social[soˈθjal]sociaal
Las redes sociales son muy populares.
Sociale media zijn erg populair.
permitir[peɾmiˈtiɾ]toestaan
Mis padres me permiten salir hasta tarde.
Mijn ouders staan me toe om tot laat uit te gaan.
el nivel[el niˈβel]niveau
Mi nivel de inglés es bastante bueno.
Mijn niveau Engels is best goed.
bajo[ˈbaxo]laag; klein
La temperatura está muy baja hoy.
De temperatuur is vandaag erg laag.
ofrecer[ofɾeˈθeɾ]aanbieden
La tienda ofrece muchos productos.
De winkel biedt veel producten aan.
la investigación[la imbestiɣaˈθjon]onderzoek
Trabaja en la investigación científica.
Hij werkt in het wetenschappelijk onderzoek.
capaz[kaˈpaθ]in staat, bekwaam
Soy capaz de hablar tres idiomas.
Ik ben in staat drie talen te spreken.
el proceso[el pɾoˈθeso]proces
Aprender un idioma es un proceso largo.
Een taal leren is een lang proces.
aparecer[apaɾeˈθeɾ]verschijnen
El sol apareció detrás de las nubes.
De zon verscheen achter de wolken.
considerar[konsiðeˈɾaɾ]overwegen
Estoy considerando cambiar de trabajo.
Ik overweeg om van baan te veranderen.
la educación[la eðukaˈθjon]onderwijs, opvoeding
La educación es muy importante.
Onderwijs is erg belangrijk.
el ser humano[el ˈseɾ uˈmano]mens
El ser humano necesita dormir.
De mens heeft slaap nodig.
servir[seɾˈβiɾ]serveren; dienen
El camarero sirve el café.
De ober serveert de koffie.
el sentido[el senˈtiðo]zin, betekenis; gevoel
Tiene un buen sentido del humor.
Hij heeft een goed gevoel voor humor.
la muerte[la ˈmweɾte]dood
La muerte de su abuelo fue muy triste.
De dood van zijn opa was erg verdrietig.
la experiencia[la ekspeˈɾjenθja]ervaring
Tengo mucha experiencia en este trabajo.
Ik heb veel ervaring in dit werk.
matar[maˈtaɾ]doden
Este producto mata los mosquitos.
Dit product doodt muggen.
alcanzar[alkanˈθaɾ]bereiken
Alcanzamos la cima de la montaña.
We bereikten de top van de berg.
el efecto[el eˈfekto]effect
El efecto de la medicina fue inmediato.
Het effect van het medicijn was onmiddellijk.
sugerir[suxeˈɾiɾ]voorstellen, aanraden
Te sugiero visitar el museo.
Ik raad je aan het museum te bezoeken.
controlar[kontɾoˈlaɾ]beheersen, controleren
No puedo controlar mis nervios.
Ik kan mijn zenuwen niet beheersen.
levantar[leβanˈtaɾ]optillen, opsteken
Levanté la mano para hacer una pregunta.
Ik stak mijn hand op om een vraag te stellen.
mayor[maˈʝoɾ]ouder; groter; belangrijkste
Mi hermano mayor vive en Sevilla.
Mijn oudere broer woont in Sevilla.
ellos mismos[ˈeʝos ˈmismos]zijzelf, zelf
Lo hicieron ellos mismos.
Ze hebben het zelf gedaan.
el campo[el ˈkampo]veld; platteland
Los fines de semana vamos al campo.
In het weekend gaan we naar het platteland.
todo[ˈtoðo]heel, al
Me comí toda la tarta.
Ik heb de hele taart opgegeten.
la luz[la luθ]licht
Enciende la luz, por favor.
Doe het licht aan, alsjeblieft.
el corazón[el koɾaˈθon]hart
Tiene un corazón muy grande.
Hij heeft een heel groot hart.
la voz[la βoθ]stem
Su voz es muy suave.
Zijn stem is heel zacht.
claro[ˈklaɾo]helder; licht
El agua del río está muy clara.
Het water van de rivier is erg helder.
tirar[tiˈɾaɾ]trekken; gooien, weggooien
Tira de la cuerda con fuerza.
Trek hard aan het touw.
lanzar[lanˈθaɾ]gooien, werpen
Lanzó la pelota al aire.
Hij gooide de bal in de lucht.
atrapar[atɾaˈpaɾ]vangen
El perro atrapó la pelota.
De hond ving de bal.
golpear[ɡolpeˈaɾ]slaan
Se enfadó y golpeó la mesa.
Hij werd boos en sloeg op de tafel.
luchar[luˈtʃaɾ]vechten, strijden
Mi abuelo luchó mucho por su familia.
Mijn opa heeft hard gevochten voor zijn gezin.
cubrir[kuˈβɾiɾ]bedekken
La nieve cubre los campos.
De sneeuw bedekt de velden.
recibir[reθiˈβiɾ]ontvangen, krijgen
Recibí un regalo de cumpleaños.
Ik heb een verjaardagscadeau gekregen.
darse cuenta[ˈdaɾse ˈkwenta]beseffen
Me di cuenta de que estaba equivocado.
Ik besefte dat ik het mis had.
incluir[iŋkluˈiɾ]omvatten, bevatten
El viaje incluye una visita al museo.
De reis omvat een bezoek aan het museum.
aumentar[awmenˈtaɾ]toenemen, verhogen
El número de turistas aumenta cada verano.
Het aantal toeristen neemt elke zomer toe.
la decisión[la ðeθiˈsjon]beslissing
Tomar una decisión es difícil.
Een beslissing nemen is moeilijk.
la opción[la opˈθjon]optie, keuze
Tienes la opción de ir o quedarte.
Je hebt de keuze om te gaan of te blijven.
la oportunidad[la opoɾtuniˈðað]kans
Tengo la oportunidad de viajar a Europa.
Ik heb de kans om naar Europa te reizen.
la ocasión[la okaˈsjon]gelegenheid
Aprovecha la ocasión para practicar español.
Maak gebruik van de gelegenheid om Spaans te oefenen.
la esperanza[la espeˈɾanθa]hoop
Tengo la esperanza de que todo salga bien.
Ik heb de hoop dat alles goed komt.
el objetivo[el oβxeˈtiβo]doel
Mi objetivo es aprender español.
Mijn doel is Spaans leren.
el asunto[el aˈsunto]kwestie, zaak
Es un asunto muy serio.
Het is een heel serieuze kwestie.
el cuidado[el kwiˈðaðo]zorg; voorzichtigheid
Ten cuidado con ese cuchillo.
Wees voorzichtig met dat mes.
el apoyo[el aˈpoʝo]steun
Necesito tu apoyo para este proyecto.
Ik heb je steun nodig voor dit project.
la relación[la relaˈθjon]relatie
Tienen una buena relación.
Ze hebben een goede relatie.
la pareja[la paˈɾexa]stel, paar; partner
Son una pareja muy feliz.
Ze zijn een heel gelukkig stel.
el paso[el ˈpaso]stap
Da un paso adelante.
Doe een stap naar voren.
el resto[el ˈresto]rest
El resto de la comida está en la nevera.
De rest van het eten staat in de koelkast.
el descanso[el desˈkanso]rust, pauze
Necesito un descanso después de trabajar todo el día.
Ik heb rust nodig na een hele dag werken.
la cima[la ˈθima]top
Llegaron a la cima de la montaña.
Ze bereikten de top van de berg.
la vista[la ˈβista]uitzicht; zicht
La vista desde la montaña es preciosa.
Het uitzicht vanaf de berg is prachtig.
el aceite[el aˈθejte]olie
El aceite de oliva es muy sano.
Olijfolie is erg gezond.
la energía[la eneɾˈxia]energie
Hoy no tengo energía para nada.
Vandaag heb ik nergens energie voor.
el sitio[el ˈsitjo]plek; site
Este es un sitio muy tranquilo.
Dit is een heel rustige plek.
la iglesia[la iˈɣlesja]kerk
Fuimos a la iglesia el domingo.
We zijn zondag naar de kerk gegaan.
paciente[paˈθjente]geduldig
Sé paciente, las cosas mejorarán.
Wees geduldig, het wordt allemaal beter.
probable[pɾoˈβaβle]waarschijnlijk
Es probable que llueva mañana.
Het gaat morgen waarschijnlijk regenen.
reciente[reˈθjente]recent
Esta es una foto reciente de mi familia.
Dit is een recente foto van mijn familie.
único[ˈuniko]enig; uniek
Es mi único hermano.
Hij is mijn enige broer.
general[xeneˈɾal]algemeen
La opinión general es que el plan es bueno.
De algemene mening is dat het plan goed is.
internacional[inteɾnaθjoˈnal]internationaal
Trabaja en una empresa internacional.
Hij werkt bij een internationaal bedrijf.
médico[ˈmeðiko]medisch
Necesitamos atención médica urgente.
We hebben dringend medische zorg nodig.
la posición[la posiˈθjon]positie
Su posición en la empresa es muy importante.
Zijn positie in het bedrijf is heel belangrijk.
el departamento[el depaɾtaˈmento]afdeling
Trabajo en el departamento de marketing.
Ik werk op de marketingafdeling.
el director[el diɾekˈtoɾ]directeur, regisseur
El director de la película es muy famoso.
De regisseur van de film is heel beroemd.
el líder[el ˈliðeɾ]leider
El líder del grupo habló primero.
De leider van de groep sprak als eerste.
el trato[el ˈtɾato]deal, afspraak; behandeling
Hicimos un trato: yo cocino y tú lavas.
We maakten een afspraak: ik kook en jij wast af.
los datos[los ˈðatos]gegevens
Los datos muestran un aumento de las ventas.
De gegevens laten een stijging van de verkoop zien.
el registro[el reˈxistɾo]register, overzicht
Tengo un registro de todos mis gastos.
Ik houd een overzicht bij van al mijn uitgaven.
la figura[la fiˈɣuɾa]figuur, beeldje
Hay una figura de madera en la mesa.
Er staat een houten beeldje op tafel.
el término[el ˈteɾmino]term
No conozco ese término.
Die term ken ik niet.
el material[el mateˈɾjal]materiaal
¿De qué material es esta chaqueta?
Van welk materiaal is deze jas?
el tablero[el taˈβleɾo]bord
El tablero de ajedrez está listo.
Het schaakbord staat klaar.
la fuente[la ˈfwente]bron; fontein
La fuente de la información es fiable.
De bron van de informatie is betrouwbaar.
la causa[la ˈkausa]oorzaak
La causa del accidente no está clara.
De oorzaak van het ongeluk is niet duidelijk.
la evidencia[la eβiˈðenθja]bewijs
No hay ninguna evidencia contra él.
Er is geen enkel bewijs tegen hem.
la condición[la kondiˈθjon]toestand; voorwaarde
La condición del paciente es estable.
De toestand van de patiënt is stabiel.
el comportamiento[el kompoɾtaˈmjento]gedrag
Su comportamiento en clase es muy bueno.
Zijn gedrag in de klas is erg goed.
la atención[la atenˈθjon]aandacht
Por favor, presta atención.
Let alsjeblieft op.
la mente[la ˈmente]geest, verstand
Hay que tener la mente abierta.
Je moet een open geest hebben.
la lucha[la ˈlutʃa]strijd, gevecht
La lucha contra la enfermedad fue larga.
De strijd tegen de ziekte was lang.
la droga[la ˈðɾoɣa]drug
La policía encontró droga en el coche.
De politie vond drugs in de auto.
el oficial[el ofiˈθjal]agent, officier
El oficial de policía detuvo al sospechoso.
De politieagent hield de verdachte aan.
el autor[el awˈtoɾ]auteur, schrijver
El autor es famoso por sus novelas.
De auteur is beroemd om zijn romans.
el siglo[el ˈsiɣlo]eeuw
El siglo XXI empezó en el año 2001.
De 21e eeuw begon in het jaar 2001.
la sociedad[la soθjeˈðað]samenleving, maatschappij
La sociedad está cambiando rápidamente.
De samenleving verandert snel.
la población[la poβlaˈθjon]bevolking
La población de la ciudad está creciendo.
De bevolking van de stad groeit.
desarrollar[desaroˈʝaɾ]ontwikkelen
La empresa desarrolla nuevos productos.
Het bedrijf ontwikkelt nieuwe producten.
producir[pɾoðuˈθiɾ]produceren
La fábrica produce coches.
De fabriek produceert auto's.
la industria[la inˈdustɾja]industrie
La industria del turismo es muy importante en España.
De toerisme-industrie is heel belangrijk in Spanje.
la tecnología[la teknoloˈxia]technologie
La tecnología cambia muy rápido.
De technologie verandert heel snel.
la organización[la oɾɣaniθaˈθjon]organisatie
Trabaja para una organización internacional.
Hij werkt voor een internationale organisatie.
responder[responˈdeɾ]antwoorden, reageren
Respondí a su correo ayer.
Ik heb gisteren op zijn e-mail geantwoord.
simple[ˈsimple]eenvoudig, simpel
La tarea es muy simple.
De taak is heel eenvoudig.
dentro[ˈdentɾo]binnen, in
Los niños están dentro de la casa.
De kinderen zijn binnen in het huis.