Ik stel voor dat je het museum bezoekt.

  95. controlar[kontroˈlar]beheersen

    Controlo mis emociones.Ik beheers mijn emoties.

  96. levantar[leβanˈtar]optillen, opsteken

    Levanté la mano para hacer una pregunta.Ik stak mijn hand op om een vraag te stellen.

  97. mayor[maˈjor]groot, belangrijk

    La ciudad tiene un problema mayor con la contaminación.De stad heeft een groot probleem met vervuiling.

  98. ellos mismos[ˈeʎos ˈmizmos]zelf

    Ellos mismos lo hicieron.Ze hebben het zelf gedaan.

  99. el campo[ˈkampo]veld

    El campo está lleno de flores.Het veld staat vol bloemen.

  100. calificación[ka.li.fi.kaˈθjon]beoordeling

    La película recibió una calificación alta.De film kreeg een hoge beoordeling.

801–900informe, líder, luz, todo, voz, corazón, cuidado, mente …
  1. informe[inˈforme]rapport, verslag

    El informe sobre el accidente está en la mesa.Het rapport over het ongeluk ligt op tafel.

  2. líder[ˈlider]leider

    Ella es una líder natural.Zij is een natuurlijke leider.

  3. luz[lus]licht

    Enciende la luz, por favor.Doe het licht aan, alsjeblieft.

  4. todo[ˈtoðo]heel

    Comí todo el pastel.Ik heb de hele taart opgegeten.

  5. voz[bos]stem

    Su voz es muy suave.Zijn stem is heel zacht.

  6. corazón[koɾaˈson]hart

    Tengo un corazón grande.Ik heb een groot hart.

  7. cuidado[kwiˈðaðo]voorzichtigheid

    Tienes que tener cuidado con ese cuchillo.Je moet voorzichtig zijn met dat mes.

  8. mente[ˈmente]geest

    No puedo dejar de pensar en eso, está en mi mente todo el tiempo.Ik kan niet ophouden eraan te denken, het zit de hele tijd in mijn hoofd.

  9. droga[ˈdroɡa]drug

    La policía encontró droga en el coche.De politie vond drugs in de auto.

  10. tirar[tiˈrar]trekken

    Tira de la cuerda hacia arriba.Trek het touw omhoog.

  11. decisión[deθiˈsjon]beslissing

    Tomar una decisión es difícil.Een beslissing nemen is moeilijk.

  12. desarrollar[deseˈroˈʝar]ontwikkelen

    Es importante desarrollar habilidades para el futuro.Het is belangrijk om vaardigheden voor de toekomst te ontwikkelen.

  13. vista[ˈβista]uitzicht

    La vista desde la cima de la montaña es impresionante.Het uitzicht vanaf de top van de berg is indrukwekkend.

  14. esperanza[espeˈranθa]hoop

    Tengo esperanza de que todo salga bien.Ik heb hoop dat alles goed afloopt.

  15. impulsar[imˈpulˈsar]drijven, aansporen

    Lo que la impulsa a seguir adelante es su pasión.Wat haar drijft om door te gaan, is haar passie.

  16. departamento[depaɾtaˈmento]afdeling

    Trabajo en el departamento de marketing.Ik werk op de marketingafdeling.

  17. relación[relaˈθjon]relatie

    Tienen una buena relación.Ze hebben een goede relatie.

  18. recibir[reθiˈβir]ontvangen, krijgen

    Recibí un regalo de cumpleaños.Ik heb een verjaardagscadeau gekregen.

  19. sociedad[soθjeˈðað]samenleving

    La sociedad está cambiando rápidamente.De samenleving verandert snel.

  20. iglesia[iˈɡlesja]kerk

    Fui a la iglesia el domingo.Ik ging zondag naar de kerk.

  21. internacional[inteɾnaθjoˈnal]internationaal

    El evento fue de carácter internacional.Het evenement had een internationaal karakter.

  22. posición[poˈsiθjon]positie

    Su posición en la empresa es muy importante.Zijn positie in het bedrijf is heel belangrijk.

  23. director[direkˈtor]directeur, regisseur

    El director de la película es muy famoso.De regisseur van de film is heel beroemd.

  24. asunto[aˈsunˈto]kwestie, zaak

    Es un asunto muy serio.Het is een heel serieuze kwestie.

  25. registro[reˈxistɾo]register

    Tengo un registro de todos mis gastos.Ik houd een register bij van al mijn uitgaven.

  26. el suelo[el ˈswe.lo]grond, vloer

    El suelo estaba mojado después de la lluvia.De grond was nat na de regen.

  27. el apoyo[el aˈpoʝo]steun

    Necesito tu apoyo para este proyecto.Ik heb je steun nodig voor dit project.

  28. la pareja[la paˈrexa]paar, stel

    Son una pareja muy feliz.Ze zijn een heel gelukkig stel.

  29. producir[pɾoˈduˈθir]produceren

    La fábrica produce automóviles.De fabriek produceert auto’s.

  30. el sitio[el ˈsiˈtjo]plek, site

    El sitio web de la empresa está en construcción.De website van het bedrijf is in aanbouw.

  31. golpear[ɡolˈpeˈar]slaan

    El niño golpeó la pelota con el bate.De jongen sloeg de bal met de knuppel.

  32. la industria[la inˈdusˈtɾja]industrie

    La industria del turismo es muy importante en España.De toerisme-industrie is heel belangrijk in Spanje.

  33. la figura[la fiˈɡuˈra]figuur

    La figura del pintor es muy conocida.De schilder is een zeer bekende figuur.

  34. claro[ˈklaɾo]helder

    El agua del río es muy clara.Het water van de rivier is heel helder.

  35. la cubierta[la kuˈβjeɾˈta]omslag

    La cubierta del libro está dañada.De omslag van het boek is beschadigd.

  36. reciente[reˈθjenˈte]recent

    Tengo una noticia reciente.Ik heb een recent nieuwtje.

  37. los datos[los ˈdaˈtos]gegevens

    Los datos muestran un aumento en las ventas.De gegevens laten een stijging van de verkoop zien.

  38. el aceite[el aˈθejˈte]olie

    El aceite de oliva es muy saludable.Olijfolie is heel gezond.

  39. general[xeˈneˈɾal]algemeen

    La opinión general es que el proyecto es exitoso.De algemene mening is dat het project succesvol is.

  40. atrapar[a.tɾaˈpaɾ]vangen

    El perro atrapó la pelota.De hond ving de bal.

  41. el paso[el ˈpaˈso]stap

    Da un paso adelante.Doe een stap naar voren.

  42. la atención[la aˈtenˈθjon]aandacht

    Por favor, préstame atención.Geef me alsjeblieft je aandacht.

  43. la tecnología[la tekˈnoˈloˈxiˈa]technologie

    La tecnología está en constante evolución.De technologie ontwikkelt zich voortdurend.

  44. la organización[la orɡaˈniˈsaˈθjon]organisatie

    La organización de la conferencia fue excelente.De organisatie van het congres was uitstekend.

  45. la fuente[la ˈfwente]bron

    La fuente de información es confiable.De informatiebron is betrouwbaar.

  46. la causa[la ˈkawˈsa]oorzaak

    La causa de la contaminación es la quema de combustibles fósiles.De oorzaak van de vervuiling is het verbranden van fossiele brandstoffen.

  47. la evidencia[la eˈβiˈdenˈθja]bewijs

    No hay evidencia de que el sospechoso estuviera en el lugar del crimen.Er is geen bewijs dat de verdachte op de plaats delict was.

  48. el siglo[el ˈsiɡlo]eeuw

    El siglo XXI comenzó en el año 2001.De 21e eeuw begon in het jaar 2001.

  49. la oportunidad[la oˈporˈtuˈniˈdad]kans

    Tengo la oportunidad de viajar a Europa.Ik heb de kans om naar Europa te reizen.

  50. darse cuenta[ˈdar.se ˈkwen.ta]beseffen

    Me di cuenta de que estaba equivocado.Ik besefte dat ik het mis had.

  51. condición[kon.diˈsjon]toestand, conditie

    La condición del paciente es estable.De toestand van de patiënt is stabiel.

  52. probable[proˈba.ble]waarschijnlijk

    Es probable que llueva mañana.Het gaat morgen waarschijnlijk regenen.

  53. la ocasión[la o.kaˈsjon]gelegenheid

    Aprovecha la ocasión para practicar español.Maak gebruik van de gelegenheid om Spaans te oefenen.

  54. opción[op.ˈsjon]keuze, optie

    Tienes la opción de ir o quedarte.Je hebt de keuze om te gaan of te blijven.

  55. único[ˈu.ni.ko]enig, enkel

    Hay un único camino hacia la cima.Er is maar één weg naar de top.

  56. paciente[pa.ˈsjente]geduldig

    Sé paciente, las cosas mejorarán.Wees geduldig, het wordt allemaal beter.

  57. término[ˈter.mi.no]term

    El término 'amor' tiene muchas definiciones.De term ‘liefde’ heeft veel definities.

  58. material[ma.te.riˈal]materiaal

    Necesitamos más material para construir la casa.We hebben meer materiaal nodig om het huis te bouwen.

  59. planta[ˈplan.ta]plant

    Hay una planta hermosa en el jardín.Er staat een mooie plant in de tuin.

  60. energía[e.nerˈxi.a]energie

    Necesito más energía para terminar el trabajo.Ik heb meer energie nodig om het werk af te maken.

  61. población[po.bla.ˈsjon]bevolking

    La población de la ciudad está creciendo.De bevolking van de stad groeit.

  62. fuego[ˈfwe.go]vuur

    El fuego se propagó rápidamente.Het vuur verspreidde zich snel.

  63. incluir[in.kluˈir]omvatten

    El proyecto incluye la construcción de una escuela.Het project omvat de bouw van een school.

  64. aumentar[aw.menˈtar]stijgen, verhogen

    Los precios aumentaron este año.De prijzen zijn dit jaar gestegen.

  65. futuro[fuˈtu.ro]toekomst

    El futuro es incierto.De toekomst is onzeker.

  66. médico[ˈme.di.ko]medisch

    Necesitamos atención médica urgente.We hebben dringend medische zorg nodig.

  67. tablero[taˈble.ro]bord

    El tablero de ajedrez está listo para jugar.Het schaakbord staat klaar om te spelen.

  68. trato[ˈtra.to]deal, afspraak

    Hicimos un trato para comprar la casa.We hebben een deal gesloten om het huis te kopen.

  69. descanso[desˈkan.so]rust, pauze

    Necesito un descanso después de trabajar todo el día.Ik heb rust nodig na een hele dag werken.

  70. lucha[ˈlu.tʃa]strijd

    La lucha por la libertad fue larga y difícil.De strijd voor vrijheid was lang en moeilijk.

  71. lanzar[lanˈθar]gooien

    Lanzó la pelota al aire.Hij gooide de bal in de lucht.

  72. oficial[o.fiˈsjal]agent, officier

    El oficial de policía detuvo al sospechoso.De politieagent hield de verdachte aan.

  73. parte superior[ˈpar.te su.pe.riˈor]top, bovenkant

    Llegó a la parte superior de la montaña.Hij bereikte de top van de berg.

  74. autor[awˈtor]auteur, schrijver

    El autor es famoso por sus novelas.De auteur is beroemd om zijn romans.

  75. pasado[paˈsa.do]verleden

    El pasado está lleno de recuerdos.Het verleden zit vol herinneringen.

  76. objetivo[o.bxeˈti.bo]doel

    Mi objetivo es aprender español.Mijn doel is Spaans leren.

  77. comportamiento[kom.por.taˈmjen.to]gedrag

    Su comportamiento es ejemplar.Zijn gedrag is voorbeeldig.

  78. la gota[la ˈɡota]druppel

    Una gota de lluvia cayó en mi mano.Een regendruppel viel op mijn hand.

  79. la naturaleza[la naˈtuɾaˈleθa]natuur

    La naturaleza es hermosa.De natuur is prachtig.

  80. empujar[empuˈxar]duwen

    Empujé la puerta para abrirla.Ik duwde tegen de deur om hem te openen.

  81. el enfoque[el enˈfoke]focus

    El enfoque del proyecto es mejorar la eficiencia.De focus van het project is het verbeteren van de efficiëntie.

  82. reducir[reðuˈθir]verminderen

    Trata de reducir el consumo de energía.Probeer het energieverbruik te verminderen.

  83. mil millones[mil miˈljoˈnes]miljard

    La empresa tiene ingresos de mil millones de dólares.Het bedrijf heeft een omzet van een miljard dollar.

  84. la sangre[la ˈsaŋɡre]bloed

    La sangre es esencial para la vida.Bloed is essentieel voor het leven.

  85. entrar[enˈtrar]binnenkomen

    Entré en la habitación y encendí la luz.Ik kwam de kamer binnen en deed het licht aan.

  86. la serie[la ˈseri.e]serie

    Vi la serie completa de televisión.Ik heb de hele televisieserie gekeken.

  87. la raza[la ˈraθa]ras

    La raza humana es diversa.Het menselijk ras is divers.

  88. muerto[ˈmwerto]dood

    El árbol está muerto.De boom is dood.

  89. actuar[akˈtwar]acteren

    Actuó en la obra de teatro.Hij speelde in het toneelstuk.

  90. subir[suˈβir]stijgen, opkomen

    El sol subió lentamente en el cielo.De zon steeg langzaam aan de hemel.

  91. salvar[salˈβar]redden

    Salvé al gato de una caída.Ik redde de kat van een val.

  92. el factor[el fakˈtor]factor

    El factor principal del éxito fue la planificación.De belangrijkste factor voor het succes was de planning.

  93. proteger[proteˈxer]beschermen

    Protege tus ojos del sol.Bescherm je ogen tegen de zon.

  94. el tamaño[el taˈmaɲo]grootte

    El tamaño del libro es pequeño.De grootte van het boek is klein.

  95. la calidad[la kaˈliˈdad]kwaliteit

    La calidad del producto es excelente.De kwaliteit van het product is uitstekend.

  96. aceptar[aθepˈtar]accepteren

    Acepté la oferta de trabajo.Ik heb het baanaanbod geaccepteerd.

  97. la señal[la seˈñal]bord, teken

    La señal decía 'No estacionar'.Op het bord stond ‘Niet parkeren’.

  98. atacar[aˈtaˈkar]aanvallen

    El perro atacó al gato.De hond viel de kat aan.

  99. el individuo[el inˈdiβiˈðu.o]individu

    Cada individuo tiene derecho a la libertad.Elk individu heeft recht op vrijheid.

  100. el pensamiento[el penˈsaˈmjento]gedachte

    Mis pensamientos estaban en otra parte.Mijn gedachten waren ergens anders.

901–1000la escena, identificar, la cantidad, reconocer, el grado, simple, la capacidad, la enfermedad …
  1. la escena[la esˈθena]scène

    La escena del crimen estaba llena de pruebas.De plaats delict zat vol bewijs.

  2. identificar[iðenˈtifiˈkar]identificeren

    Identifiqué al ladrón por la cámara de seguridad.Ik heb de dief geïdentificeerd via de beveiligingscamera.

  3. la cantidad[la kanˈtiˈdad]hoeveelheid

    La cantidad de dinero es suficiente.De hoeveelheid geld is voldoende.

  4. reconocer[rekoˈnoˈθer]herkennen

    Reconocí a mi amigo en la multitud.Ik herkende mijn vriend in de menigte.

  5. el grado[el ˈɡɾaðo]graad

  6. simple[ˈsimple]eenvoudig

  7. la capacidad[la kapaˈθiðað]vermogen, capaciteit

  8. la enfermedad[la enfermeˈðað]ziekte

  9. la región[la reˈxjon]regio

  10. el entrenamiento[el entrenɑˈmjento]training

  11. fallar[faˈʝar]mislukken, falen

  12. el beneficio[el beneˈfiθjo]voordeel

  13. el carácter[el kaˈɾakteɾ]karakter

  14. el ejército[el eˈɾθito]leger

  15. presente[pɾeˈsente]aanwezig

  16. el crimen[el ˈkrimen]misdaad

  17. adelante[aðeˈlante]vooruit

  18. el escenario[el eθeˈnaɾjo]podium

  19. ordenar[orðeˈnar]ordenen, sorteren

  20. el conocimiento[el konoθiˈmjento]kennis

  21. la estrategia[la estraˈtexia]strategie

  22. el arma[el ˈarma]wapen

  23. el medio ambiente[el ˈmedjo amˈbjente]milieu

  24. el abogado[el aβoˈɡaðo]advocaat

  25. el gerente[el xeˈrente]manager

  26. quitar[kiˈtar]verwijderen

  27. la red[la ˈreð]netwerk

  28. la roca[la ˈroka]rots

  29. el asiento[aˈsjento]zitplaats

    Por favor, tome asiento.Neem alsjeblieft plaats.

  30. el experto[ekˈsperto]expert

    Es un experto en computación.Hij is een computerexpert.

  31. evitar[eviˈtar]vermijden

    Intenta evitar los errores.Probeer fouten te vermijden.

  32. la memoria[meˈmɔɾja]geheugen

    Tengo una buena memoria.Ik heb een goed geheugen.

  33. responder[responˈder]antwoorden, reageren

    Respondí a su correo electrónico.Ik heb op je e-mail geantwoord.

  34. físico[ˈfisiko]fysiek, lichamelijk

    Necesito ejercicio físico.Ik heb lichamelijke beweging nodig.

  35. contener[konteˈner]bevatten

    Esta caja contiene libros.Deze doos bevat boeken.

  36. la paz[pas]vrede

    Deseo la paz mundial.Ik wens wereldvrede.

  37. la estructura[estrukˈtuɾa]structuur

    La estructura del edificio es sólida.De structuur van het gebouw is stevig.

  38. el rey[rej]koning

    El rey gobernó con sabiduría.De koning regeerde wijs.

  39. la célula[ˈselula]cel

    La célula es la unidad básica de la vida.De cel is de basiseenheid van het leven.

  40. particular[partikular]bijzonder, specifiek

    No me gusta este en particular.Ik vind deze in het bijzonder niet leuk.

  41. el empleado[emplenˈaðo]werknemer

    El empleado es responsable de su trabajo.De werknemer is verantwoordelijk voor zijn werk.

  42. aplicar[apliˈkar]aanbrengen, toepassen

    Apliqué la crema en la piel.Ik bracht de crème aan op de huid.

  43. sacudir[sakuˈðir]schudden

    Sacudió la cabeza.Hij schudde zijn hoofd.

  44. descubrir[deskuˈβɾir]ontdekken

    Descubrieron un nuevo planeta.Ze ontdekten een nieuwe planeet.

  45. manejar[maneˈxar]leiden, beheren

    Ella maneja el negocio.Zij leidt het bedrijf.

  46. el dolor[doˈlor]pijn

    Tengo mucho dolor de cabeza.Ik heb erge hoofdpijn.

  47. la unidad[uniˈðað]eenheid

    Una unidad de medida.Een meeteenheid.

  48. afectar[afekˈtar]beïnvloeden

    Esto afecta a todos.Dit beïnvloedt iedereen.

  49. un poco[un ˈpoko]een beetje

    Estoy un poco cansado.Ik ben een beetje moe.

  50. dentro[ˈdentro]binnen, in

    Está dentro de la casa.Hij is binnen in het huis.

  51. preocuparse[preokuˈparse]zich zorgen maken

    No te preocupes, todo estará bien.Maak je geen zorgen, alles komt goed.

  52. realizar[realiˈsar]uitvoeren

    Realizaron un concierto.Ze gaven een concert.

  53. necesario[neseˈsario]noodzakelijk, nodig

    Es necesario que te quedes.Het is noodzakelijk dat je blijft.

  54. la conferencia[konˈfeɾenθja]conferentie

    Asistimos a una conferencia sobre el cambio climático.We woonden een conferentie over klimaatverandering bij.

  55. específico[espeˈθi.fi.ko]specifiek

    Necesitamos información específica sobre el proyecto.We hebben specifieke informatie over het project nodig.

  56. el pasillo[paˈsi.ʎo]gang

    El pasillo está decorado con cuadros.De gang is versierd met schilderijen.

  57. el pez[peθ]vis

    El pez saltó fuera del agua.De vis sprong uit het water.

  58. mencionar[menθjoˈnar]noemen, vermelden

    No mencioné tu nombre.Ik heb je naam niet genoemd.

  59. el problema[pɾoˈβle.ma]probleem

    Tengo un problema con mi coche.Ik heb een probleem met mijn auto.

  60. el medio[ˈme.djo]midden

    El árbol está en el medio del jardín.De boom staat in het midden van de tuin.

  61. el peso[ˈpe.so]gewicht

    El peso del libro es de dos kilos.Het gewicht van het boek is twee kilo.

  62. el adulto[aˈdul.to]volwassene

    Los adultos deben ser responsables.Volwassenen moeten verantwoordelijk zijn.

  63. el miedo[ˈmje.do]angst

    Tengo miedo de las alturas.Ik ben bang voor hoogtes.

  64. el método[ˈme.to.ðo]methode

    Este método es muy efectivo.Deze methode is heel effectief.

  65. pesado[peˈsa.ðo]zwaar

    La maleta es muy pesada.De koffer is erg zwaar.

  66. el soldado[solˈda.ðo]soldaat

    El soldado defiende su país.De soldaat verdedigt zijn land.

  67. el hombro[ˈom.bɾo]schouder

    Me duele el hombro.Mijn schouder doet pijn.

  68. la colina[koˈli.na]heuvel

    Subimos la colina hasta la cima.We beklommen de heuvel tot aan de top.

  69. existir[ek.sisˈtir]bestaan

    El amor existe.Liefde bestaat.

  70. el mar[mar]zee

    El mar está tranquilo hoy.De zee is vandaag kalm.

  71. el propósito[pɾoˈpo.si.to]doel

    El propósito de la vida es ser feliz.Het doel van het leven is gelukkig zijn.

  72. el patrón[paˈtɾon]patroon

    El patrón de la alfombra es muy bonito.Het patroon van het tapijt is erg mooi.

  73. el dueño[ˈdwe.ɲo]eigenaar

    El dueño del perro es muy amable.De eigenaar van de hond is erg vriendelijk.

  74. la discusión[dis.kuˈsjon]discussie

    Tuvimos una discusión sobre el futuro del proyecto.We hadden een discussie over de toekomst van het project.

  75. la piel[pjel]huid

    Tengo la piel sensible.Ik heb een gevoelige huid.

  76. el calor[kaˈlor]warmte

    El calor del sol es agradable.De warmte van de zon is aangenaam.

  77. notar[noˈtar]merken, opmerken

    No noté nada extraño.Ik merkte niets vreemds.

  78. el dedo[ˈde.ðo]vinger

    Me corté el dedo con un cuchillo.Ik sneed in mijn vinger met een mes.

  79. el lago[ˈla.ɡo]meer

    El lago está rodeado de árboles.Het meer is omringd door bomen.

  80. el deseo[deˈse.o]wens

    Tengo el deseo de viajar por el mundo.Ik heb de wens om de wereld rond te reizen.

  81. la sonrisa[la sonˈrisa]glimlach

    Su sonrisa me hizo sentir bien.Haar glimlach gaf me een goed gevoel.

  82. el gas[el ɡas]gas

    Cierra el gas antes de salir.Draai het gas dicht voordat je weggaat.

  83. la pista[la ˈpista]spoor

    Siguió la pista de los ladrones.Hij volgde het spoor van de dieven.

  84. el público[el ˈpuβliko]publiek

    El público aplaudió al final de la obra.Het publiek applaudisseerde aan het einde van het stuk.

  85. la señora[la seˈɲoɾa]dame, mevrouw

    La señora de la tienda me ayudó a encontrar lo que buscaba.De mevrouw van de winkel hielp me te vinden wat ik zocht.

  86. prevenir[preβeˈnir]voorkomen

    Trata de prevenir el resfriado.Probeer verkoudheid te voorkomen.

  87. ninguno[ninˈɡuno]geen enkele

    No tengo ninguno.Ik heb er geen.

  88. el entrenador[el enˈtrenaˈdor]trainer, coach

    El entrenador le dio instrucciones al equipo.De trainer gaf het team instructies.

  89. el discurso[el disˈkurso]toespraak

    El presidente dio un discurso sobre la economía.De president hield een toespraak over de economie.

  90. la puntuación[la punˈtwaˈθjon]score

    El equipo ganó con una puntuación de 3-0.Het team won met een score van 3-0.

  91. el viento[el ˈβjento]wind

    El viento sopla fuerte hoy.De wind waait vandaag hard.

  92. el profesional[el profeˈsjonal]professional, vakman

    Es un profesional en su campo.Hij is een professional in zijn vakgebied.

  93. publicar[puβliˈkar]publiceren

    Publicó su primer libro el año pasado.Hij publiceerde vorig jaar zijn eerste boek.

  94. la opción[la opˈθjon]optie, keuze

    Tienes la opción de ir al cine o al teatro.Je hebt de keuze om naar de bioscoop of naar het theater te gaan.

  95. el original[el oriˈxinal]origineel

    Este cuadro es un original de Picasso.Dit schilderij is een origineel van Picasso.

  96. la esquina[la esˈkina]hoek

    La tienda está en la esquina.De winkel is op de hoek.

  97. lograr[loˈɡrar]bereiken

    Logró su objetivo de perder peso.Hij bereikte zijn doel om af te vallen.

  98. el bosque[el ˈboske]bos

    Caminamos por el bosque durante horas.We liepen urenlang door het bos.

  99. hacer daño[aˈθer ˈdaɲo]pijn doen, bezeren

    Me hice daño en la pierna.Ik heb mijn been bezeerd.

  100. referirse[refeˈrirse]verwijzen

    Se refiere al documento que te di.Hij verwijst naar het document dat ik je gaf.

Leer deze woorden met flashcards

Zo leer je de Spaanse woorden van deze lijst

Lees honderd woorden, verberg de vertalingen en kijk welke je al kent. Veel Spaanse woorden zijn internationaal, en die ken je al voordat je ze leert: la familia, el hospital, el animal.

De woorden die je niet kent, blijven alleen hangen als je ze opnieuw tegenkomt, in zinnen die iets betekenen. De Spaanse verhalen voor beginners op Lingard zijn met dit soort woorden geschreven: tik op een woord en je ziet wat het in die zin betekent, bewaar het en het komt terug in korte herhalingen tot je het kent.

Een werkwoord is op deze lijst één woord, maar in een tekst heeft het tientallen vormen: tener wordt tengo, tiene, tuvo. Leer hier de infinitief en laat het lezen je de vormen tonen. Tik je in een verhaal op tuvo, dan zie je tener.

Vragen over de lijst

Hoeveel woorden heb ik nodig om Spaans te spreken?
De duizend meest voorkomende woorden van een taal vormen ongeveer driekwart van een gewone tekst. Deze lijst ligt dicht bij die kern, dus het is de juiste plek om te beginnen. Om films te volgen en romans te lezen heb je er nog een paar duizend meer nodig.
Staat deze lijst met Spaanse woorden op volgorde van frequentie?
Op volgorde van nut voor wie de taal leert. De lijst volgt de verzamelingen ‘Nuttigste woorden’ voor A1 en daarna A2: eerst de meest voorkomende woorden, daarna alledaagse zelfstandige naamwoorden als la bicicleta en el sándwich. Het is geen kale telling in een corpus van het Spaans.
Wat komt er na de eerste duizend Spaanse woorden?
De rest van A2, dan B1, B2 en C1: in totaal ongeveer 4.300 woorden, in dezelfde verzamelingen in de app. En ga dan lezen: een Spaans verhaal op A2 herhaalt deze woorden in elke regel, met de werkwoorden in al hun vormen.

Andere talen: De 1000 meest gebruikte Engelse woordenDe 1000 meest gebruikte Duitse woordenDe 1000 meest gebruikte Franse woorden